Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:3836

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-07-2018
Datum publicatie
04-07-2018
Zaaknummer
AWB 18_2358
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:4211, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Afwijzen verzoek dispensatie avv cao SFU en ABU cao.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 18/2358 BESLU VV, 18/2359 BESLU VV, 18/4026 BESLU en 18/4028 BESLU

uitspraak van 3 juli 2018 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser1] , te [vestigingsplaats1] , verzoekster,

gemachtigde: mr. J.F. Horsten,

en

de minister van Sociale zaken en Werkgelegenheid, verweerder.

Als derde partij hebben aan het geding deelgenomen:

1. [belanghebbende1]te Utrecht,

gemachtigde: [vertegenwoordiger1] .

2. [belanghebbende2] , te Badhoevedorp,

Gemachtigde: mr. L. Spangenberg,

3. [belanghebbende3]te Utrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 13 april 2018 heeft de minister besloten tot algemeenverbindendverklaring (avv) van de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst voor het [naam cao1] ( [naam cao1] ). Dit besluit is gepubliceerd in de Staatscourant van

17 april 2018 (nummer 2136). In het besluit is bepaald dat het besluit met ingang van de dag na uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, in werking treedt.

Het besluit van de minister van 13 april 2018 tot avv van de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst voor Uitzendkrachten ( [naam cao2] ) heeft de minister eveneens in de Staatscourant van 17 april 2018 (nummer 22078) gepubliceerd. Ook in dit besluit is bepaald dat het besluit met ingang van de dag na uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, in werking treedt.

Bij afzonderlijke besluiten van 13 april 2018 (de bestreden besluiten) heeft de minister de verzoeken van [eiser1] om dispensatie van de voornoemde besluiten tot avv van de bepalingen van de [naam cao1] en van de [naam cao2] afgewezen. Deze besluiten zijn tevens bekend gemaakt in de Staatscourant van 17 april 2018 met nummer 2136.

[eiser1] heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorziening te treffen die inhoudt dat aan [eiser1] voorlopig dispensatie wordt verleend. Verder heeft [eiser1] de voorzieningenrechter gevraagd om een ordemaatregel te treffen. De verzoeken om voorlopige voorziening zijn bij de rechtbank bekend onder zaaknummer 18/2358 BESLU VV [naam cao1] ) en 18/2359 BESLU VV ( [naam cao2] ).

De voorzieningenrechter heeft bij beslissing van 18 april 2018 de ordemaatregelen getroffen dat [eiser1] moet worden behandeld als ware zij in het bezit van dispensatie van de besluiten tot avv van de [naam cao1] en [naam cao2] . De ordemaatregelen komen te vervallen indien de verzoeken worden ingetrokken dan wel indien op de verzoeken om voorlopige voorziening is beslist.

Op 8 mei 2018 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden in Breda. [eiser1] heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, mr. W.O. Groustra en [vertegenwoordiger2] . De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Sneller-Jonkers, mr. L. Verplak, mr. B. Tukus-Kara en mr. R.J. Vixsenboxse. De [belanghebbende1] en de [belanghebbende2] hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. [belanghebbende3] is niet verschenen.

[eiser1] heeft verzocht om rechtstreeks beroep als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de minister heeft hiermee ingestemd. Gelet hierop worden de verzoeken om voorlopige voorziening aangemerkt als verzoeken gedaan hangende beroep. De beroepen zijn bij de rechtbank bekend onder de zaaknummers 18/4026 BESLU ( [naam cao2] ) en 18/4028 BESLU [naam cao1] ).

Bij brieven van 8, 13, 14 en 15 juni 2018 hebben [eiser1] en de minister hun standpunten nogmaals toegelicht. Zij hebben daarbij voorts aangegeven dat het houden van een nadere zitting voor hen niet noodzakelijk is. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter op 15 juni 2018 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. [eiser1] is een payrollonderneming gespecialiseerd in de verloning van langdurige arbeidsrelaties. Zij heeft op ondernemingsniveau een eigen cao (hierna: [naam cao3] ) afgesloten met [belanghebbende3] . De huidige [naam cao3] heeft een looptijd voor de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2019 en is op 17 december 2014 als cao aangemeld bij de minister. De minister heeft [eiser1] in het verleden tot 2016 herhaaldelijk dispensatie verleend van de avv’s van de [naam cao1] en de [naam cao2] .

1.1

Bij besluiten van 22 maart 2016 heeft de minister de verzoeken van [eiser1] om dispensatie van het besluit tot avv van de bepalingen van de [naam cao1] en [naam cao2] afgewezen. Tegen deze besluiten heeft [eiser1] bezwaar gemaakt en vervolgens is – omdat de looptijd van de [naam cao1] was verstreken – enkel beroep ingesteld tegen het besluit dat ziet op het niet verlenen van dispensatie van de [naam cao2] . Bij uitspraak van 16 april 2018 van de meervoudige kamer van deze rechtbank (ECLI:NL:RBZWB:2018:2457) is het beroep van [eiser1] ongegrond verklaard. Vervolgens heeft [eiser1] hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS). Dit hoger beroep loopt nog. De geldigheidsduur van het besluit tot avv van de [naam cao2] is inmiddels ook verstreken.

