Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:3756

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
26-06-2018
Datum publicatie
04-01-2019
Zaaknummer
BRE - 17 _ 6 t/m 17_10
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

N.a.v. een opsporingsonderzoek is door de recherche een kasopstelling gemaakt. Het saldo van de kasopstelling is door de inspecteur aangemerkt als niet-aangegeven belastbaar inkomen uit overige werkzaamheden. Naar aanleiding hiervan zijn de onderhavige (navorderings)aanslagen opgelegd.

De rechtbank acht de stelling van de inspecteur geloofwaardig dat alle 8:42-stukken zijn overgelegd. Wel is aanleiding voor de toekenning van een hogere proceskostenvergoeding, vanwege het late indienen van die stukken. De methode van de kasopstelling is weliswaar enigszins ruw, maar wel geschikt om aannemelijk te maken dat er niet-aangegeven inkomsten uit werkzaamheden zijn. De conversie van de aanslagen 2010 en 2011 in navorderingsaanslagen voldoet aan de vereisten van art. 16 AWR. De navorderingsaanslag over 2010 wordt verminderd omdat belanghebbende één van de bedragen uit de kasopstelling 2010 voldoende gemotiveerd heeft betwist. Verder worden de vergrijpboeten verminderd vanwege een onjuiste grondslag en/of undue delay. Rekening houdend met het door belanghebbende verleende uitstel aan de inspecteur is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn voor het doen van uitspraak.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:42
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 07-01-2019
FutD 2019-0098
V-N Vandaag 2019/91
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 17/6 tot en met 17/10

uitspraak van 26 juni 2018

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

gemachtigde: mr. S.F. van Immerseel (De Bont Advocaten)

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende de hieronder genoemde (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en verzuimboete en/of vergrijpboeten opgelegd. Gelijktijdig zijn aan belanghebbende beschikkingen heffingsrente (tot en met het jaar 2011) dan wel belastingrente (vanaf het jaar 2012) afgegeven.

Zaaknr.

Aanslag en belastingjaar

Aanslagnr.

Belastbaar inkomen (box 1)

Verzuim-boete

Vergrijp-boete

Rente

17/6

Navorderingsaanslag IB/PVV 2009

[aanslagnummer].H.97

€ 69.910

-

-

€ 4.038

17/7

Aanslag IB/PVV 2010

[aanslagnummer].H.06

€ 42.260

-

€ 6.353

€ 1.776

17/8

Aanslag IB/PVV 2011

[aanslagnummer].H.16.01

€ 113.835

-

€ 24.227

€ 5.471

17/9

Aanslag IB/PVV 2012

[aanslagnummer].H.26.01

€ 67.430

€ 226

€ 12.076

€ 1.879

17/10

Aanslag IB/PVV 2013

[aanslagnummer].H.36.01

€ 47.995

-

€ 23.998

€ 1.237

1.2.

Bij uitspraken op bezwaar heeft de inspecteur het belastbaar inkomen uit werk en woning voor de jaren 2010 en 2011 verminderd tot respectievelijk € 28.510 en € 109.185. Daarbij is steeds de heffingsrente dienovereenkomstig verminderd en zijn de vergrijpboeten vernietigd. In verband met de gegronde bezwaren is aan belanghebbende voor elk van beide jaren een kostenvergoeding toegekend van € 246.

Bij uitspraken op bezwaar heeft de inspecteur voor de jaren 2009, 2012 en 2013 de (navorderings)aanslagen IB/PVV, de vergrijpboeten en de beschikkingen heffings- dan wel belastingrente gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar bij faxbericht van 2 januari 2017, ingekomen bij de rechtbank op diezelfde dag, beroep ingesteld en dit beroepschrift aangevuld bij brief van 3 maart 2017. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46.

1.4.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De inspecteur heeft bij een op 19 januari 2018 ter griffie ingekomen brief nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan belanghebbende.

1.6.

Een eerste onderzoek ter zitting voor de enkelvoudige kamer van de rechtbank heeft plaatsgevonden op 30 januari 2018 te Breda. De rechtbank heeft aan het einde van de zitting de zitting geschorst en het vooronderzoek heropend. Voor de verschenen personen en het verhandelde ter zitting verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting, dat op 14 februari 2018 aan partijen is verzonden.

1.7.

Met dagtekening 14 februari 2018 heeft de rechtbank een vragenbrief aan de inspecteur verzonden. De inspecteur heeft bij brief van 15 maart 2018 hierop geantwoord en daarbij nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan belanghebbende, waarbij belanghebbende door de rechtbank in de gelegenheid is gesteld om daarop te reageren. Bij brief van 26 april 2018 heeft de gemachtigde van belanghebbende van die gelegenheid gebruik gemaakt. Deze brief is in afschrift verstrekt aan de inspecteur.

1.8.

Een tweede onderzoek ter zitting, nu voor de meervoudige kamer van de rechtbank, heeft plaatsgevonden op 15 mei 2018 te Breda. Voor de verschenen personen en het verhandelde ter zitting verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting waarvan een afschrift gelijktijdig met het afschrift van deze uitspraak aan partijen zal worden toegezonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Op 31 augustus 2011 zijn bij een doorzoeking van de woning van belanghebbende onder meer contante geldbedragen van in totaal € 16.000, een vuurwapen, munitie en plastic zakken met resten van henneptoppen aangetroffen.

2.2.

