Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:2347

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-04-2018
Datum publicatie
06-09-2018
Zaaknummer
AWB 16_7598
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd vanwege het instellen van hoger beroep. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 16/7598 BESLU

uitspraak van 17 april 2018 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats eiser] , eiser,

gemachtigde: mr. J.H. Weermeijer,

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank Breda (SVB), verweerders.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 26 augustus 2016 van de SVB (bestreden besluit). Dit besluit gaat over een verzoek om over 2010 en 2012 een regularisatieovereenkomst te sluiten met de bevoegde autoriteit in Luxemburg.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 1 december 2017. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister en de SVB hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg en mr. A. Marijnissen. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

De SVB heeft na de zitting nog een brief naar de rechtbank gestuurd. De rechtbank heeft hierin aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen. Eiser is in de gelegenheid gesteld om te reageren op de brief van de SVB. Eiser heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

De rechtbank heeft vervolgens partijen laten weten dat zij over voldoende informatie beschikt om een uitspraak te doen. De rechtbank heeft daarom aangegeven dat een zitting achterwege zal worden gelaten, tenzij één van de partijen aangeeft dat zij mondeling op een zitting wil worden gehoord. Partijen hebben aangegeven hier geen behoefte aan te hebben. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 21 februari 2018 gesloten.

De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.

Overwegingen

1. Eiser is een werknemer op een Rijnvaartschip. Eiser heeft de SVB gevraagd om over de jaren 2010 en 2012 een regularisatieovereenkomst te sluiten met de bevoegde Luxemburgse sociale verzekeringsautoriteit. Dit wordt een regularisatieverzoek genoemd. Eiser wil met dit verzoek bereiken dat de Luxemburgse sociale verzekeringswetgeving op hem van toepassing is.

2. Bij besluit van 12 november 2015 heeft de SVB de regularisatieverzoeken over de jaren 2010 en 2012 afgewezen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

3. Bij het bestreden besluit heeft de SVB de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Periode 1 januari 2010 tot 1 mei 2010

4. In deze periode is het Rijnvarendenverdrag op eiser van toepassing. Eiser heeft aan de SVB gevraagd om op grond van artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag een regularisatieovereenkomst te sluiten met Luxemburg.

Bevoegdheidsgebrek

5. Op grond van artikel 1, onderdeel e, van het Rijnvarendenverdrag is de minister de voor Nederland bevoegde autoriteit om een dergelijke regularisatieprocedure op te starten. Dit betekent dat de minister op het regularisatieverzoek diende te beslissen, tenzij de SVB gemandateerd was om dit namens de minister te doen. Het Besluit Internationale taken Sociale Verzekeringsbank voorziet niet in een regeling op grond waarvan zonder meer kan worden aangenomen dat de SVB het bestreden besluit krachtens een geldig mandaat heeft genomen voor de minister (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 28 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2634).

6. De rechtbank heeft het bevoegdheidsgebrek ter zitting besproken. De gemachtigde van eiser heeft aan de rechtbank gevraagd om het bestreden besluit te vernietigen en de minister op te dragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen (‘kale vernietiging’).

7. De rechtbank heeft op 7 december 2017 een brief van de SVB ontvangen, met daarbij als bijlage een brief van de minister van 1 december 2017. In laatstgenoemde brief staat dat de minister (kort gezegd) de beslissing van de SVB bekrachtigt en de beslissing op bezwaar van 26 augustus 2016 geheel voor zijn rekening neemt.

8. Eisers gemachtigde heeft hier bij brief van 10 januari 2018 op gereageerd. Volgens de gemachtigde moet hij bij het voeren van procedures ook een machtiging overleggen, omdat anders het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. Hij is dan ook van mening dat de SVB niet meer in de gelegenheid mag worden gesteld om alsnog een machtiging te overleggen. De rechtbank heeft de zitting gesloten. Als de minister achteraf in de gelegenheid wordt gesteld om het bevoegdheidsgebrek te herstellen, dan is dat in strijd met artikel 6 van het EVRM, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het beginsel van ‘equality of arms’. Ook is dit niet in het belang van eiser.