1.2

Bij de bestreden besluiten heeft de minister de verzoeken van [eiser1] om dispensatie van de besluiten tot avv van de bepalingen van de [naam cao1] en [naam cao2] wederom afgewezen.

2. [eiser1] stelt zich onder verwijzing naar haar beroepschrift in de zaak 17/6007 BELU – kort en zakelijk weergegeven – op het standpunt dat de minister haar ten onrechte geen dispensatie heeft verleend. Zij beschikt over bedrijf onderscheidende kenmerken, waarvan het ontbreken van een (actieve) allocatiefunctie de meest onderscheidende is. [eiser1] werft en selecteert niet, heeft geen actieve bemoeienis bij de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst en heeft dus ook geen zeggenschap over de inhoud van de afspraken die worden gemaakt tussen opdrachtgever en de werknemer. Deze specifieke werkwijze wordt onmogelijk bij toepassing van de [naam cao1] en [naam cao2] .

Als [eiser1] de [naam cao2] en de [naam cao1] moet toepassen, loopt zij tegen een groot aantal knelpunten aan. Er zullen dan ernstige en grote gevolgen voor haar, haar werknemers en de opdrachtgevers ontstaan. De maatstaf die de minister nu aanlegt, leidt er in de praktijk toe dat vrijwel nooit meer van dispensatie gebruik kan worden gemaakt. De gevolgen van de avv zijn voor de reguliere bedrijfsvoering van [eiser1] zeer verstrekkend en brengen grote financiële gevolgen met zich mee. Bedrijfscao’s worden zo onmogelijk gemaakt terwijl avv-regelingen steeds ingrijpender worden. Dit heeft als groot nadeel dat maatwerk de facto onmogelijk wordt gemaakt.

[eiser1] stelt verder dat directe toepassing van de avv grote onzekerheid met zich brengt voor haar zelf, haar werknemers en haar opdrachtgevers. De bedrijfsvoering kan niet van de ene op de andere dag worden omgegooid. Als [eiser1] de [naam cao1] en [naam cao2] moet toepassen vergt dit een ingrijpende transitieoperatie. De arbeidsrechtelijke en financiële gevolgen van de besluiten zijn groot.

3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Awb niet alleen uitspraak op de verzoeken om voorlopige voorziening, maar ook op de beroepen.

Het wettelijk kader

4.1

Artikel 2, eerste lid, van de Wet op het algemeen verbindend en onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (Wet AVV) bepaalt dat de minister bepalingen van een cao die in het gehele land of een gedeelte van het land voor een naar zijn oordeel belangrijke meerderheid van de in een bedrijf werkzame personen gelden, in het gehele land of in dat gedeelte van het land algemeen verbindend kan verklaren. Op grond van het bepaalde in artikel 2, tweede lid, van de Wet AVV geschiedt algemeenverbindendverklaring voor een tijdvak van ten hoogste twee jaren, behoudens verlenging.

Uit artikel 3, eerste lid, van de Wet AVV volgt dat elk beding tussen de werkgever en werknemer, dat strijdig is met algemeen verbindend verklaarde bepalingen, nietig is. In plaats van een zodanig beding gelden de algemeen verbindend verklaarde bepalingen.

Artikel 7a, eerste lid, van de Wet AVV bepaalt dat de minister bevoegd is om dispensatie te verlenen van de algemeenverbindendverklaring van bepalingen van een cao. Deze bevoegdheid is nader vormgegeven in het Besluit aanmelding van collectieve arbeidsovereenkomsten en het verzoeken om algemeen verbindend verklaring en in het Toetsingskader Algemeen Verbindend Verklaring cao-bepalingen (het Toetsingskader AVV).

4.2

Bij het beslissen op verzoeken om dispensatie hanteert de minister de beleidsregels zoals neergelegd in hoofdstuk 7 van het Toetsingskader AVV. Hierin is – voor zover hier van belang – bepaald dat dispensatie van de avv alleen wordt verleend indien vanwege zwaarwegende argumenten toepassing van de bedrijfstak-cao door middel van algemeenverbindendverklaring redelijkerwijze niet kan worden gevergd. Van zwaarwegende argumenten is met name sprake als specifieke bedrijfskenmerken op essentiële punten verschillen van kenmerken van de ondernemingen die tot de werkingssfeer van de algemeen verbindend verklaarde cao (avv-cao) gerekend kunnen worden. Weging van de afzonderlijke arbeidsvoorwaardenpakketten vindt in het kader van een dispensatieverzoek niet plaats. Algemeen uitgangspunt van het Toetsingskader AVV is verder dat een verzoek om dispensatie wordt afgewezen indien dispensatie zich niet verdraagt met de doelstellingen van de Wet AVV. De rechtbank is van oordeel dat dit beleid niet kennelijk onredelijk is.

De uitspraak van de rechtbank (ECLI:NL:RBZWB:2018:2457)

5. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 16 april 2018 op het beroep van [eiser1] beslist. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de bedrijfskenmerken van [eiser1] niet dusdanig anders zijn dan van andere payroll-organisaties dat van haar redelijkerwijs niet mag worden gevergd dat zij voldoet aan de [naam cao2] . Voor wat betreft de nadelige gevolgen die het voldoen aan de algemeen verbindend verklaarde bepalingen voor [eiser1] met zich zouden brengen, heeft de rechtbank overwogen dat de [naam cao2] een basis-cao is en dat het [eiser1] vrij staat met haar werknemers voorwaarden overeen te komen die voor de werknemers gunstiger zijn dan de minimumvereisten. Het is alleen niet mogelijk om voorwaarden overeen te komen die de werknemers minder garanties bieden dan op grond van de [naam cao2] is vereist. Voor wat betreft de financiële gevolgen is [eiser1] er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd aannemelijk te maken dat deze dusdanig zijn dat deze een risico voor haar voortbestaan met zich brengen. [eiser1] heeft tegen deze uitspraak bij de AbRS hoger beroep ingesteld op 4 mei 2018. Op dat beroep is tot op heden nog niet beslist.

Het oordeel van de voorzieningenrechter

6. De voorzieningenrechter stelt vast dat de beroepsgronden die [eiser1] in de huidige procedures naar voren heeft gebracht gelijkluidend zijn aan de beroepsgronden van [eiser1] in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van 16 april 2018. Dat geldt voor zowel de [naam cao2] , als de [naam cao1] . Partijen zijn het er ook over eens, en de voorzieningenrechter stelt dat ook vast, dat de in beide beroepsprocedures voorliggende rechtsvragen dezelfde zijn als die in de beroepszaak waarop al is beslist.

De voorzieningenrechter ziet in hetgeen [eiser1] heeft aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de rechtbank in voornoemde uitspraak en zij zal de beroepen tegen de bestreden besluiten daarom ongegrond verklaren. De voorzieningenrechter volstaat bij haar beoordeling van de beroepen met een verwijzing naar de overwegingen van de rechtbank in de uitspraak van 16 april 2018 (ECLI:NL:RBZWB:2018:2457) die als bijlage aan deze uitspraak is gehecht en hiervan onderdeel uitmaakt.

7. Bij beslissing van 18 april 2018 heeft de voorzieningenrechter ordemaatregelen getroffen die erop neer komen dat [eiser1] moet worden behandeld als ware zij in bezit van dispensatie van de besluiten tot avv van de bepalingen van de [naam cao1] en [naam cao2] . In de beslissing is tevens bepaald dat de ordemaatregelen gelden totdat op de verzoeken om voorlopige voorziening is beslist.

Gelet op de gestelde belangen en om het op voorhand aangekondigde hoger beroep in deze zaak niet zinledig te maken, heeft [eiser1] verzocht een voorziening te treffen die erin voorziet dat zij een termijn krijgt om na de uitspraak op dit beroep hoger beroep in te stellen en een voorlopige voorziening te vragen bij de AbRS. Dit om te voorkomen dat met de uitspraak op de beroepen ook de getroffen ordemaatregel vervalt en [eiser1] per direct – of per 18 april 2018 – onder de avv van de bepalingen van de [naam cao1] en de [naam cao2] valt. De minister heeft in zijn reactie van 13 juni 2018 aangegeven hiermee te kunnen instemmen.

De voorzieningenrechter zal daarom op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een voorlopige voorziening treffen die inhoudt dat de getroffen ordemaatregelen worden verlengd en daarmee van kracht blijven tot vier weken na de bekendmaking van de uitspraak op de beroepen.

Conclusie

8. De beroepen zullen ongegrond worden verklaard. Gelet op hetgeen onder rechtsoverweging 7 is overwogen, treft de voorzieningenrechter de voorziening dat de met ingang van 18 april 2018 getroffen ordemaatregelen van kracht blijven tot vier weken na deze uitspraak teneinde [eiser1] in de gelegenheid te stellen hoger beroep in te stellen en onverwijld een voorlopige voorziening te vragen bij de AbRS.

9. Nu de beroepen ongegrond zijn verklaard, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding of een vergoeding van het door [eiser1] betaalde griffierecht.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart de beroepen ongegrond;

  • -

    bepaalt dat [eiser1] moet worden behandeld als ware zij per 18 april 2018 in het bezit van dispensatie van de avv van de bepalingen van [naam cao1] en van de [naam cao2] tot vier weken na bekendmaking van deze uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.M. van Lanen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A. Lemaire, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2018.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.