Tijdens een controle op 1 april 2014 is belanghebbende door de politie staande gehouden op de [adres] te Eindhoven. Belanghebbende was op dat moment de bestuurder van een personenauto van het merk Mercedes met kenteken [kenteken 1]. In de auto zijn onder meer een schietvest, contant geld voor een bedrag van € 28.000, gripzakjes met henneptoppen en een plastic zak met hennepplantenresten aangetroffen. Belanghebbende is aangehouden op verdenking van witwassen en overtreding van de Opiumwet. De recherche is een opsporingsonderzoek gestart.

2.3.

Bij brief van 30 juli 2014 heeft de inspecteur op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) de Officier van Justitie verzocht om (inzage in) de voor de fiscale doeleinden relevante onderzoeksgegevens uit het strafrechtelijk onderzoek. In oktober en november 2014 hebben controleambtenaren van de Belastingdienst bij de recherche inzage gekregen in stukken uit het strafrechtelijk onderzoek, waaronder bankafschriften en een door de recherche opgestelde (concept-)kasopstelling.

2.4.

Op 24 oktober 2014 heeft de inspecteur informatiebiljetten aan belanghebbende verzonden over de jaren 2009 tot en met 2011 en belanghebbende daarnaast uitgenodigd om aangiften in te dienen over de jaren 2012 en 2013. Belanghebbende heeft op 17 november 2014 informatie over de jaren 2009 tot en met 2011 verstrekt en aangiften over 2012 en 2013 ingediend. Daarbij heeft hij aangegeven dat zijn inkomen voor elk van de jaren 2009 tot en met 2013 nihil was.

2.5.

Bij brief van 19 november 2014 heeft de inspecteur het opleggen van de navorderingsaanslag IB/PVV 2009 aangekondigd. Deze is met dagtekening 20 december 2014 aan belanghebbende opgelegd. Op 6 januari 2015 heeft belanghebbende hiertegen een bezwaarschrift ingediend.

2.6.

Bij brief van 24 november 2014 heeft de inspecteur aan belanghebbende meegedeeld dat een fiscaal boekenonderzoek zal worden ingesteld. Dit boekenonderzoek is aangevangen op 6 januari 2015. Op 12 februari 2015 hebben de inspecteur en de toenmalige gemachtigde telefonisch afgesproken dat de bezwaarbehandeling zal worden uitgesteld tot het boekenonderzoek is afgerond.

2.7.

Bij brief van 2 november 2015 heeft de inspecteur het opleggen van de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2010 tot en met 2012, met vergrijpboeten aangekondigd. Met dagtekening 26 november 2015 zijn deze aanslagen en vergrijpboeten aan belanghebbende opgelegd.

2.8.

Door de recherche is met dagtekening 14 januari 2016 een “Proces-verbaal witwasonderzoek [A]” (hierna: het proces-verbaal witwasonderzoek) opgesteld. Dit proces-verbaal is inclusief bijlagen aan de inspecteur ter beschikking gesteld.

2.9.

Bij brief van 21 januari 2016 is een controlerapport van het boekenonderzoek met dagtekening 21 januari 2016 aan belanghebbende verzonden. In het controlerapport zijn ook (onder meer) de aanslag IB/PVV en de vergrijpboete voor het jaar 2013 aangekondigd. Deze zijn met dagtekening 6 mei 2016 aan belanghebbende opgelegd.

2.10.

Bij het in 2.9 genoemde controlerapport is een kasopstelling gevoegd. In de kasopstelling zijn voor elk van de jaren 2009 tot en met 2013 de contante stortingen op bankrekeningen van belanghebbende, de contant bij belanghebbende aangetroffen bedragen en de (bekende) contante aankopen bij elkaar opgeteld. Daarop zijn de contante opnamen in de betreffende jaren en de contante stortingen waar belanghebbende een toereikende verklaring voor had, in mindering gebracht.

2.11.

Bij brief van 4 maart 2016 heeft de inspecteur aan belanghebbende meegedeeld dat hij de aanslagen IB/PVV 2010 en 2011 heeft geconverteerd in navorderingsaanslagen. Bij brief van 19 mei 2016 is door de inspecteur aangekondigd dat vanwege die conversie de vergrijpboeten voor 2010 en 2011 zullen worden vernietigd.

2.12.

Het saldo van de kasopstelling (zie 2.10) en het belastbaar inkomen uit werk en woning, zoals dat na de uitspraak op bezwaar in aanmerking is genomen, is per jaar als volgt:

Jaar

Saldo kasopstelling

Belastbaar inkomen box 1 na uitspraak op bezwaar

2009

€ 123.960

€ 69.910

2010

€ 30.760

€ 28.510

2011

€ 113.835

€ 109.185

2012

€ 67.430

€ 67.430

2013

€ 47.995

€ 47.995

3 Geschil

3.1.

In geschil zijn de antwoorden op de volgende vragen:

  1. Heeft de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van de Awb (hierna: de 8:42-stukken) ingediend?

  2. Heeft de inspecteur onzorgvuldig gehandeld in de aanslag- dan wel beroepsfase?

  3. Voldoet de conversie van de aanslagen in de navorderingsaanslagen (zie 2.11) aan de vereisten van artikel 16 van de AWR?

  4. Zijn de (navorderings)aanslagen niet tot te hoge bedragen vastgesteld?

  5. Zijn de vergrijpboeten voor 2012 en 2013 terecht aan belanghebbende opgelegd en niet tot te hoge bedragen vastgesteld?

