Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:2338

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
14-03-2018
Datum publicatie
23-04-2018
Zaaknummer
6386710
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

overlast; ontbinding huurovereenkomst; beding in algemene voorwaarden wijzigt bewijslast ten nadele huurder; overlast niet vast komen te staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/303
WR 2018/151
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster I Civiele kantonzaken

Zittingsplaats: Middelburg

zaak/rolnr.: 6386710 / 17-4524

vonnis van de kantonrechter d.d. 14 maart 2018

in de zaak van

de stichting Woonstichting Hulst ,

gevestigd te Hulst ,

eisende partij,

verder te noemen: Woonstichting,

gemachtigde: mr. W.M.T. Dielen-van Damme,

t e g e n :

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

verder te noemen: [gedaagde] ,

gemachtigde: mr. E.A.G. van Acker.

het verloop van de procedure

De procedure is als volgt verlopen:

- dagvaarding van 10 oktober 2017,

- conclusie van antwoord,

- tussenvonnis van 18 oktober 2017,

- proces-verbaal van comparitie gehouden op 26 januari 2018.

de beoordeling van de zaak

1. [gedaagde] huurt van Woonstichting de woonruimte aan [adres] te [woonplaats] . Op de huurovereenkomst zijn de algemene huurvoorwaarden zelfstandige woonruimte van Woonstichting (hierna: huurvoorwaarden) van toepassing. In artikel 6.6. van die voorwaarden staat onder andere dat een huurder er zorg voor dient te dragen dat er geen overlast en hinder wordt veroorzaakt aan omwonenden en “Overlast wordt in ieder geval aangenomen als in of vanuit het gehuurde middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet worden verstrekt, bereid, verwerkt, verkocht, afgeleverd, geteeld, vervaardigd of aanwezig zijn, zulks zonder dat (nadere) ingebrekestelling vereist is.

2. Woonstichting vordert - samengevat - ontbinding van de huurovereenkomst en de veroordeling van [gedaagde] tot ontruiming van het gehuurde en betaling van de proceskosten.

3. Woonstichting legt daaraan - samengevat - ten grondslag dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst en niet als goed huurder heeft gehandeld. Er is sprake van overlast. Woonstichting beroept zich op artikel 6.6. van de huurvoorwaarden en op de bestuurlijke rapportage drugshandel van de politie d.d. 13 september 2017 waarin onder meer staat dat er hennep in het schuurtje van [gedaagde] is aangetroffen. Ondanks dat de aangetroffen hennep van de zoon van [gedaagde] (genaamd: [A] ) was, is [gedaagde] verantwoordelijk voor het gehuurde en voor de gedragingen van degenen die zich met zijn toestemming in het gehuurde bevonden, aldus Woonstichting.

4. [gedaagde] betwist het door Woonstichting gestelde en hij voert als verweer - samengevat - het volgende aan. Het is onduidelijk waar de overlast uit zou bestaan, omdat er geen schriftelijke verklaringen van omwonenden zijn overgelegd, niet is onderbouwd om welke overlast het gaat en er geen schade aan het gehuurde is. Daarnaast is volgens [gedaagde] artikel 6.6. van de huurvoorwaarden vernietigbaar, omdat dit beding onredelijk bezwarend is. De bepaling is te vaag omschreven en tevens staan de gevolgen er niet bij vermeld. [gedaagde] komt tot de conclusie dat rechtvaardiging voor de ontbinding ontbreekt, omdat de enkele aanwezigheid van hennep - zonder bijkomende omstandigheden - onvoldoende is. Niet [gedaagde] , maar zijn zoon [A] is vervolgd voor alleen het in bezit hebben van hennep en niet voor het handelen daarin. [gedaagde] stelt dat zijn woonbelang dan ook zwaarder weegt dan het belang van Woonstichting bij ontbinding en ontruiming.

5. De standpunten van partijen komen hierna voor zover nodig verder aan de orde.

6. De kantonrechter overweegt als volgt. Woonstichting beroept zich op artikel 6.6. van de huurvoorwaarden die deel uitmaken van de huurovereenkomst. Nu [gedaagde] consument is, dient de kantonrechter op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie (o.a. 4 juni 2009, C 243/08) ambtshalve te beoordelen of het beding onredelijk bezwarend is. