Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:3120

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29-05-2018
Datum publicatie
29-05-2018
Zaaknummer
02-665023-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

“kei op weg gelegd” “Schijndel” “medeplegen poging moord” “voorwaardelijk opzet” “toepassing jeugdstrafrecht” “ASR” “verplaatste schade” “toekomstige schade onevenredige belasting van het strafgeding”

“Drie jongens leggen ’s nachts kei op onverlichte weg. Voorwaardelijk opzet op poging moord tezamen en in vereniging; plaatsen kei onder deze omstandigheden voorwaardelijk opzet op de dood. Afstand die met de kei is afgelegd en tijd die daarvoor nodig was objectief criterium voorbedachte raad, geen contra-indicaties. Toepassing jeugdstrafrecht. Deels voorwaardelijke jeugddetentie en werkstraf. Benadeelde partij toekomstige schade onevenredige belasting van het strafgeding. Verplaatste schade is niet toewijsbaar in strafgeding.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0476
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/665023-18

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 mei 2018

in de strafzaak tegen

[Verdachte]

geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats] , [straatnaam]

raadsvrouw mr. I. Klein, advocaat te ’s-Hertogenbosch

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 mei 2018, waarbij de officier van justitie, mr. Masselink, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht ter zake dat

hij op of omstreeks 24 juni 2017 te Schijndel, gemeente Meierijstad, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een of meerdere verkeersdeelnemer(s) opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade, van het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet met voorbedachte rade, (tijdens de nachtelijke uren) een sierkei, althans een steen, (met een gewicht van ongeveer 40 kilogram) op het wegdek van de Structuurweg heeft gelegd, en

(vervolgens) zich in afwachting van het naderende verkeer in de nabijheid heeft opgehouden (wetende dat die Structuurweg een provinciale weg buiten de bebouwde kom is met een aldaar ter plaatse toegestane maximum snelheid van 70 kilometer per uur en/of ter plaatse nagenoeg onverlicht was), tengevolge waarvan een bestuurster van een over die weg rijdende personenauto (genaamd [slachtoffer 1] ) tegen die sierkei, althans steen, is gebotst en/of de macht over het stuur heeft verloren en/of (vervolgens) met een aanzienlijke snelheid tegen een langs de weg staande boom is gebotst, en/of tengevolge waarvan een bestuurder van een over die weg rijdende personenauto (genaamd [slachtoffer 2] ) tegen (een of meerdere brokstukken van) die sierkei, althans steen, is gebotst, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

en/of

hij op of omstreeks 24 juni 2017 te Schijndel, gemeente Meierijstad, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan een bestuurster van een personenauto (genaamd [slachtoffer 1] ) opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade

zwaar lichamelijk letsel, te weten onder andere een (incomplete) dwarslaesie en/of gebroken ribben en/of een beschadigde milt en/of lever en/of darmen, heeft toegebracht door (tijdens de nachtelijke uren) een sierkei, althans een steen, (met een gewicht van ongeveer 40 kilogram) op het wegdek van de Structuurweg te leggen en (vervolgens) zich in afwachting van het naderende verkeer in de nabijheid op te houden (wetende dat die Structuurweg een

provinciale weg is buiten de bebouwde kom met een aldaar ter plaatse toegestane maximum snelheid van 70 kilometer per uur en/of ter plaatse nagenoeg onverlicht was), tengevolge waarvan de bestuurster (genaamd [slachtoffer 1] ) van een over die weg rijdende personenauto tegen die sierkei, althans steen, is gebotst en/of de macht over het stuur heeft verloren en/of (vervolgens) met aanzienlijke snelheid tegen een langs de weg staande boom is gebotst;

en/of

hij op of omstreeks 24 juni 2017 te Schijndel, gemeente Meierijstad, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een aan een bestuurder van een personenauto (genaamd [slachtoffer 2] ) opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade, zwaar lichamelijk letsel toe

te brengen, met dat opzet en al dan niet met voorbedachte rade, (tijdens de nachtelijke uren) een sierkei, althans een steen, (met een gewicht van ongeveer 40 kilogram) op het wegdek van de Structuurweg heeft gelegd, en (vervolgens) zich in afwachting van het naderende verkeer in de nabijheid heeft opgehouden (wetende dat die Structuurweg een provinciale weg buiten de bebouwde kom is met een aldaar ter plaatse toegestane maximum snelheid van 70 kilometer per uur en/of ter plaatse nagenoeg onverlicht was), tengevolge waarvan een bestuurder van een over die weg rijdende personenauto (genaamd [slachtoffer 2] ) tegen (een of meerdere brokstukken van) die sierkei, althans steen, is gebotst, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 303 lid 1 Wetboek van Strafrecht.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde poging tot moord in vereniging op verkeersdeelnemers heeft gepleegd. Zij baseert zich daarbij op de processen-verbaal van verhoor van verdachte bij de politie van 28 januari 2018 en 6 februari 2018, het proces-verbaal van verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris van 29 januari 2018, de processen-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] bij de politie van 27 januari 2018, 28 januari 2018 en 6 februari 2018, de processen-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] bij de politie van 28 januari 2018 en 27 februari 2018 en het Whatsappgesprek van 25 mei 2017.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte betrokken is bij het leggen van de steen op de Structuurweg, net als de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Alle drie de verdachten zijn in het kader van medeplegen even verantwoordelijk.

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de ten laste gelegde poging tot moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en evenmin van de ten laste gelegde poging tot zware mishandeling met voorbedachte raad van [slachtoffer 2] . Verdachte wilde niet dat er een botsing zou plaatsvinden. De enkele omstandigheid dat niet is vastgesteld dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling is niet toereikend om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad. Verdachte en zijn medeverdachten geven aan dat er vaker spullen op de weg werden gelegd om te kijken wat er gebeurde en met de bedoeling dat er een auto zou stoppen. Met die intentie is de steen op de weg gelegd. Dat verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en dat hij zich daarvan rekenschap heeft gegeven staat daarmee echter niet vast. Voorbedachte raad kan daarom niet wettig en overtuigend worden bewezen.

Dat het niet de intentie van verdachte was dat er een botsing zou plaatsvinden, neemt niet weg dat verdachte door op een donkere weg een grote steen van 40 kilogram te leggen de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een ongeluk kon gebeuren. Aan de bewezenverklaring van poging tot doodslag op [slachtoffer 1] zal de verdediging zich daarom refereren. De situatie van [slachtoffer 2] is anders dan die van [slachtoffer 1] . Er lag geen grote kei meer op de weg, maar brokstukken. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij al zag dat er iets aan de hand was, want hij verminderde zijn snelheid. Hij is vervolgens over een stuk steen gereden en zijn auto is daarmee beschadigd. [slachtoffer 2] is niet blootgesteld aan gevaar dat tot de dood had kunnen leiden. Dat gevaar was immers niet meer aan de orde. Ook in het kader van voorwaardelijk opzet kan een mogelijke dood niet aan verdachte worden toegerekend. Verdachte dient derhalve vrij te worden gesproken van de poging tot doodslag ten aanzien van [slachtoffer 2] .

Ook van mishandeling van [slachtoffer 2] is geen sprake, nu er geen aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer 2] letsel zou oplopen. Het gevaar was immers geweken. Ook hiervoor bepleit de verdediging vrijspraak.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Op 24 juni 2017 stapte [slachtoffer 1] vanaf haar huis in haar auto om haar partner op te halen. Het was rond 3.30 uur. Aan wat er daarna is gebeurd, heeft zij geen herinnering meer.1

Op 24 juni 2017 omstreeks 3.40 uur reed getuige [naam 1] over de Structuurweg in Schijndel.2 Op de weg zag zij een voorwerp liggen. Zij heeft één kei gezien.3 Omdat zij het raar vond dat er zoiets op de weg lag, is zij teruggereden. Zij zag toen een auto voor zich rijden. Deze auto maakte een slingerbeweging.4 De auto week af naar rechts.5 Daarna kwam de auto tegen een boom tot stilstand.6 Toen [naam 1] bij de auto aankwam, zag zij het wit van de airbags. Er hing iemand over het stuur. [naam 1] heeft deze vrouw aangesproken. De vrouw reageerde niet. Vervolgens heeft [naam 1] 112 gebeld.7

Op 24 juni 2017 omstreeks 3.45 uur reed [slachtoffer 2] over de Structuurweg in de richting van Sint-Oedenrode.8 [slachtoffer 2] zag in de tegenovergestelde richting in de berm een bus staan met groot licht. Toen hij wat dichterbij kwam, zag hij een auto tegen een boom staan. [slachtoffer 2] reed verder en zag toen iets voor zich op de weg liggen. Hij kon niet zien wat het was. Toen hij er overheen reed wist hij dat het niet goed was. Hij hoorde een harde klap.9 Toen [slachtoffer 2] uit de auto was gestapt, zag hij dat het een kei was.10 De uitlaat van zijn auto was kapot. Ook moet er een stang worden vervangen en zit er een deuk in de benzinetank.11

Op 24 juni 2017 omstreeks 3.46 uur hoorden verbalisanten [Naam 2] en [naam 3] dat de centralist de melding van een verkeersongeval met letsel aan hen uitgaf. Zij hoorden dat de locatie de Structuurweg te Schijndel betrof. Toen zij ter plaatse kwamen, zagen zij dat er een voertuig in de berm stond met gevarenlichten aan en dat er een grijs voertuig tegen een boom stond. Beide airbags van dat voertuig waren geactiveerd. In het voertuig zagen zij een vrouw op de bestuurdersstoel met haar hoofd tegen de airbag. Die airbag zat onder het bloed. [Naam 2] zag dat het kenteken van het voertuig [Kenteken] betrof. .12 [Naam 2] hoorde enige tijd later dat de vrouw [slachtoffer 1] betrof. [Naam 2] liep naar de man die nog stond te wachten. Dit betrof [slachtoffer 2] . Die zei dat hij over een stuk steen was gereden en dat de onderkant van zijn voertuig kapot was. Dit betrof het voertuig dat rechts in de berm stond met de gevarenverlichting aan. [Naam 2] zag dat er meerdere stenen en stukken van stenen op het wegdek lagen.13
[slachtoffer 1] wordt op 24 juni 2017 naar de Spoedeisende Hulp gebracht.14 Bij haar worden verschillende letsels vastgesteld. Er is een klaplong ontstaan, net als zeven ribfracturen, kleine bloedingen uit de bloedvaten aan de buitenzijde van de hersenen, beschadigingen van de lever en van de milt, een verkleuring in de baarmoeder, een infarct in de rechternier, breuken van de dwarsuitsteeksels van de 1e tot en met 4e lendenwervel en letsel van de banden rond de 4e lendenwervel, een gescheurde buikslagader, incontinentie en een bloeding in de ruimte tussen het ruggenmerg en de harde vliezige omkleding op het niveau van de 11e borstwervel. De gedeeltelijke dwarslaesie is ontstaan als gevolg van deze laatstgenoemde bloeding.15

In het proces-verbaal van de verkeersongevalsanalyse (VOA) staat beschreven dat bij het ongeval een personenauto van het merk Peugeot, in de kleur grijs en met kenteken [Kenteken] was betrokken. De Peugeot reed in de richting van ’s-Hertogenbosch. Het ongeval vond plaats op de voor het openbaar verkeer openstaande Structuurweg, plaatselijk gelegen buiten de bebouwde kom van Schijndel in de gemeente Meierijstad.16 De maximumsnelheid op dit gedeelte van de Structuurweg bedraagt 70 kilometer per uur.17Op het moment van de aanrijding was het donker en was er geen straatverlichting aanwezig.18Gezien de beschadigingen aan binnen- en buitenzijde van het linkervoorwiel van de Peugeot, de beschadiging aan de velg en de sporen op het wegdek kan met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden gesteld dat het linkervoorwiel in botsing is gekomen met een op het wegdek liggende steen.19 Daardoor raakte het linkervoorwiel spanningsloos en verloor de bestuurster de macht over het stuur. Zij reed de rechterberm in en botste met de voorzijde van de Peugeot tegen een in die berm staande boom.20 De Peugeot raakte ernstig beschadigd aan de voorzijde.21 Toen de Peugeot met het linkervoorwiel de steen raakte, defragmenteerde de steen in drie brokstukken. Vlak na deze aanrijding botste een bestuurder uit tegenovergestelde richting tegen een brokstuk dat op de rijstrook lag die door hem werd gevolgd. Dat brokstuk defragmenteerde in twee stukken.22

Rapporteur ing. R.P. Visser , deskundige kras-, indruk- en vormsporenonderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), heeft deze stenen gewogen. Het gewicht van deze stenen is 11,9 kilogram, 4,2 kilogram, 12,5 kilogram en 11,9 kilogram.23 Aan de stenen is een soucheonderzoek verricht, waarbij de scheidingsvlakken en scheidingsranden zijn vergeleken op complementaire vorm en onregelmatigheden.24 Voor de beantwoording van de vraag of de vier stenen één geheel hebben gevormd, zijn twee hypothesen opgesteld. De vier stenen hebben oorspronkelijk één geheel gevormd (hypothese 1) en de vier stenen hebben niet één geheel gevormd (hypothese 2). Het NFI concludeert dat de bevindingen van het onderzoek extreem veel waarschijnlijker zijn wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.25

Op basis van bovenstaande bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer 1] in de nacht van 24 juli 2017 op de onverlichte Structuurweg te Schijndel, waar in ieder geval een maximale snelheid van 70 kilometer per uur geldt, tegen een steen van ongeveer 40 kilogram is gereden. Hierbij is [slachtoffer 1] de macht over het stuur verloren en met aanzienlijke snelheid tegen een langs de weg staande boom gebotst. Er zijn geen aanwijzingen dat [slachtoffer 1] langzamer reed dan de maximumsnelheid. Gelet daarop is de snelheid van [slachtoffer 1] na het raken van de steen en bij het vervolgens botsen tegen de boom nog altijd aanzienlijk geweest. [slachtoffer 2] is kort hierna tegen een brokstuk van die steen gebotst.

De politie heeft drie verdachten aangehouden voor mogelijke betrokkenheid bij dit feit, te weten verdachte, medeverdachte [medeverdachte 2] en medeverdachte [medeverdachte 1] . Zij zijn hierover bij de politie en bij de rechter-commissaris verhoord.

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] die kei had gezien en dat ze die op de weg wilden leggen.26 De kei is weggehaald bij de scouting.27 [medeverdachte 1] stond als eerste bij de steen en probeerde hem op te tillen.28 [medeverdachte 1] had die kei toen in z’n eentje vast.29 Hij kon hem niet optillen.30 De steen was te zwaar.31 [medeverdachte 1] en verdachte hebben de kei toen opgetild en onderweg heeft [medeverdachte 2] geholpen met dragen.32 De steen is tussendoor neergezet om op kracht te komen.33 Toen is deze neergelegd op de weg.34 Er kwam een auto aanrijden. [medeverdachte 2] hoorde een klap.35

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij die avond met verdachte en [medeverdachte 2] was.36 [medeverdachte 1] had het idee om een steen te pakken.37 De steen hebben zij bij de scouting gepakt.38Verdachte en [medeverdachte 1] tilden die steen op.39 Hij was zwaar en echt lomp.40Ze zijn vanaf de scouting richting de weg gelopen. [medeverdachte 2] heeft de steen helpen ondersteunen.41 Toen de steen op de weg lag, kwam er een auto aan.42 De eerste auto reed erlangs en de tweede auto klapte erop.43[medeverdachte 1] hoorde een klap.44

Verbalisant [naam 4] heeft de afstand opgemeten vanaf de plaats waar de steen was weggenomen. Hij mat de afstand over een aldaar gelegen wandelpad, dat loopt vanaf de ingang van het clubhuis van de scouting tot aan het begin van de rijbaan van de Structuurweg te Schijndel. [naam 4] zag dat de totale afstand 96 meter betrof.45

Ter zitting heeft [Verdachte] verklaard dat hij, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] alle drie net zo schuldig zijn.46

De rechtbank stelt op basis van bovenstaande bewijsmiddelen vast dat verdachte op 24 juni 2017 tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] genoemde steen op de Structuurweg te Schijndel heeft gelegd.

Opzet

De rechtbank ziet zich voorts voor de vraag gesteld of verdachte ten tijde van het neerleggen van de steen opzet – in ieder geval in voorwaardelijke zin – heeft gehad op de dood van verkeersdeelnemers.

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (25 maart 2003, NJ 2003/552) aanwezig is, als verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is voorts vereist dat verdachte die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (‘op de koop toe heeft genomen’) (HR 25 maart 2003, NJ 2003/552). Uit de enkele omstandigheid dat de wetenschap van de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg bij de verdachte aanwezig is of bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest. Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, als de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven over dat wat op het moment van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Ook daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Uit de door de rechtbank vastgestelde feiten volgt – kort gezegd – dat verdachte met anderen in de nacht een ongeveer 40 kilogram zware steen op de onverlichte Structuurweg heeft gelegd. Op deze weg geldt een maximumsnelheid van (in ieder geval) 70 kilometer per uur. De kans dat verkeersdeelnemers onder die omstandigheden op de steen zouden botsen en daarmee de kans dat zij zouden worden gedood is op grond van deze feiten en omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten. Bovendien kan een botsing die ontstaat met een snelheid van rond de 70 kilometer per uur op een weg als de Structuurweg tot gevolg hebben dat er een tegenligger geraakt wordt, of dat achteroprijdend verkeer een botsing niet kan vermijden. Het gevaar is dus voor meer dan één verkeersdeelnemer dat er een ongeluk met dodelijk gevolg plaatsvindt. Hoewel verdachte heeft aangevoerd dat hij niet wilde dat er een botsing zou plaatsvinden, is het hiervoor omschreven handelen van verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm zo gericht op een bepaald gevolg, namelijk de dood van verkeersdeelnemers, dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans dat deze verkeerdeelnemers zouden worden gedood, heeft aanvaard. In het geval van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben er ook daadwerkelijk botsingen plaatsgevonden, die een grote impact hebben gehad. Dit blijkt wel – zoals ook hiervoor is omschreven – uit het letsel van [slachtoffer 1] en de schade aan de auto’s van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

Dat de steen na de botsing met de auto van [slachtoffer 1] is gesplitst in meerdere brokstukken en in die zin niet meer de steen was zoals die werd neergelegd, maakt dit niet anders. Het zijn verdachten geweest die de gevaarlijke situatie voor de verkeersdeelnemers in het leven hebben geroepen. Dat de gevolgen voor [slachtoffer 2] minder groot zijn dan voor [slachtoffer 1] is niet door het handelen van verdachten. De rechtbank passeert het verweer van de verdediging dat er voor [slachtoffer 2] geen gevaar op de dood is geweest.

De rechtbank concludeert dat verdachte in ieder geval opzet in voorwaardelijke zin heeft gehad op de dood van verkeersdeelnemers.

Voorbedachte raad
Vervolgens moet de rechtbank de vraag beantwoorden of er sprake was van voorbedachte raad en dus van poging tot moord. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven (HR 28 februari 2012, NJ 2012/518). Daarbij vormt, aldus de Hoge Raad, de vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachten raad is gehandeld, maar hoeft dit de rechter er niet van te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

Vast staat dat verdachte met anderen een kei bij de nabijgelegen scouting heeft weggehaald. De kei woog ongeveer 40 kilogram en is tussendoor neergelegd, naar de rechtbank begrijpt om op adem te komen. Om de kei op de weg te leggen, is hij over een afstand van in ieder geval 96 meter getild. Uit deze handelingen concludeert de rechtbank dat verdachte gedurende een aantal minuten handelingen heeft verricht om de kei op de weg te kunnen gaan leggen en daarmee enige tijd en gelegenheid heeft gehad om zich op zijn voorgenomen daad te beraden, en zich daar rekenschap van te geven. De verdediging heeft gesteld dat de verdachte de bedoeling had dat er een auto zou stoppen. Hij heeft nooit stilgestaan bij de voorgenomen daad en zeker niet bij de gevolgen daarvan. Om die reden betoogt de verdediging dat er geen sprake is van voorbedachte raad. De rechtbank benadrukt dat het hebben van enige tijd om stil te staan bij de voorgenomen daad en de gevolgen daarvan een objectief criterium is. Dit betekent dat het niet noodzakelijk is dat de verdachte ook echt over de gevolgen heeft nagedacht over en daarbij heeft stilgestaan, maar dat het genoeg is als hij daar de gelegenheid voor heeft gehad. Anders zou door te stellen dat er niet is nagedacht nooit tot bewezenverklaring van voorbedachte raad gekomen kunnen worden. Gelet op de tijd die het gekost heeft om de kei te verplaatsen gezien de afstand die is afgelegd, inclusief een pauze omdat de kei even is neergelegd, is er meer dan genoeg tijd geweest om na te denken en zich rekenschap te geven van de gevolgen. Toch is de kei op de weg gelegd. De tijd en gelegenheid voor nadenken hebben verdachte niet tegengehouden. Contra-indicaties die betekenen dat de verdachte ondanks die tijd en die afstand toch géén tijd en gelegenheid heeft gehad om na te denken zijn uit het dossier noch ter zitting gebleken. De rechtbank zal het verweer van de verdediging dan ook passeren. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte de ten laste gelegde poging tot moord in vereniging heeft gepleegd.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

hij op of omstreeks 24 juni 2017 te Schijndel, gemeente Meierijstad, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een of meerdere verkeersdeelnemer(s) opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade, van het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet met voorbedachte rade, (tijdens de nachtelijke uren) een sierkei, althans een steen, (met een gewicht van ongeveer 40 kilogram) op het wegdek van de Structuurweg heeft gelegd, en

(vervolgens) zich in afwachting van het naderende verkeer in de nabijheid heeft opgehouden (wetende dat die Structuurweg een provinciale weg buiten de bebouwde kom is met een aldaar ter plaatse toegestane maximum snelheid van 70 kilometer per uur en/of ter plaatse nagenoeg onverlicht was), tengevolge waarvan een bestuurster van een over die weg rijdende personenauto (genaamd [slachtoffer 1] ) tegen die sierkei, althans steen, is gebotst en/of de macht over het stuur heeft verloren en/of (vervolgens) met een aanzienlijke snelheid tegen een langs de weg staande boom is gebotst, en/of tengevolge waarvan een bestuurder van een over die weg rijdende personenauto (genaamd [slachtoffer 2] tegen (een of meerdere brokstukken van) die sierkei, althans steen, is gebotst, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders ten laste is gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert het jeugdstrafrecht toe te passen en aan verdachte op te leggen een jeugddetentie voor de duur van 20 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met de bijzondere voorwaarden, zoals deze zijn geformuleerd door de jeugdreclassering (de rechtbank begrijpt: Reclassering Nederland). De officier van justitie vordert voorts aan verdachte een contactverbod met [slachtoffer 1] op te leggen en de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen bij het uitspreken van het vonnis.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Met de reclassering en de psycholoog is de verdediging van mening dat het jeugdstrafrecht dient te worden toegepast. Verdachte functioneert niet als een negentienjarige. Voorts verzoekt de verdediging de rechtbank rekening te houden met de school en stage van verdachte – die in het geval van detentie worden onderbroken – en met de impact van de zaak op verdachte. Voorts is er sprake geweest van veel media-aandacht. In het geval van detentie komt verdachte mogelijk met verkeerde personen in aanraking. De verdediging verzoekt de rechtbank de jeugdreclassering en de psycholoog te volgen en verdachte niet terug te sturen naar de justitiële jeugdinrichting, maar de zaak op een andere wijze af te doen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan poging tot moord op verkeersdeelnemers door een kei op de weg te leggen. [slachtoffer 1] is vervolgens op de steen gebotst, waarna [slachtoffer 2] op een brokstuk van de steen is gebotst. Niet alleen zijn de auto’s van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hierdoor beschadigd, maar bovendien heeft [slachtoffer 1] hierdoor zeer ernstig letsel opgelopen. Het is de rechtbank duidelijk dat verdachte niet expres mensen om het leven heeft proberen te brengen, zoals iemand die bijvoorbeeld met een pistool op een ander schiet. Het leggen van een grote kei op de weg heeft wel tot gevolg gehad dat er voor de mensen die op de weg reden een groot gevaar was om door een botsing om het leven te komen. Die kei heeft verdachte daar samen met anderen neergelegd, zodat het juridisch wél zo is dat verdachte een poging tot moord heeft gepleegd. Het is nu de taak van de rechtbank om een straf op te leggen die past bij dat wat verdachte gedaan heeft en het ernstige gevaar dat dit heeft opgeleverd, maar ook een straf die past bij de persoon van de verdachte.

Uit de toelichting op de vordering van [slachtoffer 1] blijkt hoe groot de impact van de gebeurtenis op haar is geweest. [slachtoffer 1] leidde een onbezorgd leven met haar verloofde. Zij was zwanger van hun eerste kind. De botsing op 24 juni 2017 heeft haar leven totaal veranderd. [slachtoffer 1] kan nu haar benen nauwelijks bewegen en heeft meerdere littekens. Zij kampt dagelijks met veel pijn. Ook heeft zij op dit moment een stoma, die elke dag moet worden verschoond. De onzekerheid over de toekomst van haar kind heeft ook veel teweeggebracht. Na een lange periode in het ziekenhuis en in de revalidatiekliniek is [slachtoffer 1] inmiddels teruggekeerd naar huis. Haar huis moest wel worden aangepast om het mogelijk te maken dat zij hier wat meer zelfstandig zou kunnen leven. De intensieve revalidatie kan nog jaren duren en het is heel onzeker wat de resultaten van die revalidatie en een verdere operatie of operaties zullen zijn. Als gevolg van de botsing kan [slachtoffer 1] niet de moeder voor haar kind zijn, die zij had willen zijn. Ook is haar sociale leven veranderd en de carrière die zij voor ogen had heeft een andere wending gekregen. Dat verdachte de echte toedracht van de gebeurtenissen maandenlang geheim heeft gehouden, is voor [slachtoffer 1] onbegrijpelijk.