  6. Heeft belanghebbende recht op een immateriële-schadevergoeding?

  7. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van de integrale proceskosten?

Ter zitting van 30 januari 2018 heeft de gemachtigde van belanghebbende desgevraagd verklaard dat de verzuimboete voor het jaar 2012 niet in geschil is. Verder is niet in geschil dat de in 2.3 vermelde verzendingen van informatiebiljetten niet zijn aan te merken als uitnodigingen tot het doen van aangifte.

3.2.

Belanghebbende beantwoordt de vragen 1, 3, 4 en 5 ontkennend en de overige vragen bevestigend. De inspecteur is de tegenovergestelde mening toegedaan.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vernietiging van de navorderingsaanslagen IB/PVV 2010 en 2011 en vermindering van de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2009, 2012 en 2013.

De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

4 Beoordeling van het geschil

Met betrekking tot de 8:42-stukken

4.1.

Ter zitting van de enkelvoudige kamer is gebleken dat de inspecteur in de bezwaarfase de beschikking heeft gekregen over het proces-verbaal van het witwasonderzoek, inclusief bijlagen. De inspecteur heeft deze 8:42-stukken alsnog overgelegd. De rechtbank acht de verklaring van de inspecteur geloofwaardig dat hiermee alle 8:42-stukken zijn ingediend. Belanghebbende heeft daar tegenover onvoldoende gemotiveerd gesteld dat nog andere stukken aan de inspecteur ter beschikking staan of hebben gestaan die voor de beoordeling van het geschil van belang kunnen zijn.

Onzorgvuldig handelen door de inspecteur?

4.2.

De gemachtigde heeft vraagtekens gezet bij het opleggen van enkele van de in 1.1 vermelde belastingaanslagen in 2014 en 2015, derhalve voordat het proces-verbaal van het witwasonderzoek ter beschikking van de inspecteur was gesteld. Hiervoor is ter zitting van de enkelvoudige kamer een afdoende verklaring gegeven: de controle-ambtenaren hebben ten kantore van de recherche stukken uit het strafrechtelijk onderzoek (met name bankafschriften en een concept-kasopstelling) ingezien en gebruikt ten behoeve van het opleggen van die belastingaanslagen. Anders dan belanghebbende acht de rechtbank het voorts niet onzorgvuldig dat de inspecteur geen onderzoek heeft ingesteld naar (eventuele) andere bankrekeningen van belanghebbende. Voor zover overigens in de aanslagfase sprake is geweest van onzorgvuldig handelen kan dit niet leiden tot de door gemachtigde bepleite toepassing van artikel 8:31 van de Awb. De aldaar vermelde sanctie ziet uitsluitend op gedragingen van partijen in de beroepsfase.

4.3.

De rechtbank stelt vast dat de inspecteur de bij de kasopstelling behorende bankrekeningoverzichten binnen tien dagen vóór de eerste zitting heeft ingediend en het gehele proces-verbaal witwasonderzoek inclusief alle bijlagen (zie 2.8) pas nadat de rechtbank daarom naar aanleiding van de eerste zitting had verzocht bij de vragenbrief van 14 februari 2018 (zie 1.7). Indien de inspecteur deze stukken eerder had ingebracht, was een tweede zitting niet noodzakelijk geweest. De rechtbank ziet hierin aanleiding om op grond van 8:31 van de Awb bij het bepalen van de hoogte van de proceskostenvergoeding een vol punt toe te kennen voor het bijwonen van de tweede zitting door de gemachtigde (zie 5.2 en 5.3).

Kasopstelling algemeen

4.4.

De hoogte van het inkomen dat belanghebbende volgens de inspecteur heeft genoten in de betrokken jaren, is gebaseerd op de saldi van de in 2.10 vermelde kasopstellingen. Mede gelet op de door de inspecteur ter zitting gegeven toelichting begrijpt de rechtbank dat de redenering van de inspecteur als volgt is. Gegeven de in 2.10 beschreven systematiek is het startpunt de som van de bedragen aan contante stortingen, de contant aangetroffen bedragen en de (bekende) contante aankopen in een jaar (hierna: de contante stortingen). Vervolgens is onderzocht uit welke bronnen de contanten afkomstig zouden kunnen zijn. Daarom zijn op voornoemde som aan contante stortingen in mindering gebracht de contante opnamen en de bedragen aan contante stortingen waar belanghebbende een toereikende verklaring voor heeft. Omdat het restant (hierna: het kasverschil) ergens vandaan moeten komen, is voor dat bedrag aangenomen dat sprake is van (contante) inkomsten uit werkzaamheden.

De rechtbank overweegt dat deze methode weliswaar enigszins ruw is, maar dat in een geval als hier deze methode wel geschikt kan zijn om aannemelijk te maken dat er (niet-aangegeven) inkomsten uit werkzaamheden zijn. Het onderliggende uitgangspunt dat negatieve contante kassen uit de aard der zaak niet mogelijk zijn, is immers juist. Verder is van belang dat belanghebbende niet concreet heeft betwist dat de in de kasopstellingen vermelde stortingen en contante uitgaven zijn gedaan (behoudens de hierna in 4.5 en verder te bespreken stellingen voor zover die zien op de bedragen van de kasopstelling) Belanghebbende heeft weliswaar gesteld dat de kasopstelling onvolledig en onbetrouwbaar is, maar heeft deze stelling onvoldoende onderbouwd. Verder is van belang dat het hier gaat om zeer aanzienlijke bedragen aan contante stortingen. Ook gaat het hier om kasverschillen die gedurende een reeks van jaren optreedt.

