Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:2656

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
02-05-2018
Zaaknummer
02-700190-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

: Schieten op woning in Terneuzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02/700190-17

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 april 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1984 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

raadsman mr. J.C.W.L. Grootjans, advocaat te Middelburg.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 april 2018, waarbij de officier van justitie mr. M.C. Fimerius en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht ter zake dat

feit 1

hij op of omstreeks 09 september 2017 te Terneuzen

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk van het

leven te beroven,

opzettelijk na kalm beraad en/of rustig overleg, althans opzettelijk

meermalen, althans eenmaal met een of meer vuurwapen(s) in de richting van die

[slachtoffer 1] heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 09 september 2017 te Terneuzen, tezamen en in vereniging

met een of meer anderen, althans alleen,

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven

gericht, en/of met zware mishandeling, door dreigend met een of meer

vuurwapen(s) in de richting van die [slachtoffer 1] en/of in de richting van de

woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te schieten, in elk geval dreigend met een

of meer vuurwapen(s) in de nabijheid/omgeving van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

te schieten;

tweede subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] op of omstreeks 09

september 2017 te Terneuzen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

althans alleen, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben bedreigd met enig

misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door dreigend

met een of meer vuurwapen(s) in de richting van die [slachtoffer 1] en/of in de

richting van de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te schieten, in elk geval

dreigend met een of meer vuurwapen(s) in de nabijheid/omgeving van die [slachtoffer 1]

en/of [slachtoffer 2] te schieten,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 9

september 2017 te Hulst en/of Terneuzen, in elk geval in Nederland,

opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen

en/of inlichtingen heeft verschaft, door toen aldaar opzettelijk die [medeverdachte 1]

en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] met een auto naar de plaats

van het misdrijf te vervoeren en/of vervolgens aldaar te wachten met een auto,

teneinde die voornoemde perso(o)n(en) na het misdrijf te kunnen vervoeren;

derde subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 9 september 2017 te Terneuzen, opzettelijk [medeverdachte 1]

en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of een of meer anderen,

die schuldig was/waren aan of verdachte was/waren van enig misdrijf, te weten

poging moord/doodslag (art 289/287 jo 45 Wetboek van Strafrecht) en/of

bedreiging (art 285 Wetboek van Strafrecht), in elk geval enig misdrijf,

heeft verborgen en/of behulpzaam is geweest in het ontkomen aan de nasporing

van en/of aanhouding door een of meer ambtenaren van de justitie of politie,

hebbende hij, verdachte, toen aldaar één of meer van bovengenoemde

perso(o)n(en) helpen ontkomen door deze - nadat het misdrijf was gepleegd -

weg te voeren in een personenauto;

feit 2

hij op of omstreeks 09 september 2017 te Terneuzen, tezamen en in vereniging

met een of meer anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie

III, onder 1, te weten een of meer vuurwapen(s) in de vorm van een pistool,

en/of munitie van categorie III, te weten een aantal scherpe patronen,

voorhanden heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van bedreiging met een vuurwapen en het medeplegen van het voorhanden hebben van een wapen en munitie. Zij vordert vrijspraak van het ten laste gelegde medeplegen van moord c.q. doodslag, omdat zij niet bewijsbaar acht dat door verdachte en diens medeverdachten vooraf werd afgesproken om op [slachtoffer 1] te schieten.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten (feit 1 in al zijn varianten) nu niet bewijsbaar is dat verdachte bij het schietincident aanwezig is geweest. Voor zover de rechtbank de aanwezigheid van verdachte bij de schietpartij wel bewezen acht, dan wijst de raadsman erop dat geen sprake kan zijn van voorbedachte raad, medeplegen en medeplichtigheid. Voor wat betreft de begunstiging wordt nog opgemerkt dat niet is vast te stellen dat anderen in de auto zijn geweest na het schieten en dat het opzet bij verdachte ontbrak.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

Voordat de rechtbank de onderscheiden feiten zal bespreken, zal eerst worden ingegaan op de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

Betrouwbaarheid van de verklaringen

Door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn bij de politie en de rechter-commissaris verklaringen afgelegd over hun wetenschap van de namen van de personen die bij de schietpartij aanwezig zouden zijn geweest. De rechtbank constateert dat zowel [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hierover enigszins wisselend hebben verklaard. [slachtoffer 1] heeft echter al binnen enkele uren na het incident op 9 september 2017 ten overstaan van een verbalisant een eerste verklaring afgelegd waarin hij [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) als schutter aanwijst. Dit maakt dat de rechtbank deze verklaring als betrouwbaar aanmerkt. [slachtoffer 2] daarentegen wordt pas op 18 september 2017 door de politie gehoord. Hij heeft verklaard dat hij vier personen heeft gezien, te weten verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ). Bij de rechter-commissaris komt hij gedeeltelijk terug op die verklaring. Aldaar heeft hij verklaard dat hij zeker weet dat hij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] heeft herkend, van de anderen weet hij dat niet. Dit deel van zijn verklaring wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen, waardoor de rechtbank zijn verklaring voor wat betreft dit deel wél als betrouwbaar aanmerkt. De overige verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] of de delen daarvan die zien op de namen van personen aanwezig bij de schietpartij worden door de rechtbank niet voor het bewijs gebezigd en behoeven derhalve geen verdere bespreking.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank is in de vonnissen van 26 april 2018 van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] tot het oordeel gekomen dat zij zich op 9 september 2017 schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van poging tot doodslag door meermalen in de richting van [slachtoffer 1] te schieten.1 Aangezien zij zijn vrijgesproken voor de poging tot moord wordt ook verdachte daarvan vrijgesproken. De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is wat de rol van verdachte bij de poging tot doodslag c.q. bedreiging is geweest.

Op zaterdag 9 september 2018 omstreeks 04.05 uur kwam bij de politie Zeeland-West-Brabant een melding binnen dat er meerdere vechtpartijen en conflicten plaatsvonden op de Grote Markt te Hulst. Naar aanleiding van deze melding zijn er verschillende eenheden ter plaatse gegaan. Aldaar bleek dat [medeverdachte 1] vermoedelijk door [slachtoffer 2] met een fles was gestoken dan wel was geslagen. [slachtoffer 2] bevestigt later dat hij met zijn glas het hoofd van [medeverdachte 1] heeft geraakt. [medeverdachte 1] is vervolgens in ieder geval met [medeverdachte 2] in de auto die verdachte bestuurde in de richting van Terneuzen gereden. De rechtbank destilleert vervolgens uit het dossier de volgende tijdlijn tussen het moment van voornoemd glasincident en het tenlastegelegde.

04.15

uur: verbalisant [naam 1] ziet dat de man met het bebloede gezicht in een grijs/zilverkleurige Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] wordt gezet.

De rechtbank begrijpt uit het voorgaande dat dit [medeverdachte 1] moet zijn geweest.

04.19

uur: op camerabeelden is te zien dat voornoemde auto de Grote Markt te Hulst verlaat.

[medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en verdachte zijn van Hulst naar Terneuzen gereden. De afstand tussen de Grote Markt te Hulst en Terneuzen bedraagt volgens Google Maps 21,3 kilometer en behelst 23 minuten reistijd met de auto.

04.39

uur: met de telefoon van [medeverdachte 2] , een Alcatel Pixi wordt een foto gemaakt van [medeverdachte 1] met een bebloed gezicht, ontbloot bovenlijf, grijs t-shirt met bloedvlekken in zijn hand en een donkerblauwe boxershort met lichtblauwe band.

04.43

uur: met voornoemde telefoon wordt een foto gemaakt waarop een persoon is te zien met ontbloot bovenlijf, met een soortgelijk t-shirt als dat van [medeverdachte 1] (grijs met bloedvlekken), met een donkerblauwe boxershort met lichtblauwe band aan, met in zijn hand een vuurwapen dan wel een op een vuurwapen gelijkend voorwerp.