[slachtoffer 2] is fysiek letsel bespaard gebleven. Wel heeft [slachtoffer 2] verklaard dat hij zich ervan bewust is dat de gevolgen veel groter hadden kunnen zijn, ook gelet op wat [slachtoffer 1] is overkomen. De gebeurtenissen hebben ook op [slachtoffer 2] impact gehad. Daarbij speelt mee dat dit allemaal is gebeurd in de relatief kleine gemeenschap van Schijndel, waarin zowel verdachten als [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] woonachtig zijn. Veel inwoners van Schijndel kennen de betrokkenen persoonlijk en leven mee.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf rekening gehouden met het blanco strafblad van verdachte.

Ook heeft de rechtbank bij de bepaling van de straf in ogenschouw genomen het rapport van psycholoog drs. M. Kaper-Janssen Steenberg van 11 april 2018 en de toelichting hierop ter zitting. Geadviseerd wordt het jeugdstrafrecht toe te passen. Ondanks dat er bijvoorbeeld geen zwakbegaafdheid of psychopathologie aanwezig is, wordt gezien dat verdachte iets jonger overkomt dan zijn kalenderleeftijd. Verdachte woont thuis en functioneert binnen een gezin. Hij heeft nog pedagogische ondersteuning nodig. Continuering van dit gezinsproces en van de scholing is noodzakelijk voor de verdere sociaal-emotionele ontwikkeling van verdachte. Er zijn geen contra-indicaties voor het opleggen van een werkstraf. Slachtofferbemiddeling kan verdachte helpen om beter te beseffen wat de gevolgen zijn van het gedrag van verdachte en de medeverdachten. Door zijn wat jonge inslag laat verdachte zich sneller beïnvloeden door de stemming en druk van zijn vrienden. Gezien het ontbreken van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens, gezien de voldoende aanwezig zijnde protectieve factoren en gezien het laag algemeen recidiverisico onthoudt de psycholoog zich van een interventieadvies. Verdachte heeft geen verdere hulp of ondersteuning nodig. Een leerstraf of behandeling vindt de psycholoog niet passend, een langer verblijf in detentie evenmin. Detentie brengt risico’s mee voor de ontwikkeling van verdachte.

Verder heeft de rechtbank bij de bepaling van de straf meegewogen het rapport van Reclassering Nederland van 16 april 2018 en de toelichting hierop ter zitting. De reclassering adviseert het jeugdstrafrecht toe te passen. Verdachte functioneert op een jonger niveau dan zijn kalenderleeftijd doet vermoeden. Er is sprake van een laag recidiverisico. Vrienden en kennissen zijn een criminogene factor. Verdachte is impulsief en loyaal naar vrienden toe. Hij laat voldoende slachtofferempathie zien. De begeleiding door de jeugdreclassering verloopt goed. Om verdachte langer te kunnen volgen, is het wenselijk dat deze begeleiding wordt gecontinueerd. De jeugdreclassering adviseert verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, met een meldplicht als bijzondere voorwaarde. Er zijn geen contra-indicaties voor een eventuele werkstraf. Een jeugddetentie kan ongewenste consequenties hebben voor de leefgebieden scholing, werk en het emotioneel welzijn van verdachte. Daarnaast komt verdachte dan (opnieuw) in aanraking met jongeren die delicten hebben gepleegd en die mogelijk een negatieve invloed op hem hebben.

Gelet op het bepaalde in artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht kan de rechtbank ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van strafbare feiten de leeftijd van achttien jaren doch nog niet die van drieëntwintig jaren heeft bereikt, indien zij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, het jeugdstrafrecht toepassen. De rechtbank constateert dat verdachte ten tijde van het plegen van de feiten tussen de achttien en drieëntwintig jaar was. Gelet op hetgeen de psycholoog en de reclassering over de persoon van verdachte en over de indicaties voor het toepassen van het jeugdstrafrecht hebben overwogen, ziet de rechtbank in de persoonlijkheid van verdachte aanleiding het jeugdstrafrecht toe te passen, zoals ook geadviseerd. Dit betekent dat bij de strafoplegging de pedagogische benadering voorop staat.

Ook heeft de rechtbank bij de bepaling van de straf rekening gehouden met de straffen die aan de medeverdachten van verdachte worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de op te leggen straffen in de basis overeen dienen te komen, nu de rechtbank verdachte en zijn medeverdachten het bewezenverklaarde even kwalijk neemt. Wanneer de rechtbank hiertoe in de omstandigheden van verdachte en/of zijn medeverdachten aanleiding ziet, zal van voornoemde basis worden afgeweken.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank aan de ene kant rekening met het uitgangspunt dat de pedagogische benadering in het jeugdstrafrecht voorop staat. Aan de andere kant moet er sprake zijn van een straf die ook recht doet aan de ernst van het feit. Daarbij geldt dat de maximum jeugddetentie die kan worden opgelegd aan verdachte twee jaar is. Door de psycholoog, de jeugdreclassering en de verdediging is betoogd dat er geen (onvoorwaardelijke) jeugddetentie aan verdachte moet worden opgelegd. Jeugddetentie zou betekenen dat verdachte zijn opleiding niet goed zou kunnen vervolgen en zou hem in aanraking brengen met ongewenste invloeden. Ook is betoogd dat tijdens de voorlopige hechtenis is gebleken dat verdachte anders is dan de andere jongeren in de jeugdgevangenis (in positieve zin anders) en dat hij daar ‘niet thuishoort’. De rechtbank is van oordeel dat een straf waarbij geen onvoorwaardelijke jeugddetentie wordt opgelegd onvoldoende recht doet aan de ernst van het feit. Wel is de rechtbank gebleken dat het verblijf in de jeugdgevangenis voor verdachte extra zwaar is en dat een (te) lang verblijf in de jeugdgevangenis zo beschadigend zou zijn dat dit niet past bij het karakter van het jeugdstrafrecht. Verdachte zou er niet méér van leren, maar het zou juist moeilijker voor hem worden om terug te keren in de maatschappij.