Nu aan de kasopstelling als uitgangspunt voldoende bewijskracht toekomt, ligt het op de weg van belanghebbende om een voldoende onderbouwde verklaring voor het kasverschil te geven, i.e. te onderbouwen uit welke bron(nen) de contanten afkomstig zijn. Als er geen voldoende onderbouwde verklaring is voor het kasverschil, acht de rechtbank aannemelijk dat het kasverschil verklaard kan worden door niet-aangegeven inkomsten. Dat is immers de meest plausibele verklaring bij gebrek aan andere bron.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank hierna per jaar de stellingen van belanghebbende beoordelen.

Met betrekking tot het jaar 2009

4.5.

Met betrekking tot de hoogte van de navorderingsaanslag IB/PVV 2009 heeft belanghebbende in de bezwaarfase vier bezwaren tegen de kasopstelling naar voren gebracht:

  1. Belanghebbende heeft in 2009 de rekeningen voor de auto van zijn vader met kenteken [kenteken 2] (betaald, voor in totaal een bedrag van € 5.460,37. Zijn vader heeft dit bedrag in contanten aan hem terugbetaald. In de beroepsfase heeft belanghebbende gesteld dat sprake is geweest van een verschrijving en dat hij heeft gedoeld op de Mercedes met kenteken [kenteken 1] die op naam van zijn vader heeft gestaan.

  2. Belanghebbende heeft in 2009 de energierekening van € 12.000 voor zijn zwager betaald. Dit bedrag heeft zijn zwager hem in contanten terugbetaald.

  3. Belanghebbende heeft in 2009 een bedrag van € 10.000 van een andere zwager geleend.

  4. Belanghebbende heeft eind 2008 van twee personen een bedrag van € 20.000 en een bedrag van € 10.000 geleend.

Deze bedragen zouden volgens belanghebbende daarom niet in aanmerking moeten worden genomen.

4.6.

Ter zitting van 15 mei 2018 heeft de gemachtigde nog een vijfde bezwaar tegen de kasopstelling aangevoerd. Volgens de kasopstelling zou belanghebbende in 2009 twee contante bedragen hebben gestort op een Turkse depositorekening. De gemachtigde heeft zich op het standpunt gesteld dat dit niet mogelijk is, omdat het een feit van algemene bekendheid is dat op een depositorekening geen contante bedragen kunnen worden gestort. Volgens de gemachtigde moet het dus gaan om stortingen vanaf een andere bankrekening van belanghebbende.

4.7.

De rechtbank oordeelt met betrekking tot deze bezwaren als volgt.

4.7.1.

Met betrekking tot het eerste bezwaar acht de rechtbank de verklaring van belanghebbende niet geloofwaardig dat hij de rekeningen voor de auto van zijn vader met kenteken [kenteken 1] zou hebben betaald . De rechtbank acht aannemelijk dat, zoals de inspecteur heeft gesteld, die auto in feite van belanghebbende zelf was. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het kenteken van de auto weliswaar op naam van de vader van belanghebbende is gesteld, maar dat volgens het proces-verbaal witwasonderzoek uit verklaringen van de verkoper van deze auto is af te leiden dat belanghebbende zelf deze auto heeft gekocht, dat belanghebbende zelf als bestuurder in deze auto is aangehouden (zie 2.2) en dat ook overigens waar deze auto in de gedingstukken wordt vermeld niets duidt op gebruik of bezit door de vader van belanghebbende.

4.7.2.

Met betrekking tot het tweede bezwaar stelt de rechtbank vast dat de inspecteur bij uitspraak op bezwaar dit bezwaar van belanghebbende heeft geaccepteerd. Dit heeft echter niet geleid tot een verlaging van de navorderingsaanslag, aangezien het bedrag van het daarin opgenomen belastbaar inkomen uit werk en woning van € 69.910 reeds lager was dan het resultaat van de kasopstelling (€ 123.950).

4.7.3.

Het derde en vierde bezwaar acht de rechtbank met de daarop betrekking hebbende verklaringen en (achteraf opgestelde) akten onvoldoende onderbouwd. De desbetreffende bewijsmiddelen zijn niet controleerbaar te koppelen aan waarneembare geldstromen.

4.7.4.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende met zijn vijfde bezwaar onvoldoende concreet betwist wat in het proces-verbaal witwasonderzoek (pagina 00098) staat vermeld:

“Uit de vertaling blijkt dat het gaat om Deposito/investeringsrekeningen die op naam van verdachte [belanghebbende] staat. De rekening [rekeningnummer 1] is geopend op 14-04-2009 en er werd een contant bedrag van € 28.000,00 op gestort. De rekening [rekeningnummer 2] is geopend op 28-07-2009 en er werd een bedrag van € 42.000,00 op gestort.”

De rechtbank heeft geen aanleiding om aan de juistheid van de betreffende informatie te twijfelen. Het betreft een in het Turks gesteld geschrift, afkomstig van een Turkse bank, dat in de woning van belanghebbende is aangetroffen en door een beëdigd vertaler in het Nederlands is vertaald. Het door de gemachtigde gestelde feit kan – zonder nadere onderbouwing – niet worden beschouwd als een feit van algemene bekendheid.

4.7.5.

Ook overigens heeft belanghebbende onvoldoende onderbouwd een verklaring gegeven voor het aanzienlijke kasverschil.

4.7.6.

Nu het bij de navorderingsaanslag in aanmerking genomen belastbaar inkomen uit werk en woning (veel) lager is dan het (gecorrigeerde) resultaat van de kasopstelling, is het bedrag van de navorderingsaanslag niet te hoog vastgesteld.

Met betrekking tot het jaar 2010

4.8.

Met betrekking tot de hoogte van de navorderingsaanslag IB/PVV 2010 heeft belanghebbende in de bezwaarfase vier bezwaren tegen de kasopstelling naar voren gebracht:

  1. Belanghebbende heeft in 2009 een bedrag van € 10.000 opgenomen en dit bedrag in de loop van 2010 op verschillende data weer teruggestort.

  2. In december 2009 heeft belanghebbende een bedrag van € 16.250 geleend van een andere persoon.

  3. Belanghebbende heeft gepinde bedragen van in totaal € 4.150 vanaf de creditcardrekening op zijn bankrekening gestort.

  4. Belanghebbende heeft in 2010 de rekeningen voor de auto van zijn vader met kenteken [kenteken 1] betaald, voor in totaal een bedrag van € 1.341,20. Zijn vader heeft dit bedrag in contanten aan hem terugbetaald.

Deze bedragen zouden volgens belanghebbende daarom niet in aanmerking moeten worden genomen.

Ter zitting van de meervoudige kamer is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat de contante verkoop van de auto voor € 11.500 reeds is verwerkt in de bij het controlerapport gevoegde kasopstelling waarop de aanslag is gebaseerd.

4.9.

Voor een rechtsgeldige conversie van een aanslag in een navorderingsaanslag moet zijn voldaan aan de vereisten van artikel 16 van de AWR.

4.9.1.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van kwade trouw, aangezien belanghebbende heeft aangegeven dat hij in 2010 geen inkomen had, terwijl hij daar gezien het resultaat van de kasopstelling wel over heeft beschikt. Reeds om die reden mocht de aanslag IB/PVV 2010 op grond van artikel 16, eerste lid, van de AWR worden geconverteerd in een navorderingsaanslag. In het midden kan dan blijven of sprake was van een nieuw feit.

4.9.2.

Anders dan belanghebbende is de rechtbank van oordeel dat ook voldaan is aan het vereiste van een tijdige oplegging van de navorderingsaanslag op grond van het derde lid van voornoemd artikel, nu de conversie weliswaar buiten de vijfjaarstermijn heeft plaatsgevonden, maar de (naderhand geconverteerde) primitieve aanslag wel binnen die termijn is opgelegd (vgl. HR 15 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ5179, BNB 2010/85).

4.10.

De rechtbank oordeelt met betrekking tot de in 4.8 genoemde bezwaren als volgt.

4.10.1.

De rechtbank stelt met betrekking tot het eerste bezwaar vast dat belanghebbende volgens de kasopstelling in december 2009 inderdaad bedragen van in totaal € 10.000 van zijn rekening heeft opgenomen. Het is dan ook mogelijk dat belanghebbende deze bedragen in de loop van 2010 weer heeft teruggestort op zijn bankrekening. Tegen de achtergrond van de ruwe systematiek van de inspecteur – waarbij wordt bezien of contante stortingen of uitgaven zouden kunnen zijn gedaan uit onder meer (eerdere) contante opnames –, is daarmee voor een bedrag van € 10.000 aan gesteld kasverschil in 2010 voldoende gemotiveerd betwist dat dit bedrag als inkomen is aan te merken. Het resultaat van de kasopstelling voor 2010 dient daarom met € 10.000 te worden verminderd. De omstandigheid dat indien de stelling van belanghebbende juist zou zijn, dit zou meebrengen dat het kasverschil over 2009 hoger zou moeten zijn, kan daaraan niet afdoen, nu de rechtbank per jaar moet oordelen en (interne) compensatie tussen aanslagen niet mogelijk is.

4.10.2.

Het tweede bezwaar acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd.

4.10.3.

In de toelichting op de uitspraak op bezwaar van 24 november 2016 heeft de inspecteur vermeld dat van drie gepinde bedragen van de creditcard op dezelfde datum een storting op de bankrekening heeft plaatsgevonden en dat hij van deze bedragen het plausibel vindt dat een circulatie van gelden heeft plaatsgevonden. In totaal heeft hij daarom een bedrag van € 2.250 in mindering gebracht op het resultaat van de kasopstelling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat een hoger bedrag dan € 2.250 vanaf de creditcardrekening is gepind en op de bankrekening is gestort.

4.10.4.

Met betrekking tot het vierde bezwaar verwijst de rechtbank naar hetgeen is overwogen in 4.7.1.

4.11.

De rechtbank heeft geconstateerd dat het vastgestelde belastbaar inkomen uit werk en woning bij uitspraak op bezwaar reeds is verminderd vanwege het feit dat het resultaat van de kasopstelling voor 2010 lager bleek te zijn en nog verder is verminderd naar aanleiding van het derde bezwaar van belanghebbende (zie 4.10.3). Gelet op het overwogene in 4.10.1 dient het belastbaar inkomen uit werk en woning zoals vastgesteld bij de uitspraak op bezwaar nog met € 10.000 te worden verminderd tot € 18.510. De beschikking heffingsrente moet dan dienovereenkomstig worden verminderd.

Met betrekking tot het jaar 2011

4.12.

Met betrekking tot de hoogte van de navorderingsaanslag IB/PVV 2011 heeft belanghebbende in de bezwaarfase drie bezwaren tegen de kasopstelling naar voren gebracht:

  1. Belanghebbende heeft in 2010 de rekeningen voor de auto van zijn vader met kenteken [kenteken 1] betaald, voor in totaal een bedrag van € 5.766,92. Zijn vader heeft dit bedrag in contanten aan hem terugbetaald.

  2. Belanghebbende heeft gepinde bedragen van in totaal € 4.650 vanaf de creditcardrekening op zijn bankrekening gestort.

  3. In 2011 heeft belanghebbende bedragen die hij in 2010 contant had geleend op zijn bankrekening gestort.

Deze bedragen zouden volgens belanghebbende daarom niet in aanmerking moeten worden genomen.

4.13.

In de beroepsfase heeft de gemachtigde in zijn brief van 26 april 2018 aan de rechtbank nog als vierde bezwaar tegen de kasopstelling aangevoerd dat de inspecteur een (in de woning van belanghebbende) in beslaggenomen bedrag van € 16.000 onjuist in de kasopstelling heeft verwerkt.

4.14.

Met betrekking tot de rechtsgeldigheid van de conversie van de aanslag IB/PVV 2011 in een navorderingsaanslag oordeelt de rechtbank overeenkomstig hetgeen is overwogen in 4.9.1.

4.15.

De rechtbank oordeelt met betrekking tot de in 4.12 genoemde bezwaren als volgt.

4.15.1.

Met betrekking tot het eerste bezwaar verwijst de rechtbank naar hetgeen is overwogen in 4.7.1.

4.15.2.

Aan het tweede bezwaar is de inspecteur bij uitspraken op bezwaar reeds geheel tegemoetgekomen.

4.15.3.

Het derde bezwaar acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd.

4.15.4.

De rechtbank leidt uit het proces-verbaal witwasonderzoek af dat op 31 augustus 2011 bij een doorzoeking in de woning van belanghebbende een bedrag aan contanten van € 16.000 in beslag is genomen en dat dit bedrag op 6 december 2011 op de rekening van de echtgenote van belanghebbende is teruggestort. Dit bedrag is onder vermelding van de datum 6 december 2011 in de kasopstelling 2011 eenmaal meegeteld als inkomen. Naar het oordeel van de rechtbank is in de systematiek van de kasopstelling terecht rekening gehouden met eenmaal het bedrag van € 16.000, aangezien belanghebbende blijkbaar in 2011 over dit bedrag kon beschikken, terwijl daar geen bekende inkomstenbron tegenover stond.

4.16.

De rechtbank heeft geconstateerd dat het vastgestelde belastbaar inkomen uit werk en woning bij uitspraken op bezwaar is verminderd naar aanleiding van het tweede bezwaar van belanghebbende (zie 4.15.2) en heeft, mede gelet op hetgeen overigens is overwogen onder 4.15, geen aanleiding gezien om het aldus vastgestelde inkomen nog verder te verminderen.

Met betrekking tot het jaar 2012

4.17.

Naar het oordeel van de rechtbank kan in het midden blijven of met betrekking tot de hoogte van de aanslag IB/PVV 2012 omkering en verzwaring van de bewijslast op grond van artikel 27e van de AWR dient plaats te vinden, aangezien de rechtbank reeds op grond van de normale bewijslastverdeling de hoogte van het belastbare inkomen, zoals dit is herleid uit de kasopstelling (zie 4.4), aannemelijk acht gelet op het volgende.

4.18.

Met betrekking tot de hoogte van de aanslag IB/PVV 2012 heeft belanghebbende in de bezwaarfase twee bezwaren tegen de kasopstelling naar voren gebracht:

  1. Belanghebbende heeft in 2012 de rekeningen voor de auto van zijn vader met kenteken [kenteken 1] betaald, voor in totaal een bedrag van € 3.955,20. Zijn vader heeft dit bedrag in contanten aan hem terugbetaald.

  2. Belanghebbende heeft een bedrag van € 95.000 gekregen, dan wel geleend van een persoon in Turkije ten behoeve van een te starten carwash in Istanbul. Deze gelden zijn door belanghebbende voornamelijk gebruikt voor het betalen van eigen rekeningen en het aflossen van schulden.

Deze bedragen zouden volgens belanghebbende daarom niet in aanmerking moeten worden genomen.

4.19.

In de beroepsfase heeft de gemachtigde in zijn brief van 26 april 2018 aan de rechtbank nog als derde bezwaar tegen de kasopstelling aangevoerd dat de inspecteur het in beslaggenomen bedrag van € 16.000 (zie 4.13) ook onjuist in de kasopstelling voor 2012 heeft verwerkt.

4.20.

De rechtbank oordeelt met betrekking tot deze bezwaren als volgt.

4.20.1.

Met betrekking tot het eerste bezwaar verwijst de rechtbank naar hetgeen is overwogen in 4.7.1.

4.20.2.

Het tweede bezwaar acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd.

4.20.3.

Met betrekking tot het derde bezwaar verwijst de rechtbank naar hetgeen is overwogen in 4.15.4. Het bedrag van € 16.000 is eind 2011 op de rekening van de echtgenote van belanghebbende gestort en komt enkel voor in de kasopstelling voor 2011. In de kasopstellingen (ook in die voor 2012) zijn steeds enkel de mutaties van de bankrekeningen verwerkt. Het begin- en het eindsaldo van de rekeningen per jaar zijn bij deze systematiek van inkomensbepaling niet van belang. Er is dan ook geen sprake van een dubbeltelling met betrekking tot dit bedrag.