9. De rechtbank overweegt als volgt. Als het beroepschrift van eiser niet compleet is (bijvoorbeeld omdat er een machtiging van zijn gemachtigde ontbreekt), dan wordt hij in de gelegenheid gesteld om dit gebrek te herstellen. In dit geval heeft de rechtbank voorafgaand aan de zitting geconstateerd dat het bestreden besluit (mogelijk) onbevoegd is genomen. De rechtbank is van oordeel dat ook de minister de gelegenheid dient te krijgen om dit gebrek te herstellen. Dit past ook bij het idee dat zaken zo veel mogelijk definitief worden afgedaan in beroep. De rechtbank ziet ook niet in hoe het in het belang van eiser is om de minister opnieuw op het bezwaar van eiser te laten beslissen. Voor zover dit belang is gelegen in een proceskostenveroordeling, overweegt de rechtbank dat dit ook mogelijk is zonder ‘kale vernietiging’ van het bestreden besluit.

Omdat de minister het bestreden besluit bij brief van 1 december 2017 heeft bekrachtigd en eiser hierdoor op zichzelf niet wordt benadeeld, zal het bevoegdheidsgebrek dat is verbonden aan bestreden besluit worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Inhoudelijk

10. Eiser heeft in deze periode gewerkt voor [naam werkgever] , gevestigd in Luxemburg. Hij verrichte zijn werkzaamheden aan boord van het Rijnvaartschip [naam schip] . De eigenaar en exploitant van dit schip zijn in Nederland gevestigd. Tussen partijen is niet in geding dat op eiser de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving van toepassing is.

11. De rechtbank stelt vast dat de SVB in het bestreden besluit twee redenen geeft om niet te regulariseren over deze periode. Ten eerste omdat de bevoegde autoriteit in Luxemburg heeft aangegeven dat het niet zal overgaan tot regularisatie, omdat er in de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2012 geen sociale premies zijn afgedragen in Luxemburg. Ten tweede omdat het eiser redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving op hem van toepassing was.

12. Ten aanzien van het eerste punt overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft aan de rechtbank gevraagd om zich uit te spreken over de vraag of de SVB mag afgaan op de weigering van de Luxemburgse autoriteit, als er aanwijzingen zijn dat het standpunt van de Luxemburgse autoriteit onjuist is.

De rechtbank overweegt dat de bevoegde autoriteiten van Nederland en Luxemburg in onderlinge overeenstemming een regularisatieovereenkomst kunnen sluiten. In dit geval heeft de Luxemburgse autoriteit aangegeven hieraan geen medewerking te verlenen. De Nederlandse rechter kan geen inhoudelijk oordeel geven over die beslissing. De weigering van de Luxemburgse autoriteit om een regularisatieovereenkomst te sluiten, is dus een gegeven. De SVB heeft de weigering van de Luxemburgse autoriteit dan ook aan de besluitvorming ten grondslag kunnen leggen.

13. Ten aanzien van het tweede punt overweegt de rechtbank als volgt. In artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag wordt aan de bevoegde autoriteiten een discretionaire bevoegdheid gegeven om een regularisatieprocedure te starten. De SVB past deze bevoegdheid bij reeds verstreken verzekeringstijdvakken alleen toe als blijkt van voldoende in aanmerking te nemen bijzondere omstandigheden. Wat onder dit begrip wordt verstaan, is niet nader gedefinieerd. De CRvB heeft dit beleid niet onredelijk geacht (zie de uitspraak van de CRvB van 28 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2634).

De SVB stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat het eiser vanaf 2 maart 2009 redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving op hem van toepassing was. Op die datum heeft de Belastingdienst namelijk een brief gestuurd naar eiser, waarin dat staat. Desondanks is eiser doorgegaan met premiebetaling in Luxemburg in plaats van in Nederland, aldus de SVB. In een brief van 30 november 2017 heeft de SVB nog toegelicht dat niet is gebleken van voldoende in aanmerking te nemen bijzondere omstandigheden om een regularisatieprocedure te beginnen over reeds verstreken verzekeringstijdvakken.

De rechtbank onderschrijft dit standpunt van de SVB. Het maakt daarbij niet uit dat de brief van de Belastingdienst ziet op het belastingjaar 2006. Het gaat erom dat eiser vóór 2010 al wist dat hij premies in Nederland diende af te dragen, omdat ook duidelijk was dat eisers werksituatie sinds 2006 niet was veranderd. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit dan ook in overeenstemming met de in de Nederlandse uitvoeringspraktijk gehanteerde bestendige uitgangspunten en niet strijdig met het Rijnvarendenverdrag.

Periode 1 mei 2010 tot en met 31 december 2012

14. Eiser heeft in deze periode ook gewerkt op het motorschip [naam schip] . Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in deze periode niet in Zwitserland heeft gevaren.

Achtergrond

15. Voor werknemers die werkzaam waren op een binnenvaartschip waarvan de reder of eigenaar over een Rijnvaartakte beschikte, gold sinds 1961 een apart verdrag (Rijnvarendenverdrag) dat onder meer regelde welke sociale zekerheidswetgeving op hen van toepassing was.

Verordening (EEG) 1408/71 regelde de sociale zekerheidspositie van grensoverschrijdende werknemers en zelfstandigen binnen de Europese Unie. Omdat het Rijnvarendenverdrag de sociale zekerheidspositie van werknemers op de Rijnvaart al regelde, was in Verordening (EEG) 1408/71 expliciet bepaald dat het Rijnvarendenverdrag van toepassing bleef.

Verordening (EEG) 1408/71 is per 1 mei 2010 vervangen door Verordening (EG) 883/2004. Sinds het van kracht worden van de nieuwe Verordening (EG) 883/2004, is het Rijnvarendenverdrag niet meer van toepassing in de verdragsluitende landen die tevens lid zijn van de Europese Unie (België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg en Nederland).

In 2011 hebben België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg en Nederland een overeenkomst gesloten die weer toewijzingsregels bevat voor Rijnvarenden (Rijnvarendenovereenkomst). De Rijnvarendenovereenkomst werd van kracht op 11 februari 2011 en werkt terug tot 1 mei 2010, de datum waarop Verordening (EG) 883/2004 in werking trad.

Verhouding Verordening (EG) 883/2004 en Rijnvarendenovereenkomst

16. In artikelen 11 tot en met 15 van de Verordening (EG) 883/2004 wordt bepaald welke sociale zekerheidswetgeving van toepassing is.

Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Verordening (EG) 883/2004 kunnen twee of meer lidstaten, de bevoegde autoriteiten van deze lidstaten of de door deze autoriteiten aangewezen instellingen in onderlinge overeenstemming in het belang van bepaalde personen of groepen personen, uitzonderingen op de artikelen 11 tot en met 15 vaststellen.

17. De Rijnvarendenovereenkomst is een overeenkomst krachtens artikel 16, eerste lid, van Verordening (EG) 883/2004. Dit is immers een overeenkomst waarbij de bevoegde autoriteiten van Nederland, België, Luxemburg, Duitsland en Frankrijk met toepassing van artikel 16 van de Verordening uitzonderingen op de artikelen 11 tot en met 15 van de Verordening hebben vastgesteld.

18. Naar het oordeel van de rechtbank is voor Rijnvarenden met de Rijnvarendenovereenkomst derhalve een invulling gegeven aan het uitzonderingsartikel 16 van de Verordening (EG) 883/2004.

Vaststelling van de toepasselijke sociale zekerheidswetgeving

19. Eisers verzoek ziet op de periode van 1 mei 2010 tot en met 31 december 2012. De Rijnvarendenovereenkomst is met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2010 in werking getreden, zodat deze van toepassing is op eisers verzoek.

20. Op grond van artikel 4, tweede lid, van de Rijnvarendenovereenkomst is op de Rijnvarende de wetgeving van toepassing van de Ondertekende Staat op het grondgebied waarvan zich de zetel bevindt van de onderneming waartoe het in artikel 1, sub c) bedoelde schip behoort, aan boord waarvan deze Rijnvarende zijn beroepsarbeid verricht.

21. Eiser heeft in de betreffende periode gevaren op motortankschip [naam schip] . Dit schip werd in de in geding zijnde periode geëxploiteerd door een Nederlandse onderneming. Dit betekent dat – op grond van de Rijnvarendenovereenkomst – op eiser de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving van toepassing is. Dit is ook niet tussen partijen in geding.

Eisers verzoek

22. Eiser heeft op 29 maart 2013 aan de SVB gevraagd om over 2010 een regularisatieovereenkomst met de bevoegde Luxemburgse sociale zekerheidsautoriteit af te sluiten, op grond van artikel 16 van de Verordening (EG) 883/2004. Hij heeft op 29 oktober 2013 eenzelfde verzoek gedaan voor het jaar 2012.

