Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:3209

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
09-05-2018
Datum publicatie
07-12-2018
Zaaknummer
C/02/335870 / HA ZA 17-639
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

rechtsgeldigheid en uitleg van een testament

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2018-0235
JERF 2018/425
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Locatie Breda, Cluster II Handelszaken

zaaknummer / rolnummer: C/02/335870 / HA ZA 17-639

Vonnis van 9 mei 2018

in de zaak van

[eiser] in hoedanigheid van enig erfgenaam van [erflater A] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

eiser,

advocaat mr. C.G.A. Mattheussens te Roosendaal,

tegen

[gedaagde] in hoedanigheid van testamentair executeur van de nalatenschap van

[erflater B] ,

kantoorhoudende te [plaatsnaam] ,

gedaagde,

advocaat mr. V.J.N. van Oijen te Amsterdam.

Eiser zal hierna [eiser] worden genoemd en gedaagde [gedaagde] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 22 november 2017 en de daarin genoemde stukken,

- het proces-verbaal van comparitie van 27 maart 2018 en de daarin genoemde

stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

[eiser] vordert – na wijziging van eis – een verklaring voor recht dat hij in hoedanigheid van enig erfgenaam van [erflater A] dient te gelden als mede-erfgenaam in de nalatenschap van [erflater B] en dat dient te gelden dat krachtens de wettelijke verdeling ex artikel 4:13 BW de nalatenschap van [erflater A] alle goederen van de nalatenschap van [erflater B] heeft verworven. [eiser] vordert verder [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.

2.2.

[gedaagde] voert verweer.

2.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde producties wordt uitgegaan van de navolgende feiten:

a. Op 1 november 2016 is overleden mevrouw [erflater B] , gehuwd in algehele gemeenschap van goederen met de heer [erflater A] (hierna: de heer [erflater A] ). Uit dit huwelijk zijn geen kinderen geboren.

b. Op 28 oktober 2016 is voor kandidaat-notaris [gedaagde] , als waarnemer van

[naam notaris] (hierna: mr. [naam notaris] ), notaris te Breda, verleden het testament van mevrouw [erflater B] voornoemd (hierna: erflaatster). Krachtens dit testament is [gedaagde] tot executeur benoemd.

c. Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 24 januari 2017 heeft de kantonrechter de heer [erflater A] onder curatele gesteld met benoeming van [eiser] tot curator. [eiser] is de zoon van de heer [erflater A] .

d. Tussen partijen is verschil van mening ontstaan over de vraag of erflaatster bij testament van 28 oktober 2016 de heer [erflater A] heeft onterfd. Op

17 maart 2017 heeft ten kantore van mr. Mattheussens een bespreking tussen partijen plaatsgevonden, waarbij deze vraag aan de orde is geweest. Voorafgaand aan die bespreking heeft [gedaagde] een kopie afschrift van het testament van erflaatster van 28 oktober 2016 aan [eiser] toegezonden. De daarin opgenomen tekst luidt – voor zover van belang – als volgt:

ERFSTELLING

D. Voor het geval ik ongehuwd en zonder achterlating van afstammelingen kom te

overlijden benoem ik tot mijn enige en algehele erfgenamen, tezamen en voor

gelijke delen, mijn kinderen”.

e. Bij e-mailbericht van 17 maart 2017 heeft [gedaagde] [eiser] bericht dat hij hem abusievelijk een onjuiste kopie afschrift van het testament van erflaatster heeft doen toekomen, onder toezending van een kopie afschrift van de minuutakte van het testament van erflaatster van 28 oktober 2016. De daarin opgenomen tekst luidt – voor zover van belang – als volgt:

ERFSTELLING

D. Voor het geval ik ongehuwd en zonder achterlating van afstammelingen kom te

overlijden benoem ik tot mijn enige en algehele erfgenamen, tezamen en voor

gelijke delen, mijn kinderen”.