De rechtbank gaat er gelet op de zeer korte tijdspanne tussen beide foto’s en de overeenkomstige uiterlijke kenmerken vanuit dat de persoon op deze foto [medeverdachte 1] is.

05.02

uur: met voornoemde telefoon wordt een foto gemaakt van [medeverdachte 2] met in zijn hand een vuurwapen dan wel een op een vuurwapen gelijkend voorwerp.2

05.05

uur: de foto’s waarop [medeverdachte 1] te zien is met een bebloed gezicht en met een vuurwapen dan wel een op een vuurwapen gelijkend voorwerp worden verstuurd aan het telefoonnummer [telefoonnummer]3, het telefoonnummer van de dochter ( [naam 2] ) van de vriendin van [medeverdachte 2] ( [naam 3] ).4

Aangever [slachtoffer 1] heeft enkele uren na de schietpartij ten overstaan van een verbalisant verklaard dat hij via het raam van de badkamer op de eerste verdieping zag dat er vier Antilliaanse gasten bij hem voor de woning stonden (rechtbank: dit betreft de woning gelegen aan de [adres 1] te Terneuzen). Hierop heeft hij het raam geopend en geroepen wat zij wilden. Hij zou vervolgens meerdere vuurwapens hebben gezien en gezien hebben dat één van de personen een vuurwapen op hem richtte. Hij heeft verklaard dat hij geroepen heeft dat hij naar beneden zou komen en dat als ze echte mannen waren ze dan ook op hem moesten schieten. Er zou een aantal maal vanaf de straat voor de woning in zijn richting zijn geschoten op het moment dat hij via het badkamerraam aan het roepen was. Hij is vervolgens naar beneden gelopen en via de voordeur naar buiten gegaan. Toen hij buiten liep zag hij dat de vier mannen vanuit de richting van de Lindelaan een aantal malen in zijn richting schoten en daarna snel wegrenden.5 Hij hoorde roepen dat ze hem naar buiten zagen komen en dat er geschoten moest worden.6

De persoon die een vuurwapen op hem richtte en die ook in zijn richting schoot was een persoon met lange dreads waarvan hij weet dat deze persoon [medeverdachte 1] wordt genoemd.7 De rechtbank merkt op dat met [medeverdachte 1] wordt bedoeld.

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij [medeverdachte 1] heeft zien schieten. In eerste instantie verklaart hij dat hij vier personen heeft gezien, maar hij nuanceert dit later door te zeggen dat hij alleen zeker weet dat hij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] heeft herkend.8 Hij weet niet of [medeverdachte 3] heeft geschoten. De rechtbank merkt op dat met [medeverdachte 3] verdachte [medeverdachte 3] wordt bedoeld.

Getuige [naam 4] , bewoonster van de woning aan de [adres 2] , heeft verklaard dat zij rond 05.30 uur uit het badkamerraam naar buiten heeft gekeken. Zij zag drie vermoedelijk Antilliaanse mannen voor haar woning staan. Eén van deze mannen had een pistool in zijn rechter hand en schoot gericht de straat in richting nummer [adres 1] . Zij hoorde vervolgens dat de mannen met elkaar spraken en ze zag dat één van de mannen het pistool overpakte. Deze man had niet zo’n donkere huidskleur als de andere twee mannen. Ook deze man schoot gericht in de richting van nummer [adres 1] . Ze zag en hoorde dat hij vijf à zes keer schoot. Hierna zag zij alle drie de mannen weglopen door de brandgang langs haar woning.9