4.21.

De rechtbank ziet daarom in de bezwaren van belanghebbende en ook overigens geen aanleiding om de hoogte van de aanslag IB/PVV 2012 te verminderen.

4.22.

Met betrekking tot de vergrijpboete betreffende de aanslag IB/PVV 2012 oordeelt de rechtbank als volgt.

4.22.1.

De rechtbank is van oordeel dat de vergrijpboete op juiste wijze is aangekondigd bij brief van 2 november 2015 (zie 2.7) en dat deze op grond van 67d van de AWR terecht aan belanghebbende is opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is het aan de opzet van belanghebbende te wijten dat hij een onjuiste aangifte heeft gedaan. De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, bewezen dat belanghebbende inkomsten uit werkzaamheden heeft gehad in 2012. Het gaat om een zodanig hoog bedrag dat de rechtbank bewezen acht dat de belanghebbende zich ervan bewust is geweest dat sprake was van inkomsten die hij in de aangifte had dienen te vermelden. De rechtbank acht niet geloofwaardig dat belanghebbende niet bekend zou zijn geweest met de in Nederland, evenals in vele – zo niet alle – andere landen van Europa, bestaande wettelijke verplichting om genoten belastbaar inkomen te melden in zijn aangifte. Door zijn handelwijze heeft belanghebbende willens en wetens (op zijn minst) het risico genomen dat van hem te weinig belasting zou worden geheven.

4.22.2.

Belanghebbende heeft bij kennisgeving van 2 november 2015 (zie 2.7) voor het eerst ervan kennisgenomen dat hij zou worden beboet. De rechtbank doet uitspraak op 26 juni 2018. Daarmee is een termijn verstreken van twee jaar en zeven maanden en is de redelijke termijn van twee jaar met bijna zeven maanden overschreden (undue delay). De rechtbank ziet daarom aanleiding tot matiging van de boeten met 10%. De vergrijpboete wordt dan ook verminderd van € 12.076 tot € 10.868.

Met betrekking tot het jaar 2013

4.23.

Met betrekking tot de verdeling van de bewijslast voor de hoogte van de aanslag IB/PVV 2013 oordeelt de rechtbank overeenkomstig overweging 4.17.

4.24.

Met betrekking tot de hoogte van de aanslag IB/PVV 2013 heeft belanghebbende in de bezwaarfase twee bezwaren tegen de kasopstelling naar voren gebracht:

  1. Belanghebbende heeft bedragen gekregen, dan wel geleend van een persoon in Turkije ten behoeve van een te starten carwash in Istanbul (zie ook het tweede bezwaar dat in 4.18 staat vermeld). Deze gelden zijn door belanghebbende voornamelijk gebruikt voor het betalen van eigen rekeningen en het aflossen van schulden.

  2. Belanghebbende had een eigen onderneming in [woonplaats]. Hij maakte regelmatig gebruik van kasopnames uit zijn onderneming. Deze gelden werden vervolgens gestort op zijn bankrekening.

Deze bedragen zouden volgens belanghebbende daarom niet in aanmerking moeten worden genomen.

4.25.

De rechtbank acht beide in 4.27 genoemde bezwaren onvoldoende onderbouwd. De rechtbank ziet daarom in de bezwaren van belanghebbende en ook overigens geen aanleiding om de hoogte van de aanslag IB/PVV 2013 te verminderen.

4.26.

Met betrekking tot de vergrijpboete oordeelt de rechtbank overeenkomstig overweging 4.22, met dien verstande dat deze vergrijpboete in het controlerapport van 21 januari 2016 (zie 2.9) (op juiste wijze) is aangekondigd.

4.27.

De inspecteur heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat de hoogte van de vergrijpboete onjuist is vastgesteld, omdat bij het vaststellen daarvan abusievelijk is uitgegaan van het inkomen uit werk en woning als grondslag in plaats van het bedrag van de aanslag. Nu het bedrag van de aanslag door de inspecteur (terecht) is vastgesteld op € 15.759, dient het bedrag van de vergrijpboete te worden bepaald op € 7.879 (50% van € 15.759).

4.28.

Belanghebbende heeft bij kennisgeving van 15 januari 2016 (zie 2.9) voor het eerst ervan kennisgenomen dat hij zou worden beboet. De rechtbank doet uitspraak op 26 juni 2018. Daarmee is een termijn verstreken van twee jaar en ruim vijf maanden en is de redelijke termijn van twee jaar met ruim vijf maanden overschreden (undue delay). De rechtbank ziet daarom aanleiding tot een verdere matiging van de vergrijpboete met 5%. De vergrijpboete wordt dan ook verminderd van € 7.879 tot € 7.485.

Immateriële-schadevergoeding

4.29.

Met betrekking tot het verzoek om de toekenning van een immateriële-schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn oordeelt de rechtbank als volgt.

4.29.1.

De rechtbank merkt de onderhavige bezwaren en beroepen aan als samenhangende zaken waarin één maal spanning en frustratie is ondervonden.

4.29.2.

In normale omstandigheden wordt een termijn van 2 jaar redelijk geacht voor het tijdsverloop tussen de ontvangst van het bezwaarschrift en het doen van uitspraak door de rechtbank. De rechtbank ziet echter aanleiding om de redelijke termijn in deze zaak te verlengen, in aanmerking genomen dat tussen partijen niet in geschil is dat de termijn verlengd dient te worden met de verlenging van de beslistermijn waarmee belanghebbende heeft ingestemd.