De eis van de officier van justitie is te begrijpen, gelet op de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De rechtbank komt alles als hiervoor genoemd afwegend tot een straf die lager is dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank is van oordeel dat een jeugddetentie voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, passend en noodzakelijk is. Daarbij zal de rechtbank verdachte een proeftijd van 2 jaar opleggen waarin hij zich, naast de algemene voorwaarden, aan de bijzondere voorwaarde van de meldplicht moet houden. Met de voorwaardelijke straf en de daarbij behorende voorwaarde wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarnaast zal de rechtbank verdachte een werkstraf voor de duur van 150 uren opleggen.

De rechtbank zal geen contactverbod opleggen met [slachtoffer 1] . Wel benadrukt de rechtbank dat de verdachte de wens van [slachtoffer 1] om geen contact te hebben zou moeten respecteren. Dat betekent ook dat er géén slachtofferbemiddeling plaats zal vinden. [slachtoffer 1] stelt hier namelijk geen prijs op.

Ook de vordering van de officier van justitie om de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen zal de rechtbank afwijzen. De rechtbank ziet geen noodzaak om verdachte onmiddellijk in hechtenis te nemen.

7 De benadeelde partij


De wet biedt slachtoffers de mogelijkheid om zich als benadeelde partij te stellen in een strafzaak. Dit is om hen op eenvoudigere wijze de mogelijkheid te bieden om hun schade te verhalen op de veroorzaker(s) van die schade. In de onderhavige zaak wil mevrouw [slachtoffer 1] haar schade verhalen op verdachte. Een vordering tot schadevergoeding blijft echter wel ondergeschikt aan de strafzaak en mag om die reden geen onevenredige belasting vormen van die strafzaak. Door de verdediging is in de eerste plaats betoogd dat de vordering te laat is ingediend en dat zij zich daardoor onvoldoende heeft kunnen voorbereiden op deze vordering. Daarbij wijst de verdediging op de gang van zaken binnen het civiele recht waar er tot tien weken de tijd wordt geboden aan de verwerende partij om (schriftelijk) te reageren op een ingediende vordering. De rechtbank overweegt dat in het strafrecht de wetgever er expliciet voor heeft gekozen om het slachtoffer de kans te bieden tot op de zitting een vordering als benadeelde partij in te dienen. In deze zaak is de vordering van mevrouw [slachtoffer 1] voor de zitting ingediend en om die reden tijdig. Dat het een uitgebreide vordering is maakt niet dat op voorhand moet worden gezegd dat er onvoldoende tijd is geweest voor de verdediging om zich hierop voor te bereiden. De verdediging heeft ook geen verzoek ingediend tot aanhouding van de zaak om nader verweer te kunnen voeren tegen de civiele vordering. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij dan ook inhoudelijk gaan beoordelen. De rechtbank is daarbij echter wel van oordeel dat niet alle onderdelen van de vordering inhoudelijk beoordeeld kúnnen worden. Dit betreft concreet alle posten die vallen onder ‘toekomstschade van 24 april 2018 tot 24 april 2020’ en ‘toekomstschade vanaf 24 april 2020’. Deze posten lenen zich naar het oordeel van de rechtbank niet voor inhoudelijke beoordeling in dit strafgeding, nu voor een goede beoordeling van deze posten meer duidelijkheid moet bestaan over de medische (eind)toestand van de benadeelde partij en wat de gevolgen hiervan zijn voor haar situatie in de toekomst. Daarnaast betreft dit allemaal posten die zich nog niet gerealiseerd hebben en waar om die reden te veel onzekerheid over is.

De posten onder ‘voorlopige schadestaat tot 24 april 2018’ zullen hierna puntsgewijs worden nagelopen en beoordeeld. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat er voldoende mogelijkheid moet zijn voor de verdediging, de officier van justitie en de raadsman van mevrouw [slachtoffer 1] om inhoudelijk te debatteren over de vordering. Het strafproces biedt daarvoor slechts beperkt de ruimte. Als de (deel-)vordering tot zoveel discussie leidt of kan leiden, dat het goed voeren van deze discussie een onevenredige belasting voor het strafgeding vormt en – wanneer die discussie niet (goed) gevoerd wordt – er onvoldoende recht wordt gedaan aan de belangen van de benadeelde partij én die van de verdachte, zal het betreffende deel van de vordering niet ontvankelijk worden verklaard. Het moet namelijk niet zo zijn dat bedragen ten onrechte worden toe- of afgewezen omdat er onvoldoende debat over kan worden gevoerd. De rechtbank is van oordeel dat over de bedragen die hierna worden toegewezen wél voldoende gediscussieerd is door alle partijen.

- Materiële schade, bestaande uit de kleding en sieraden die mevrouw [slachtoffer 1] droeg op 24 juni 2017 en nieuw aangeschafte sportkleding. De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat de kleding en sieraden op 24 juni 2017 verloren zijn gegaan. Ook is voldoende aannemelijk dat er nieuwe sportkleding is aangeschaft voor het revalidatietraject. De rechtbank zal, bij gebrek aan volledige onderbouwing, de waarde van dit alles schatten op het gevorderde bedrag van € 1.200,=.

- Medische kosten, bestaande uit het eigen risico van de zorgverzekering in 2017 en 2018 en de verhoogde premie in verband met de aangepaste verzekeringspolis, maar ook de kosten voor fysiotherapie die buiten de verzekering vallen en de geadviseerde vitamines. De rechtbank is van oordeel dat de kosten van het eigen risico en de gewijzigde polis toewijsbaar zijn, nu zij aannemelijk zijn en met facturen onderbouwd. Dit geldt ook voor de kosten van fysiotherapie. Gelet op de overgelegde facturen bestaat er bij de rechtbank geen twijfel dat deze kosten buiten de dekking van de verzekering vallen. De kosten van de geadviseerde vitamines zal de rechtbank niet ontvankelijk verklaren, nu dit een advies is en geen doktersvoorschrift én een verder te voeren discussie hierover een onevenredige belasting vormt van het strafgeding. Een bedrag van € 2.217,89 zal dan ook worden toegewezen en voor het overige zal mevrouw [slachtoffer 1] ten aanzien van deze post niet-ontvankelijk worden verklaard.

- Ziekenhuisdaggeldvergoeding. Dit gevorderde bedrag is overeenkomstig de richtlijn van de Letselschaderaad en wordt ook niet betwist door de verdediging. De rechtbank zal dit bedrag van € 2.156,= dan ook toewijzen.