Getuige [naam 5] , bewoonster van de woning aan de [adres 3] , heeft verklaard dat zij omstreeks 05.30 uur harde klappen hoorde op straat en vervolgens uit het slaapkamerraam keek. Zij zag vier mannen staan, waarvan er één plotseling een pistool uit zijn kleding pakte. Ze zag en hoorde dat deze man het pistool vier keer naar boven richtte en afvuurde. De man heeft niet alle schoten achter elkaar gelost. Er werd één schot gelost toen hij voor nummer [adres 1] stond en nog drie schoten toen de mannen wegliepen in de richting van de Lindelaan. [naam 5] heeft 112 gebeld en tijdens het gesprek hoorde zij nog twee schoten.10

Uit voorgaande verklaringen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [naam 4] en [naam 5] concludeert de rechtbank dat er in ieder geval drie personen bij het schietincident aanwezig waren en dat er door twee verschillende personen gericht op [slachtoffer 1] is geschoten. Immers [naam 4] heeft gezien dat het pistool van de ene op de andere schutter is overgaan en dat beiden hebben geschoten. De rechtbank is voorts van oordeel dat [medeverdachte 1] in de richting van [slachtoffer 1] heeft geschoten op het moment dat deze vanuit het badkamerraam naar buiten keek en dat de tweede persoon in diens richting heeft geschoten toen [slachtoffer 1] naar buiten liep.

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij na het schietincident de voordeur open deed, een auto hoorde rijden en in de richting van de Beukenstraat is gerend. Hij zag vanaf links de grijze Golf aan komen rijden. De politie is achter deze auto aangereden de Beukenstraat in, waarna ook [slachtoffer 2] met zijn vader en broertje er achteraan is gereden. De Golf werd klemgereden en de inzittenden werden aangehouden.11

Op zaterdag 9 september 2018 omstreeks 05.30 uur kwam bij de politie Zeeland-West-Brabant de opdracht binnen om te gaan naar de [adres 1] te Terneuzen, alwaar geschoten zou zijn. Verbalisanten zijn ter plaatse gegaan. Op het moment dat zij door de Iepenlaan te Terneuzen, in de richting van de Goudenregenstraat reden, zagen zij, al rijdend op de Beukenlaan, komend vanuit de richting Goudenregenstraat, een zilverkleurig klein model auto wegrijden. Verbalisanten zijn de auto gevolgd de Dokweg op, recht de Azaleastraat in en vervolgens de Geraniumstraat in. De auto werd wegens wegwerkzaamheden voor de Rozenstraat tot stilstand gebracht. Het voertuig betrof de zilverkleurige Volkswagen Golf, voorzien van het kenteken [kenteken] , waarin eerder in Hulst de betrokkenen bij het eerder genoemde conflict weg waren gereden.12 De inzittenden, verdachte en [medeverdachte 3]13, werden aangehouden.14

De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte en [medeverdachte 3] bij het schietincident aanwezig dan wel betrokken zijn geweest. [slachtoffer 2] is immers direct na het schietincident de auto gevolgd die bij het schietincident betrokken is geweest. Hij ziet vervolgens een politiewagen ook achter de auto aanrijden, waarna vervolgens verdachte en [medeverdachte 3] door de politie worden aangehouden.

De rechtbank is gelet op voornoemde bewijsmiddelen van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte [medeverdachte 1] naar de Goudenregenstraat heeft gebracht, hij bij het schietincident aanwezig is geweest en dat hij [medeverdachte 3] hierna vervoerd heeft.

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Op grond van het voormelde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten niet is komen vast te staan. Er is geen sprake van een gezamenlijke uitvoering en de bijdrage van verdachte aan de poging tot doodslag dan wel bedreiging is van onvoldoende gewicht. Daarom zal verdachte worden vrijgesproken van het primair impliciet subsidiair en subsidiair tenlastegelegde.

Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden en bij gebrek aan bewijsmiddelen om met voldoende zekerheid vast te kunnen stellen dat verdachte vóór de schietpartij reeds wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden wat er later die nacht in de Goudenregenstraat stond te gebeuren, heeft dit tot gevolg dat de rechtbank ook niet kan vaststellen dat verdachte met dat doel (namelijk het op enigerlei wijze behulpzaam willen zijn bij de schietpartij) zijn medeverdachten naar de plaats van het misdrijf heeft gebracht. De gedragingen die door verdachte zijn verricht na het misdrijf, het vervoeren van één van de daders van de schietpartij, kan op zichzelf niet bijdragen aan een bewezenverklaring van medeplichtigheid. Dat zou alleen anders zijn wanneer vast zou komen te staan dat verdachte voorafgaand aan het misdrijf hieromtrent met de medeverdachten afspraken zou hebben gemaakt. Hiervan is niet gebleken. Gelet hierop kunnen ook de gedragingen die zijn verricht na het misdrijf geen medeplichtigheid aan de poging tot doodslag opleveren. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het tweede subsidiair tenlastegelegde.

Dit is anders voor wat betreft de meest subsidiair ten laste gelegde begunstiging. Verdachte stond blijkens voornoemde bewijsmiddelen in de buurt van diens medeverdachten. Na de schietpartij is verdachte vrijwel direct met één van de schutters in een auto gestapt en heeft hij in ieder geval de persoon waarvan hij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat hij bij de schietpartij betrokken was, namelijk [medeverdachte 3] , vervoerd. Verdachte is door zijn handelen [medeverdachte 3] behulpzaam geweest bij het ontkomen aan de nasporing van en aanhouding door ambtenaren van justitie en politie. De rechtbank acht het derde subsidiair tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank verwijst voor wat betreft de feiten en omstandigheden naar de hiervoor vermelde bewijsoverwegingen. Ten tijde van het schietincident is sprake geweest van een vuurwapen en munitie. Bij verdachte heeft, gelet op zijn aanwezigheid ten tijde van het schietincident, een bewustheid bestaan ten opzichte van het vuurwapen en de munitie. Het dossier biedt geen basis voor het oordeel dat er een zekere relatie heeft bestaan tussen deze voorwerpen en verdachte in die zin dat er voor verdachte tijdens het schietincident met betrekking tot het wapen een zekere vorm van machtsuitoefening mogelijk is geweest. Er is ook geen bewijs dat verdachte voor wat betreft het voorhanden hebben van het vuurwapen en de munitie met de medeverdachten zo nauw en bewust heeft samengewerkt dat sprake is van medeplegen. Gelet op het voorgaande is niet bewezen dat verdachte op 9 september 2017, al dan niet samen met anderen, een wapen en munitie voorhanden heeft gehad, zodat hij van het onder 2 ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

feit 1 derde subsidiair

op of omstreeks 9 september 2017 te Terneuzen, opzettelijk [medeverdachte 1]

en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of een of meer anderen,

die schuldig was/waren aan of verdachte was/waren van enig misdrijf, te weten

poging moord/doodslag (art 289/287 jo 45 Wetboek van Strafrecht) en/of

bedreiging (art 285 Wetboek van Strafrecht), in elk geval enig misdrijf,

heeft verborgen en/of behulpzaam is geweest in het ontkomen aan de nasporing

van en/of aanhouding door een of meer ambtenaren van de justitie of politie,

hebbende hij, verdachte, toen aldaar één of meer van bovengenoemde

perso(o)n(en) helpen ontkomen door deze - nadat het misdrijf was gepleegd -

weg te voeren in een personenauto;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 15 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Voorts wordt verzocht aan verdachte de bijzondere voorwaarden van een reclasseringstoezicht, een meldplicht en een sociale vaardigheidstraining op te leggen.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om bij oplegging van een eventuele straf rekening te houden met de dan beperkte rol van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich door het besturen van de auto waarin één van de schutters van een net daarvoor gepleegde schietpartij zat, schuldig gemaakt aan begunstiging. In het onderhavige geval heeft verdachte door zijn handelen de nasporing of de vervolging van één van de ernstigste misdrijven die Nederland kent, te weten poging tot doodslag, moeilijker gemaakt. Dat verdachte niet anders heeft gehandeld dan dat hij heeft gedaan, door bijvoorbeeld eerst zelf weg te gaan, acht de rechtbank dan ook bijzonder kwalijk.

