Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:278

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-01-2018
Datum publicatie
25-01-2018
Zaaknummer
BRE 17_2012 Tussenuitspraak
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het overgangsrecht van artikel 8.3, derde lid, van de Wmo ziet alleen op het persoonsgebonden budget en niet op de indicatie voor beschermd wonen. Het college is niet bevoegd om voor afloop van de overgangstermijn genoemd in artikel 8.4, eerste lid, van de Wmo de indicatie voor eiser opnieuw vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/35
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 17/2012 WMO15

tussenuitspraak van 16 januari 2018 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. F. Vermaat,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 9 februari 2017 (bestreden besluit) van het college inzake de aan hem toegekende maatwerkvoorziening ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 7 december 2017. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door [naam persoon1] (zijn moeder, tevens mentor). Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam persoon2] en [naam persoon3] .

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser woont in Wooninitiatief Woondroom, een beschermde woonomgeving.

Eiser had een zorgindicatie voor een zorgzwaartepakket (zzp) GGZ 5C, klasse 7 (= 7 etmalen per week) op grond van de Algemene wet bijzondere ziektekosten (Awbz). Deze indicatie had een looptijd van 7 juli 2011 tot en met 6 juli 2026. Eiser krijgt de zorg in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb).

Bij besluit van 6 oktober 2015 heeft het college aan eiser meegedeeld dat zijn pgb ongewijzigd wordt voortgezet tot 30 april 2016.

Op 31 mei 2016 heeft eiser een aanvraag gedaan voor voortzetting van zijn pgb.

Bij besluit van 29 juni 2016 (primair besluit) is aan eiser met ingang van 1 mei 2016 een indicatie gegeven voor beschermd wonen voor 7 etmalen per week, zzp 4, zonder begeleiding groep, in de vorm van een pgb. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

2. Eiser heeft in beroep, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd met het overgangsrecht is. Verder heeft eiser gesteld dat de indicatie te laag is om de benodigde zorg in te kopen.

3. In artikel 8:1, eerste lid, onder c, van de Wmo is bepaald dat de aanspraken op zorg, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten met ingang van de eerste dag van het kalenderjaar na dat waarin enig artikel van deze wet in werking is getreden, niet omvatten verblijf in een instelling met samenhangende zorg voor een persoon met een psychiatrische aandoening of beperking als bedoeld in artikel 9 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ.

In artikel 8.4, eerste lid, van de Wmo is bepaald dat indien voor een verzekerde in de zin van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten een indicatiebesluit is afgegeven waarin is vastgesteld dat hij is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 8.1, onderdeel c, belanghebbende met ingang van de eerste dag van het kalenderjaar na dat waarin enig artikel van deze wet in werking is getreden, jegens het college van de gemeente waarvan hij ingezetene is, de rechten en verplichtingen heeft met betrekking tot het tot gelding brengen van de aanspraak op zorg die aan het indicatiebesluit waren verbonden, gedurende de looptijd van het indicatiebesluit, doch ten hoogste tot een bij koninklijk besluit vast te stellen tijdstip dat niet eerder is gelegen dan de eerste dag van het zesde kalenderjaar na dat waarin enig artikel van deze wet in werking is getreden.

In artikel 8.4, tweede lid, van de Wmo is bepaald dat artikel 8.3, tweede, derde en vijfde tot en met zevende lid, van overeenkomstige toepassing is.

In artikel 8.3, derde lid, van de Wmo is bepaald dat indien aan een verzekerde als bedoeld in het eerste lid tot de eerste dag van het kalenderjaar na dat waarin enig artikel van deze wet in werking is getreden, op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel 44, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, een persoonsgebonden budget werd verstrekt, belanghebbende met ingang van die dag jegens het college van de gemeente waarvan hij ingezetene is, recht heeft op een persoonsgebonden budget overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens genoemd artikelonderdeel, gedurende de looptijd van het indicatiebesluit, doch ten hoogste tot de eerste dag van het tweede kalenderjaar na dat waarin enig artikel van deze wet in werking is getreden.

4. Partijen zijn verdeeld over de vraag hoe het overgangsrecht, zoals hiervoor vermeld onder 3, moet worden uitgelegd, meer specifiek of artikel 8.3, derde lid, van de Wmo alleen ziet op het pgb (leveringsvorm) of ook op de indicatie.

De rechtbank stelt vast dat op grond van de Wmo eerst moet worden vastgesteld op welke maatwerkvoorziening iemand recht heeft. Daarna kan de belanghebbende, in beginsel, zelf kiezen of hij de voorziening in natura wil ontvangen of dat hij een pgb ontvangt en daarmee zelf de zorg inkoopt (zo ook de Centrale Raad voor Beroep met betrekking tot de AWBZ in ECLI:NL:CRVB:2009:BK5653).