De (voormalige) gemachtigde van belanghebbende heeft na de indiening van het eerste bezwaarschrift tijdens een telefoongesprek met de inspecteur ingestemd met het verlengen van de beslistermijn tot het boekenonderzoek was afgerond. De rechtbank zal belanghebbende volgen in zijn standpunt dat de uitsteltermijn is aangevangen op 26 april 2015. Anders dan belanghebbende acht de rechtbank niet aannemelijk dat het boekenonderzoek al ten tijde van het opleggen van de aanslagen IB/PVV 2010 tot en met 2012 (26 november 2015) was afgerond. Dat is niet aannemelijk omdat de hoogte van het vastgestelde inkomen bij de aanslag IB/PVV 2010 hoger is dan het resultaat van de kasopstelling bij het rapport boekenonderzoek. De uitsteltermijn eindigt daarom op 21 januari 2016, de dagtekening van het rapport boekenonderzoek. De termijn van het verleende (eerste) uitstel moet dan worden berekend op 9 maanden.

Bij brief van 19 februari 2016 heeft de inspecteur aan de gemachtigde gemeld dat hij de beslistermijn wenst uit te stellen tot 1 juli 2016 en dat hij ervan uitgaat dat de gemachtigde daarmee akkoord gaat. Bij brief van 23 juni 2016 heeft de inspecteur gemeld dat de beslistermijn bijna was verlopen en verzocht om instemming met een nader uitstel tot 1 oktober 2016. In een brief van 5 juli 2016 van de gemachtigde aan de inspecteur staat vermeld dat partijen per e-mail overeenstemming hadden bereikt over de verlenging van de beslistermijn tot 1 oktober 2016. Bij e-mail van 30 september 2016 heeft de (huidige) gemachtigde opnieuw ingestemd met uitstel van de beslistermijn, en wel tot 1 december 2016. Uitgaande van de datum van de eerste uitspraak op bezwaar van 24 november 2016 moet de termijn van het verleende (tweede) uitstel dan worden berekend op (afgerond) 9 maanden.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank de redelijke termijn vast op 3 jaar en 6 maanden.

4.29.3.

Tussen de indiening van het eerste bezwaarschrift (6 januari 2015) en deze uitspraak van de rechtbank (26 juni 2018) is een termijn van 3 jaar en bijna 6 maanden verlopen. De redelijke termijn is dan niet overschreden.

Conclusie

4.30.

Gelet op het overwogene in 4.11, 4.27 en 4.28 dienen de beroepen met de zaaknummers BRE 7/7 (2010) en BRE 7/10 (2013) gegrond te worden verklaard. De overige beroepen dienen ongegrond te worden verklaard. De ambtshalve constatering dat sprake is van undue delay met betrekking tot de vergrijpboete 2012 maakt dit niet anders (vgl. HR 16 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8053, BNB 2011/286).

5 Proceskosten

5.1.

Nu de beroepen met de zaaknummers BRE 17/7 en 17/10 gegrond zijn verklaard, vindt de rechtbank aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken.

5.2.

Belanghebbende stelt dat de inspecteur de proceskosten integraal in plaats van forfaitair aan belanghebbenden dient te vergoeden op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur in het onderhavige geval niet tegen beter weten in of zodanig onbehoorlijk heeft gehandeld dat afgeweken dient te worden van de forfaitaire vergoeding zoals bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit. Wel ziet de rechtbank, zoals overwogen in 4.3, aanleiding om voor het bijwonen van de tweede zitting een vol punt toe te kennen in plaats van 0,5 punt.

5.3.

De rechtbank merkt de beroepen aan als samenhangend in de zin van artikel 3, tweede lid van het Besluit en neemt in aanmerking dat aan belanghebbende voor de bezwaarfase reeds een kostenvergoeding is toegekend (zie 1.2). De kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van de beroepen heeft moeten maken worden daarom vastgesteld op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op een bedrag van € 1.753,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de eerste zitting, 0,5 punt voor het indienen van schriftelijke inlichtingen, 1 punt voor het verschijnen op de tweede zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1 voor het gewicht van de zaken).

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep met zaaknummer BRE 17/6 (2009) ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep met zaaknummer BRE 17/7 (2010) gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar die betrekking heeft op de navorderingsaanslag IB/PVV 2010 en de daarbij behorende beschikking heffingsrente;

  • -

    vermindert de aanslag IB/PVV 2010 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.510 en vermindert de daarbij behorende beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;

  • -

    verklaart het beroep met zaaknummer BRE 17/8 (2011) ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep met zaaknummer BRE 17/9 (2012) ongegrond;

  • -

    vermindert de vergrijpboete betreffende de aanslag IB/PVV 2012 tot € 10.868;

  • -

    verklaart het beroep met het zaaknummer BRE 17/10 (2013) gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar die betrekking heeft op de vergrijpboete betreffende de aanslag IB/PVV 2013;

  • -

    vermindert de vergrijpboete betreffende de aanslag IB/PVV 2013 tot € 7.485;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.753,50;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 26 juni 2018 door mr. J. den Boer, voorzitter, mr. drs. M.H. van Schaik en mr. M.R.T. Pauwels, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.A. Riemens, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ [woonplaats].

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.