Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:2756

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
02-05-2018
Datum publicatie
07-05-2018
Zaaknummer
C/02/333726 / HA ZA 17-502
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Is een overeenkomst gesloten met de vennootschap of met de bestuurder van de vennootschap in privé? Wat hebben partijen daarover tegen elkaar verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen afgeleid en mogen afleiden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster II Handelszaken

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/333726 / HA ZA 17-502

Vonnis van 2 mei 2018

in de zaak van

[Eiser] handelend onder de naam [Handelsnaam],

wonende te [plaatsnaam] ,

eiser,

advocaat mr. M.A. Buld,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,

gevestigd te Oosterhout,

gedaagde,

advocaat mr. R.J.M. Sintnicolaas.

Partijen zullen hierna [Eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 15 november 2017 met de daarin genoemde processtukken

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 20 maart 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[Eiser] heeft een eenmanszaak in de verkoop van karts en onderdelen. Daarnaast begeleidt en ondersteunt hij coureurs in de auto- en kartsport. [gedaagde] houdt zich met name bezig met containervervoer over de weg en de opslag in distributiecentra en overige opslag. De heer [naam bestuurder] (hierna: [naam bestuurder] ) is (indirect) bestuurder van [gedaagde] .

2.2.

[Eiser] heeft [voornaam] [naam bestuurder] , de zoon van [naam bestuurder] , in de jaren 2012 tot en met 2015 begeleid in de kartsport.

3 Het geschil

3.1.

[Eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 71.118,40, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met wettelijke handelsrente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

3.2.

[Eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij met [naam bestuurder] , in zijn hoedanigheid van indirect bestuurder van [gedaagde] , is overeengekomen dat [Eiser] [voornaam] [naam bestuurder] met ingang van 2012 zou begeleiden en ondersteunen in de kartsport. [Eiser] zou daarbij voorschotfacturen in rekening brengen bij [gedaagde] , die vervolgens zouden worden verrekend met de daadwerkelijk gemaakte kosten. Het nu gevorderde bedrag betreft hetgeen [gedaagde] over de jaren 2012, 2013 en 2015 onbetaald heeft gelaten en [Eiser] vordert van [gedaagde] nakoming van de betalingsverplichting.

3.3.

[gedaagde] voert primair als verweer aan dat niet zij, maar [naam bestuurder] in privé, met [Eiser] heeft gehandeld. De overeenkomst zag op de begeleiding van de zoon van [naam bestuurder] en betrof een private aangelegenheid. Er bestaat geen overeenkomst tussen [Eiser] en [gedaagde] en dus rust op [gedaagde] ook geen betalingsverplichting. [gedaagde] voert voorts aan dat de overeenkomst met name zag op de koop en levering van materialen, zodat de vordering vanwege de korte verjaringstermijn van 7:28 BW is verjaard. [gedaagde] stelt zich daarnaast op het standpunt dat [Eiser] de op hem rustende klachtplicht heeft geschonden. Alle ontvangen facturen zijn betaald. De ‘facturen’ waarvan [Eiser] nu betaling vordert, zijn nooit ontvangen als factuur en betreffen feitelijk kostenoverzichten waarvan nooit betaling is gevorderd. Het betreft kosten boven het afgesproken budget waarvoor geen akkoord is gegeven. Inmiddels zijn deze kosten oncontroleerbaar en kan (kort samengevat) om verschillende redenen geen betaling meer gevorderd worden, aldus [gedaagde] .

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat [Eiser] [voornaam] [naam bestuurder] vanaf 2012 een aantal jaren heeft begeleid in de kartsport en dat hij daarover met [naam bestuurder] afspraken heeft gemaakt. Beoordeeld moet worden of [naam bestuurder] daarbij handelde in zijn hoedanigheid van bestuurder van [gedaagde] en dus namens [gedaagde] die afspraken heeft gemaakt, of dat hij als privépersoon handelde.

Het antwoord op de vraag wie als contractuele wederpartij moet worden aangemerkt, hangt af van wat partijen daarover tegen elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden.

4.2.

[Eiser] stelt dat [naam bestuurder] handelde in zijn hoedanigheid van bestuurder van [gedaagde] . Hij voert daartoe aan dat de afspraak was dat de facturen naar [gedaagde] zouden worden gestuurd, zoals hij ook heeft gedaan en dat deze ook zijn betaald door de BV. [gedaagde] betwist dat zij contractspartij is en dat op haar een betalingsverplichting rust. De afspraken zijn gemaakt door [naam bestuurder] in privé en betroffen ook een private kwestie, namelijk de begeleiding van zijn zoon. Om liquiditeitsredenen is weliswaar afgesproken dat de facturen op naam van [gedaagde] gesteld zouden worden en deze zijn ook door [gedaagde] betaald, maar daarmee is [gedaagde] nog geen contractspartij geworden. [gedaagde] heeft de betaalde bedragen overigens in rekening-courant doorbelast aan [naam bestuurder] zelf.

4.3.

Uit de stellingen van partijen volgt dat zij over wie de contractuele wederpartij van [Eiser] zou zijn, niets op papier hebben gezet en het punt ook niet nadrukkelijk hebben besproken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [Eiser] onvoldoende onderbouwd dat [naam bestuurder] de afspraken heeft gemaakt in hoedanigheid van bestuurder van [gedaagde] en dat hij erop mocht vertrouwen dat hij met [gedaagde] de overeenkomst aanging. Het feit dat de afspraak is gemaakt dat de facturen naar [gedaagde] gestuurd zouden worden en dat ook de betaling via [gedaagde] liep is daarvoor onvoldoende, aangezien de overeenkomst betrekking had op een duidelijk private aangelegenheid, namelijk de begeleiding van de zoon van [naam bestuurder] bij zijn hobby. Met de door [gedaagde] gedreven onderneming (containervervoer en opslag) heeft dit niets te maken.

4.4.

[Eiser] heeft tijdens de zitting aangevoerd dat [gedaagde] op enig moment [voornaam] [naam bestuurder] in zijn kartsport heeft gesponsord. Voor zover [Eiser] dat nu mede ten grondslag legt aan zijn stelling dat [gedaagde] contractspartij is, geldt dat [gedaagde] onweersproken heeft aangevoerd dat die sponsoring een andere rechtsverhouding betreft dan de dienstverlening waar het in dit geschil om gaat. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien hoe uit het feit dat [gedaagde] als sponsor is opgetreden, moet worden afgeleid dat [gedaagde] de contractspartij van [Eiser] ter zake de dienstverlening is.

4.5.

Ter zitting is ook gebleken dat [Eiser] in 2014 op de loonlijst van [gedaagde] heeft gestaan en dat gedeeltelijk via die weg, zo begrijpt de rechtbank, de in dat jaar gemaakte kosten zijn betaald. De kosten van 2014 zijn echter volledig voldaan. [Eiser] heeft niet gesteld dat en op welke wijze het dienstverband in 2014 een rol speelt bij de beoordeling van de vraag wie vanaf 2012 als contractuele wederpartij moet worden beschouwd. De rechtbank laat dit punt dan ook buiten beschouwing.

4.6.

De conclusie is dat in rechte niet is komen vast te staan dat [gedaagde] partij is bij de overeenkomst die [Eiser] en [naam bestuurder] hebben gesloten en dat op haar een betalingsverplichting rust. De vorderingen zullen dan ook worden afgewezen.

4.7.

[Eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht 1.924,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 3.712,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [Eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 3.712,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [Eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [Eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van 't Nedereind en in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2018.