Ingevolge de Wmo moet er dus onderscheid worden gemaakt tussen de vaststelling van de maatwerkvoorziening (de indicatie) en de realisering van de zorg (de leveringsvorm: zorg in natura of pgb).

Voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wmo 2015 heeft eiser een indicatie gekregen voor een zorgzwaartepakket GGZ 5C met een geldigheidsduur tot en met 6 juli 2026. Dit is de zorg waarvan destijds is vastgesteld dat eiser die nodig heeft. De leveringsvorm van deze zorg is een pgb.

Op grond van het overgangsrecht worden verkregen rechten tijdelijk behouden. Ingevolge artikel 8.4, eerste lid, van de Wmo geldt voor een indicatie voor, kort gezegd, beschermd wonen, een overgangsregeling van in ieder geval 5 jaar, dus tot in ieder geval 1 januari 2020 (indien de verkregen indicatie tot dat moment nog loopt). Indien de zorg wordt geleverd in de vorm van een pgb, is ook artikel 8.3, derde lid van de Wmo van toepassing. Hierin is geregeld dat per de ingangsdatum van de nieuwe Wmo recht blijft bestaan op het eerder vastgestelde pgb gedurende ten hoogste 1 jaar, dus tot 1 januari 2016.

Het college stelt zich op het standpunt dat zij de indicatie van eiser (niet per 1 januari 2016 maar na verlenging vanwege het nog lopende onderzoek) per 1 mei 2016 gewijzigd heeft mogen vaststellen op zzp 4 op grond van voornoemd derde lid van artikel 8.3 van de Wmo.

Eiser stelt echter dat zijn eerder verkregen indicatie voor zzp GGZ 5C doorloopt tot in ieder geval 1 januari 2020 op grond van artikel 8.4, eerste lid, van de Wmo en dat enkel de hoogte van het pgb al opnieuw mag worden beoordeeld per 1 januari 2016 op grond van artikel 8.3, derde lid, van de Wmo.

De rechtbank stelt vast - en tussen partijen is niet in geding - dat voor de door eiser voorheen verkregen indicatie voor beschermd wonen op grond van artikel 8.4, eerste lid, van de Wmo een overgangsregeling geldt van 5 jaar tot 1 januari 2020. Nu de zorg aan eiser wordt geleverd in de vorm van een pgb, dient beoordeeld te worden of de veel kortere overgangsregeling van artikel 8.3, derde lid, van de Wmo alleen ziet op het vastgestelde pgb (de leveringsvorm), zoals eiser stelt, of ook op de indicatie, zoals het college stelt.

De tekst van de onderhavige artikelen geeft hierover niet expliciet duidelijkheid, zodat de tekst beoordeeld dient te worden in samenhang met de kenbare bedoeling van de wetgever. Uit de Memorie van Toelichting (MvT) bij de Wmo 2015 blijkt dat artikel 8.3, derde lid is opgenomen om de aanspraak op pgb veilig te stellen gedurende een overgangstermijn. In de MvT is het volgende daarover opgemerkt:

“In het derde lid is een toegespitste overgangsregeling opgenomen voor personen die ervoor hebben gekozen hun zorgaanspraak tot gelding te brengen door zelf met een pgb zorg in te kopen. Ook voor deze personen is bepaald dat zij recht hebben op voortzetting van de bestaande situatie (het pgb) gedurende de looptijd van het indicatiebesluit, doch uiterlijk tot het einde van 2015. Deze bepaling is noodzakelijk omdat de formulering van het eerste lid met de woorden «gelden de rechten en plichten met betrekking tot het tot gelding brengen van de aanspraak op zorg die aan het indicatiebesluit zijn verbonden» niet ziet op de situatie waarin iemand ervoor heeft gekozen niet zijn aanspraak op zorg (in natura) tot gelding te brengen, maar een pgb heeft aangevraagd en verkregen.”

(kamerstuk 33841, nummer 3, bladzijde 200).

Uit deze toelichting volgt dat het overgangsrecht van artikel 8.3, derde lid is opgenomen vanwege het gebruik van de zorg middels een pgb en dus alleen is gegeven voor het pgb. In deze toelichting wordt immers ook onderscheid gemaakt tussen de zorgaanspraak en de leveringsvorm. Gegeven deze toelichting en nu in artikel 8.3, derde lid, van de Wmo uitsluitend wordt verwezen naar het pgb, is de rechtbank van oordeel dat dit artikel het overgangsrecht van artikel 8.4, eerste lid, van de Wmo, geldend voor het indicatiebesluit, niet aantast. Zou hierover anders worden gedacht, dan zou dit betekenen dat de bescherming die de wetgever heeft willen geven aan personen die zijn aangewezen op beschermd wonen, niet van toepassing is op mensen die hebben gekozen voor een pgb. Dat dit de bedoeling is geweest van de wetgever blijkt op geen enkele manier uit de MvT. In de MvT is hieromtrent het volgende opgenomen:

“Beschermd wonen is echter een aanspraak op intramurale zorg. Betrokkenen verblijven – soms gedurende vele jaren – in een instelling voor beschermd wonen. Uit een oogpunt van zorgvuldige belangenafweging is het niet goed verdedigbaar de aanspraak van deze cliënten te doen eindigen op een zelfde termijn als geldt voor de extramurale zorg. Tegelijk is het wenselijk ook voor deze aanspraak bestaande rechten niet ten eeuwigen dage ongewijzigd te prolongeren. Om die reden is voorzien in een overgangstermijn die ten minste vijf volle kalenderjaren zal belopen.”

en

“Het eerste lid voorziet erin dat personen die op 1 januari 2015 verblijven in een instelling voor beschermd wonen, in die instelling kunnen blijven wonen zolang hun indicatie daarvoor geldt. Indien de indicatie nog voor meer dan vijf jaren geldt, houden zij in elk geval tot de eerste dag van het zesde jaar na inwerkingtreding van de wet recht op beschermd wonen en mogelijk zelfs ook daarna nog.”

(kamerstuk 33841, nummer 3, bladzijde 201).

Uit deze toelichting kan niet worden opgemaakt, dat de wetgever voor ogen heeft gehad om bij de toepassing van het overgangsrecht voor personen met een indicatie voor beschermd wonen een onderscheid te maken tussen mensen met een pgb en mensen die hun zorg in natura ontvangen. Indien de wetgever dit onderscheid wel had willen maken, had verwacht mogen worden dat dit expliciet vermeld zou zijn in de toelichting. Dit is niet gebeurd. Ook speelt de aan de onderhavige intramurale zorg verbonden zorgvuldige belangenafweging
- waarover de MvT spreekt - in beide gevallen (levering door zorg in natura of pgb), zodat zonder nadere toelichting ook niet valt in te zien waarom een onderscheid zou gelden.

De rechtbank volgt eiser dan ook in het standpunt dat artikel 8.3, derde lid, van de Wmo enkel ziet op (de hoogte van) het pgb.

5. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat het college niet bevoegd was voor afloop van de overgangstermijn genoemd in artikel 8.4, eerste lid, van de Wmo de indicatie voor eiser opnieuw vast te stellen. Het beroep zal dan ook gegrond worden verklaard.

Het college was wel bevoegd om op grond van artikel 8.3, derde lid, van de Wmo de hoogte van het pgb opnieuw vast te stellen. Ter zitting is namens het college gesteld dat de hoogte van het pgb bij een indicatie GGZ 5C zonder dagbesteding € 38.628,-- bedraagt en met dagbesteding € 47.872,--bedraagt. Deze bedragen komen ook overeen met de bedragen die gepubliceerd zijn op de website van de gemeente Tilburg (https://www.tilburg.nl/fileadmin/files/inwoners/zorg-wmo/Tarieven_pgb_2017.pdf) .

Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser aan de rechtbank verzocht om in de uitspraak ook de hoogte van het pgb vast te stellen. De rechtbank kan aan dit verzoek (nog) niet voldoen omdat uit het dossier niet op te maken is of eiser een indicatie heeft voor begeleiding met groep. Nu ter zitting door de gemachtigde van eiser is gesteld dat hij het vastgestelde pgb voor begeleiding met groep redelijk vindt, maar hij zich niet heeft uitgelaten over het pgb voor de begeleiding zonder groep, is het niet uitgesloten dat, als het college uitgaat van het pgb behorend bij begeleiding zonder groep, er nog een geschilpunt overblijft. Gelet daarop ziet de rechtbank aanleiding om, onder toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het college in de gelegenheid te stellen om de hoogte van het pgb vast te stellen op basis van de oude indicatie. De rechtbank zal daarna beoordelen of zelf in de zaak kan worden voorzien.

6. De rechtbank zal de termijn waarbinnen het college de hoogte van het pgb kan vaststellen bepalen op vier weken. Als het college hiervan geen gebruik wil maken, dan dient het college dit binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen. Als het college wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. Daarna zal de rechtbank in beginsel zonder tweede zitting einduitspraak doen.

7. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak. Dat laatste betekent ook dat zij over de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- stelt het college in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak, met inachtneming van hetgeen in deze tussenuitspraak is overwogen, het pgb vast te stellen;

- draagt het college op om, als geen gebruik wordt gemaakt van deze gelegenheid, dat binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak aan de rechtbank mee te delen;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze tussenuitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Dat kan worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de einduitspraak in deze zaak.