In de kantlijn bij de doorgehaalde tekst is de handgeschreven opmerking geplaatst: “Doorgehaald op deze pagina op de vierde regel van onder, zes woorden”.

f. Op 7 februari 2018 is de heer [erflater A] overleden. De heer [erflater A] heeft bij testament van 2 september 2010 [eiser] tot enig erfgenaam benoemd. [eiser] heeft de nalatenschap van de heer [erflater A] zuiver aanvaard.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering primair ten grondslag dat het testament van erflaatster van 28 oktober 2016 niet rechtsgeldig is, omdat het niet door een daartoe bevoegde persoon is opgemaakt en verleden. Daartoe voert [eiser] ter comparitie aan, dat niet terstond aan de KNB is gemeld dat het notarisambt van

mr. [naam notaris] wordt waargenomen door [gedaagde] . Dit brengt met zich dat het testament van erflaatster van 2 september 2010 nog steeds van kracht is, waaruit een wettelijke verdeling volgt.

3.3.

De rechtbank overweegt dat de notaris de waarneming van zijn functie door een waarnemer ingevolge artikel 29 lid 8 van de Wet op het notarisambt terstond aan de KNB dient te melden. Tussen partijen is niet in geschil dat eerst op 10 juni 2017 aan de KNB is gemeld dat [gedaagde] het notarisambt van mr. [naam notaris] waarneemt, zodat van het terstond melden van de waarneming geen sprake is geweest. De Wet op het notarisambt verbindt daaraan niet het rechtsgevolg van nietigheid van de verleden akte. Ook anderszins heeft [eiser] geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan aangenomen zou kunnen worden dat

het testament van erflaatster van 28 oktober 2016, waarvan [gedaagde] bij

e-mailbericht van 17 maart 2017 de minuutakte aan [eiser] heeft toegezonden, niet rechtsgeldig is. Aangenomen wordt daarom dat dat testament, inclusief het daarop geplaatste renvooi, rechtskracht heeft.

3.4.

Partijen verschillen van mening over de vraag of erflaatster de heer [erflater A] bij testament van 28 oktober 2016 heeft onterfd. [eiser] heeft zich ter comparitie met een beroep op uitleg van het testament op het standpunt gesteld, dat uit het testament van erflaatster niet blijkt dat zij de bedoeling had de heer [erflater A] te onterven. [eiser] acht de bepaling onder D (ERFSTELLING) onduidelijk, mede gelet op hetgeen dienaangaande was opgenomen in de akte die door [gedaagde] voorafgaand aan de bespreking tussen partijen op 17 maart 2017 was toegezonden. De onduidelijkheid van het testament brengt volgens [eiser] met zich, dat de akte niet kan worden gebruikt.

3.5.

De rechtbank volgt [eiser] daarin niet. Indien de bewoordingen van een

testament niet duidelijk zijn, dan moet door uitleg aan de hand van de maatstaf van artikel 4:46 BW de bedoeling van de erflater worden achterhaald. Naar het oordeel van de rechtbank wordt aan de uitleg van het testament van erflaatster niet toegekomen. In het testament is immers, gelijk [gedaagde] heeft betoogd, op een duidelijke en niet voor misverstand vatbare wijze tot uitdrukking gebracht dat uitsluitend de kinderen van erflaatster haar erfgenamen zijn. De woorden “benoem ik tot mijn enige en algehele erfgenamen, (…), mijn kinderen” drukken dat duidelijk uit. Anders dan [eiser] betoogt, leidt het enkele feit dat in het testament niet expliciet is opgenomen dat de heer [erflater A] is uitgesloten als erfgenaam niet tot een ander oordeel.

3.6.

Vorenstaande leidt tot de conclusie dat de gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] gevallen. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 287,=

- salaris advocaat € 904,= (2 punten x tarief € 452,=)

Totaal € 1.191,=

3.7.

De door [gedaagde] verzochte nakosten zijn in het kader van deze procedure

slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

3.8.

De door [gedaagde] verzochte rente over de proceskosten zal als niet

weersproken worden toegewezen vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

wijst de vordering af,

4.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] gevallen, tot op heden begroot op € 1.191,=, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

4.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten van [gedaagde] begroot op € 131,= aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder voorwaarde dat

[eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van

€ 68,= aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis;

4.4.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Baggel en in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2018.