Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:3623

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-05-2018
Datum publicatie
22-06-2018
Zaaknummer
6651300 OV VERZ 18-1175
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot instelling mentorschap afkomstig van betrokkene/rechthebbende zelf. Aanvankelijk wordt voorgesteld een professionele mentor te benoemen.

Later (na de eerste mondelinge behandeling) verklaren de meerderjarige dochter en zoon (bij brief) zich alsnog bereid om het mentorschap over hun vader op zich te nemen.

Na een tweede mondelinge behandeling benoemt de kantonrechter de dochter en de zoon. Deze benoeming sluit immers aan bij de wettelijke voorkeur (artikel 1:452, lid 4 BW).

De kantonrechter legt aan de benoemde familiementoren geen jaarlijkse rapportageplicht op. Feiten die van belang zijn voor het mentorschap en het voortduren hiervan dienen de mentoren op grond van artikel 1:459, lid 3 BW wel terstond aan de (toezichthoudende) kantonrechter mede te delen. Ook geldt de bij wet verplichte evaluatie van de maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster III Insolventie en kanton beheerszaken

Bergen op Zoom

zaak/rolnr.: 6651300 OV VERZ 18-1175

beschikking d.d. 25 mei 2018 op een verzoek tot instelling van een mentorschap

van

[naam en gegevens betrokkene] .

1 Het procesverloop

1.1

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

a. het op 14 februari 2018 door de griffie van de rechtbank ontvangen verzoekschrift (met bijlagen);

b. het proces-verbaal van de griffier met betrekking tot het verhandelde op de terechtzitting van donderdag 15 maart 2018;

c. de op 29 maart 2018 door de griffie van de rechtbank ontvangen brief van [zoon en dochter betrokkene];

d. het proces-verbaal van de griffier met betrekking tot het verhandelde op de terechtzitting van donderdag 3 mei 2018;

e. de op 3 mei 2018 ontvangen bereidverklaringen.

1.2

De inhoud van deze stukken geldt hier als ingelast.

2 De beoordeling

2.1

Het bovengenoemde verzoek strekt tot de instelling van een mentorschap over [betrokkene], onder gelijktijdige benoeming van [naam en gegevens mentor], tot mentor.

2.2

Op 29 maart 2018 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden van voormeld verzoek, waarbij aanwezig waren betrokkene zelf, de [voorgestelde mentor], mevrouw K. Verbrugge ( namens [de zorginstelling] waar betrokkene woont), [de dochter van betrokkene], alsmede kantonrechter mr. W.E.M. Verjans en [de griffier].

2.3

Uit de stukken, w.o. een medische verklaring d.d. 6 februari 2018, en de behandeling ter terechtzitting d.d. 29 maart 2018 was in beginsel voldoende aannemelijk geworden dat de betrokkene als gevolg van zijn geestelijke toestand niet in staat is zelf ten volle zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard behoorlijk waar te nemen, reden waarom de kantonrechter het verzoek tot instelling van een mentor kon gaan inwilligen. Tegen de voorgestelde mentor waren ook geen bezwaren gerezen zodat deze benoembaar was.

2.4

In de op 29 maart 2018 ontvangen brief d.d. 27 maart 2018 van de beide meerderjarige kinderen ([zoon en dochter betrokkene]) delen deze samengevat mede, dat zij graag zelf het mentorschap ten behoeve van hun vader (betrokkene) willen gaan doen. De kanton- rechter bepaalt naar aanleiding van de inhoud van deze brief een nieuwe mondelinge behandeling.

2.5

Op 3 mei 2018 heeft een tweede mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij aanwezig waren voormelde [de dochter van betrokkene], [voorgestelde mentor], [betrokkene], alsmede kantonrechter mr. W.E.M. Verjans, en [de griffier].

2.6

Uit de inhoud van voormelde brief van 27 maart 2018 en uit het verhandelde ter zitting van 3 mei 2018 is voldoende gebleken dat voormelde dochter en zoon van betrokkene feitelijk al enige tijd invulling geven aan de taken die behoren bij de functie van mentor. Zij willen deze taken in de toekomst graag ten behoeve van hun vader voortzetten. Zij hebben ook pas later begrepen wat de benoeming van de voorgestelde mentor voor hen als familie precies zou gaan betekenen. Het feit, dat zij na die benoeming geen 1e contactpersoon meer voor hun vader zijn, bijvoorbeeld in het contact met de verzorgende instelling, vinden zij zeer bezwaarlijk.

De [voorgestelde mentor] deelt de mening van de kinderen dat deze zeer goed zelf in staat zijn om de taak van mentor ten behoeve van hun vader te gaan invullen. Beide kinderen hebben zich ook schriftelijk bereid verklaard om de taak van mentor ten behoeve van hun vader te gaan vervullen. Tegen een eventuele benoeming van beide meerderjarige kinderen zijn verder geen bezwaren gerezen. De kantonrechter acht hen ook geschikt als mentor.

2.7

Nu deze benoeming verder ook volledig aansluit bij de wettelijke voorkeur (artikel 1:452, lid 4 BW) zal de kantonrechter beiden hierna benoemen.

2.8

De kantonrechter zal aan de -te benoemen- familiementoren geen jaarlijkse rapportageplicht opleggen. Dit sluit aan bij het landelijk beleid van de rechtbanken op dit punt. Feiten die van belang zijn voor het mentorschap en het voortduren hiervan dienen de mentoren op grond van artikel 1:459, lid 3 BW wel terstond aan de (toezichthoudende) kantonrechter mede te delen. In het kader van de bij wet verplichte evaluatie dienen de beide mentoren verder telkens na verloop van vijf jaren verslag te doen aan de kantonrechter over het verloop van het mentorschap.

3 De beslissing

De kantonrechter:

stelt vanwege zijn geestelijke toestand een mentorschap in over: [betrokkene] voornoemd;

benoemt tot mentoren:

[zoon en dochter betrokkene]

.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.E.M. Verjans, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 mei 2018.

Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld:

door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Het beroepschrift moet door tussenkomst van een advocaat worden ingediend bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.