Bij het bepalen van de op te leggen straf houdt de rechtbank rekening met het uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 5 maart 2018 waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten. Ook houdt de rechtbank bij de strafoplegging rekening met de over verdachte opgemaakte rapportage van de Reclassering van 9 april 2018.

Door de reclassering is in haar advies van 9 april 2018 opgemerkt dat verdachte de leefgebieden grotendeels op orde heeft, tenminste zolang hij extern begeleid wordt. Verdachte wordt hierbij gesteund door zijn pleegouders. Er wordt vermoed dat sprake is van een achterstand in de sociaal emotionele ontwikkeling, waardoor hij op langere termijn externe sturing behoeft en in grote mate beïnvloedbaar is (positief en negatief). De reclassering onthoudt zich gelet op de ontkennende houding van verdachte van het geven van een strafadvies, maar adviseert indien verdachte schuldig wordt bevonden een reclasseringstoezicht op te leggen, met een meldplicht en een gedragsinterventie.

De officier van justitie is bij haar eis uitgegaan van een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde medeplegen van bedreiging met een vuurwapen. Nu de rechtbank slechts bewezen acht de derde subsidiair tenlastegelegde begunstiging, legt zij een lagere straf op dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat de voor dit feit maximaal op te leggen straf, te weten een gevangenisstraf van zes maanden, passend en geboden is. De rechtbank ziet in dat kader geen ruimte meer voor bijzondere voorwaarden.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27 en 189 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair (impliciet primair en impliciet subsidiair),

1. subsidiair, 1 tweede subsidiair en 2 tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 derde subsidiair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

feit 1 derde subsidiair: opzettelijk iemand die schuldig is aan enig misdrijf behulpzaam zijn in het ontkomen aan de nasporing van of aanhouding door de ambtenaren van de politie of justitie;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- verstaat dat verdachte de opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf reeds heeft ondergaan, gelet op de tijd die hij heeft doorgebracht in voorarrest.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.M. de Jager, voorzitter, mr. R.A. Borm en

mr. E.J. Zuijdweg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Willeboordse, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 26 april 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers wordt daarmee – tenzij anders vermeld – bedoeld de pagina’s van het procesdossier van de politie Zeeland-West-Brabant, Districtsrecherche, schietincident [adres 1] Terneuzen, proces-verbaalnummer 201707121216.2825.AMB, gesloten op 8 december 2017, waarvan de inhoud is opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en geheel is doorgenummerd. De vonnissen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 april 2018, bekend onder parketnummers: 02/700189-147 ( [medeverdachte 1] ) en 02/700191-17 ( [medeverdachte 3] ).

2 Het proces-verbaal digitaal onderzoek van12 september 2017, pagina’s 231 en 238.

3 Het proces-verbaal van bevindingen van 13 september 2017, pagina’s 240, 242 en 243.

4 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 2] van 27 september 2017, pagina 370, noot verbalisanten en eerste alinea.

5 Het proces-verbaal van bevindingen van 9 september 2017, pagina 284.

6 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 9 september 2017, pagina 286, tweede alinea.

7 Het proces-verbaal van bevindingen van 9 september 2017, pagina 284.

8 Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] van 5 maart 2018 bij de rechter-commissaris (los).

9 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 4] , pagina 345, tweede t/m vijfde alinea.

10 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 5] , pagina’s 342 en 343.

11 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [slachtoffer 2] van 18 september 2017, pagina 359, tweede alinea

12 Het proces-verbaal van bevindingen van 9 september 2017, pagina 166, eerste en laatste drie alinea’s, pagina 167, eerste alinea.

13 Het proces-verbaal van bevindingen van 9 september 2017, pagina 168, laatste alinea.

14 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [slachtoffer 2] van 18 september 2017, pagina 359, tweede alinea