- Reiskosten. De eigen reiskosten van mevrouw [slachtoffer 1] naar Nijmegen en naar de fysiotherapie zal de rechtbank toewijzen. De overige reiskosten zal de rechtbank niet-ontvankelijk verklaren. Anders dan de raadsman van mevrouw [slachtoffer 1] is de rechtbank van oordeel dat de arresten van het Hof Arnhem-Leeuwarden die op 8 mei 2018 gewezen zijn niet betekenen dat verplaatste schade zoals thans gevorderd toewijsbaar is in het strafgeding. Een bedrag van € 528,84 zal dan ook worden toegewezen, voor het overige wordt mevrouw [slachtoffer 1] op dit punt niet-ontvankelijk verklaard.

- Huishoudelijke hulp. Dit bedrag is naar het oordeel van de rechtbank toewijsbaar. Het betreft rechtstreekse schade, die op basis van civielrechtelijke jurisprudentie toegekend kan worden. Dit kan ook in het strafgeding. Daarbij is het bedrag voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de gevorderde € 4.420,= zullen worden toegewezen.

- Verlies aan Zelfwerkzaamheid. Ten aanzien van deze post is geen bedrag gevorderd, zodat er ook geen bedrag kan worden toegewezen.

- Verzorgingskosten. De rechtbank is van oordeel dat dergelijke kosten toegewezen kunnen worden op basis van civielrechtelijke jurisprudentie, maar ook op basis van de arresten van het hof Arnhem-Leeuwarden waarnaar de raadsman van mevrouw [slachtoffer 1] heeft verwezen. De gevorderde uren per week of maand en de uurtarieven zijn daarbij voldoende aannemelijk gemaakt. Wel zal de vordering ten aanzien van de kosten voor de opvang van de baby worden beperkt tot de periode na de geboorte van de baby en de periode van 1 week waarin er (extra) kraamhulp was. De conclusie van de rechtbank is dat dit in totaal een periode van 13 weken betreft. Een bedrag van € 6.305,= zal daarom worden toegewezen. Voor het overige wordt dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

- Verlies aan verdienvermogen. Ook deze post is voldoende aannemelijk gemaakt en onderbouwd. Het gevorderde bedrag van € 428,95 zal daarom worden toegewezen.

- Smartengeld. De raadsman van mevrouw [slachtoffer 1] heeft verwezen naar de arresten van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 8 mei 2018. De rechtbank is van oordeel dat dit met de onderhavige zaak vergelijkbare zaken betreft. Er is namelijk ook in die zaken sprake van zeer ernstig letsel met levenslange gevolgen. Daarnaast was in die zaken geen (volledige) medische eindtoestand. Het bedrag van € 150.000,= zal dan ook worden toegewezen.

- Telefoon-, en portikosten. De rechtbank is van oordeel dat het aannemelijk is dat er (aanzienlijke) extra kosten gemaakt zijn door mevrouw [slachtoffer 1] . Deze kosten worden door de rechtbank begroot op € 250,=.

- Aangepaste auto. De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat er een auto moest worden aangeschaft ten behoeve van het vervoer van mevrouw [slachtoffer 1] . Daarbij is eveneens aannemelijk dat de aan te schaffen auto ruimte moet bieden aan het volledige gezin, met daarbij uiteraard de rolstoel van mevrouw [slachtoffer 1] en (voorlopig) ook de kinderwagen en toebehoren voor de baby. Wel is de rechtbank met de verdediging eens dat onduidelijk is waarom specifiek de auto moest worden aangeschaft zoals nu is aangeschaft. Het voeren van een verdere discussie hierover vormt een onevenredige belasting van het strafgeding. Om die reden zal de rechtbank het toe te wijzen bedrag schatten. Naar algemene ervaring zal de aanschaf van een betrouwbare, tweedehands, auto van een formaat als nodig is voor het vervoer van het volledige gezin en toebehoren ongeveer € 15.000,= kosten. Dit bedrag zal de rechtbank dan ook toewijzen. Voor het overige wordt dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

- Aangepaste tuin. Het is voldoende aannemelijk gemaakt dat het aanpassen van de voor- en achtertuin noodzakelijk is om mevrouw [slachtoffer 1] de gelegenheid te geven de tuinen en de in- en uitgangen te gebruiken. Dat er voor werkzaamheden en materiaal kosten zijn gemaakt is daarbij eveneens aannemelijk. Een verdere discussie over de hoogte van het daarmee gemoeide bedrag vormt een onevenredige belasting van het strafgeding. Om die reden zal de rechtbank het bedrag schatten op € 500,= en voor het overige zal de vordering op dit punt niet-ontvankelijk worden verklaard.

- Aangepaste woning. Deze post leidt tot zeer veel discussie. Deze discussie ontstaat omdat er een bedrag door de gemeente is vergoed en er nu meer geld dan die vergoeding gevorderd wordt voor de uitgevoerde aanpassing en nog uit te voeren aanpassingen. Gelet op de (redenen van) discussie vormt dit onderdeel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding. Dit deel wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.

- Diversen. Dit deel van de vordering bestaat uit verschillende onderdelen. De rechtbank is van oordeel dat de kosten voor het geven van een borrel voor familie en vrienden die mevrouw [slachtoffer 1] gesteund hebben niet voor toewijzing in aanraking komen. Het is een sympathiek gebaar, maar is niet als rechtstreekse schade van het strafbare feit aan te merken. Dit deel zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. De kosten voor de huur van de rolstoel komen wel voor vergoeding in aanmerking. De post van € 577,50 zal dan ook worden toegewezen. Verder is een bedrag gevorderd in verband met gestelde extra kosten voor een weekendje weg. Deze post is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Er is onvoldoende gebleken dat de kosten per definitie hoger liggen. Overigens is ook de vraag of dit onder rechtstreekse schade kan worden geclassificeerd. Dit gedeelte van de vordering wordt niet-ontvankelijk verklaard. Tot slot wordt een bedrag gevorderd voor extra kosten voor een aangepaste commode en een kinderwagen en maxi-cosi die geschikt waren voor gebruik door mevrouw [slachtoffer 1] . Het is aannemelijk dat deze voorwerpen moeten voldoen aan bepaalde eisen om gebruikt te kunnen worden door mevrouw [slachtoffer 1] . Het is echter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hier voor de kinderwagen en de maxi-cosi extra kosten aan verbonden zijn. Ten aanzien van het laten maken van de commode is wel voldoende aannemelijk dat hiervoor kosten zijn gemaakt. Deze worden geschat op € 250,=. In totaal zal voor de post ‘diversen’ dan ook een bedrag van in totaal € 827,50 worden toegewezen.