23. Zoals hiervoor is overwogen, geeft artikel 16 van de Verordening (EG) 883/2004 de mogelijkheid om af te wijken van artikelen 11 tot en met 15 van die verordening. Echter, de vaststelling van de toepasselijke (Nederlandse) wetgeving is niet gebaseerd op één van de artikelen uit de Verordening (EG) 883/2004, maar is gebaseerd op de Rijnvarendenovereenkomst.

Eiser wil met zijn verzoek dan ook bereiken dat er in zijn geval wordt afgeweken van het bepaalde in de Rijnvarendenovereenkomst. Naar het oordeel van de rechtbank dient eisers verzoek dan ook als zodanig te worden opgevat. Het verzoek zou anders zonder betekenis zijn.

Beoordeling van het verzoek

24. Eiser wil met zijn verzoek bereiken dat wordt afgeweken van het bepaalde in artikel 4, tweede lid, van de Rijnvarendenovereenkomst.

25. De vaststelling van de toepasselijke sociale zekerheidswetgeving voor Rijnvarenden is vastgelegd in de Rijnvarendenovereenkomst. De tekst van de Rijnvarendenovereenkomst voorziet niet uitdrukkelijk in de mogelijkheid dat van de daarin opgenomen bepalingen kan worden afgeweken. Evenmin is een clausule opgenomen waaruit kan worden opgemaakt dat het vaststellen van individuele uitzonderingen op grond van artikel 16 van de Verordening mogelijk blijft, ook al is de overeenkomst van toepassing. Uit doel en strekking van de Rijnvarendenovereenkomst kan die mogelijkheid ook niet worden afgeleid. Volgens de inleiding van de overeenkomst is immers beoogd om de op hetzelfde schip als Rijnvarenden te werk gestelde personen te onderwerpen aan dezelfde wetgeving. Bovendien is daarbij uitdrukkelijk rekening gehouden met het gezamenlijk verzoek van alle sociale partners (vertegenwoordigers van werkgevers, werknemers en zelfstandigen). De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat de Rijnvarendenovereenkomst – anders dan het tot 1 mei 2010 geldende Rijnvarendenverdrag – niet voorziet in een dergelijke afwijkingsmogelijkheid. De SVB kan hier dus niet van afwijken.

26. De rechtbank volgt hierbij het oordeel van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 25 juli 2016 (ECLI:NL:RBZWB:2016:4754). De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 9 september 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:3578), brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

Vertrouwensbeginsel

27. Eiser heeft een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel, zoals dat aan de orde is gekomen in eerdergenoemde uitspraak van deze rechtbank van 25 juli 2016.

28. De rechtbank stelt vast dat de SVB nog niet eerder onder de Rijnvarendenovereenkomst (vanaf 1 mei 2010) een regularisatieverzoek van eiser heeft ingewilligd. Dit betekent dat eiser geen geslaagd beroep kan doen op het vertrouwensbeginsel. Dat er ten aanzien van het jaar 2009 wel geregulariseerd is, maakt dat niet anders. Die regularisatie is immers gebaseerd op andere regelgeving (Rijnvarendenverdrag), waarbij wel de mogelijkheid bestond om af te wijken.

Redelijke termijn

29. Eiser heeft nog een beroep gedaan op overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

30. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (uitspraak van de CRvB van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel, als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.

Gerekend van (de ontvangst van) het bezwaarschrift van 4 december 2015 tot de datum van deze uitspraak zijn meer dan twee jaar verstreken. De rechtbank heeft noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van eiser aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan twee jaar (zijnde een half jaar voor de behandeling van het bezwaar plus anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep) zou mogen bedragen. De redelijke termijn is derhalve op 4 december 2017 overschreden. Van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase is geen sprake (geweest). De overschrijding komt daarom in haar geheel voor rekening van de SVB.

31. Uitgaande van een overschrijding van de redelijke termijn op 4 december 2017 en deze uitspraak van 17 april 2018, dient de overschrijding van de behandelingsduur te worden vastgesteld op minder dan een half jaar. Volgens vaste rechtspraak is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan. De door eiser geleden schade moet worden vastgesteld op € 500,-.

Conclusie

32. De beroepen zullen ongegrond worden verklaard. Nu er ten aanzien van het bestreden besluit sprake was van een bevoegdheidsgebrek, ziet de rechtbank aanleiding om de minister te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501, en wegingsfactor 1). Daarnaast dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding toe tot een bedrag van € 500,-;

  • -

    draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 april 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.