- Buitengerechtelijke kosten. Deze kosten, ook de ter zitting gevraagde verhoging, zijn naar het oordeel van de rechtbank toewijsbaar. Het betreft kosten voor het opvragen van medische verklaringen en van diverse zorgverleners, alsmede de kosten voor het opmaken van een rapport. De stelling van de verdediging dat deze kosten (deels) voor rekening van de advocaat van mevrouw [slachtoffer 1] komen, omdat de facturen aan hem gericht zijn, volgt de rechtbank niet. Immers, de raadsman zal deze kosten steeds doorbelasten aan mevrouw [slachtoffer 1] . Het bedrag van € 1.220,= wordt dan ook toegewezen.

- Tot slot dient verdachte de kosten voor rechtsbijstand te vergoeden, zoals gevorderd volgens het liquidatietarief. De rechtbank bepaalt deze kosten op
€ 5.121,= (3 punten à € 1.707,= per punt).

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 190.175,18 een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen. Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk, dan wel geen rechtstreekse schade, dan wel een onevenredige belasting van het strafgeding en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd voor het toegewezen bedrag van € 150.000,= en voor het overige gedeelte van het bedrag met ingang van 29 mei 2018.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een materiële schadevergoeding van
€ 897,58 aan reparatiekosten voor zijn auto. De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit. Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen. Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd.

Met betrekking tot de toegekende vorderingen benadeelde partij zal de rechtbank tevens telkens de schadevergoedingsmaatregel en de hoofdelijkheid opleggen. Daarbij zal echter geen vervangende jeugddetentie worden bepaald of opgelegd. Op deze wijze zal de Staat zorgdragen voor uitkering en inning van het toe te wijzen bedrag zonder de mogelijkheid dat verdachte vervangende jeugddetentie krijgt wanneer hij het (zeer aanzienlijke) bedrag niet zou kunnen betalen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 27, 36f, 45, 47, 77a, 77c, 77g, 77h, 77i, 77l, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Primair: Poging tot moord, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 12 maanden;

- bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie groot 6 maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd van twee jaren na te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

* zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte:

* zich gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

- geeft opdracht aan Stichting Jeugdbescherming Brabant, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 150 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 75 dagen;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van
€ 150.000,= ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 24 juni 2017 tot aan de dag van algehele voldoening en € 40.175,18 ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 29 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen; (BP.20)

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil; (BP.06)

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht; (BP.09)

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van
€ 897,58, ter zake van materiële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 24 juni 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen; (BP.20)

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil; (BP.06)

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de hierna te noemen slachtoffers de daarbij vermelde bedragen te betalen;(BP.04A)

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- heft op het geschorste bevel voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. Tempel, voorzitter, mr. Van Gessel en mr. Huiskamp, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Saelman, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 29 mei 2018.

Mr. van Gessel is niet in staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer 20180320.0900.4503 van de regionale eenheid politie Oost-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 650. Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 1] , pagina 641 van voornoemd eindproces-verbaal.

2 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 1] , pagina 376 van voornoemd eindproces-verbaal.

3 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 1] , pagina 379 van voornoemd eindproces-verbaal.

4 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 1] , pagina 376 van voornoemd eindproces-verbaal.

5 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 1] pagina 381 van voornoemd eindproces-verbaal.

6 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 1] , pagina 376 van voornoemd eindproces-verbaal.

7 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 1] , pagina 381 van voornoemd eindproces-verbaal.

8 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2] , pagina 368 van voornoemd eindproces-verbaal.

9 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2] , pagina 371 van voornoemd eindproces-verbaal.

10 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2] , pagina 372 van voornoemd eindproces-verbaal.

11 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2] , pagina 373 van voornoemd eindproces-verbaal.

12 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 327 van voornoemd eindproces-verbaal.

13 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 328 van voornoemd eindproces-verbaal.

14 Het geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring, pagina 2 van productie 30 bij het verzoek tot schadevergoeding van [slachtoffer 1]

15 Het geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring, pagina’s 4 tot en met 6 van productie 30 bij het verzoek tot schadevergoeding van [slachtoffer 1] .

16 Het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, pagina 19 van het proces-verbaal forensisch onderzoek.

17 Het algemeen relaas van onderzoek TGO Bernstein, pagina 12 van voornoemd eindrpoces-verbaal.

18 Het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, pagina 27 van het proces-verbaal forensisch onderzoek.

19 Het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, pagina 23 van het proces-verbaal forensisch onderzoek.

20 Het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, pagina 28 van het proces-verbaal forensisch onderzoek.

21 Het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, pagina 26 van het proces-verbaal forensisch onderzoek.

22 Het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, pagina 28 van het proces-verbaal forensisch onderzoek.

23 Het soucheonderzoek van het NFI, pagina’s 205 en 207 van het proces-verbaal forensisch onderzoek.

24 Het soucheonderzoek van het NFI, pagina 206 van het proces-verbaal forensisch onderzoek.

25 Het soucheonderzoek van het NFI, pagina’s 209 tot en met 210 van het proces-verbaal forensisch onderzoek.

26 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris op 29 januari 2018.

27 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] , pagina 218 van voornoemd eindproces-verbaal.

28 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] pagina 228 van voornoemd eindproces-verbaal.

29 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] , pagina 214 van voornoemd eindproces-verbaal.

30 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] , pagina 219 van voornoemd eindproces-verbaal.

31 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] , pagina 229 van voornoemd eindproces-verbaal.

32 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris op 29 januari 2018.

33 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] , pagina 228 van voornoemd eindproces-verbaal.

34 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] , pagina 221 van voornoemd eindproces-verbaal.

35 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] , pagina 222 van voornoemd eindproces-verbaal.

36 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] , pagina 52 van voornoemd eindproces-verbaal.

37 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] , pagina 92 van voornoemd eindproces-verbaal.

38 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] , pagina 53 van voornoemd eindproces-verbaal.

39 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] , pagina 52 van voornoemd eindproces-verbaal.

40 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] , pagina 71 van voornoemd eindproces-verbaal.

41 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] , pagina 92 van voornoemd eindproces-verbaal.

42 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] , pagina 93 van voornoemd eindproces-verbaal.

43 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] , pagina 52 van voornoemd eindproces-verbaal.

44 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] pagina 53 van voornoemd eindproces-verbaal.

45 Het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, pagina 66 van het proces-verbaal forensisch onderzoek.

46 De eigen verklaring van verdachte ter terechtzitting van 9 mei 2018.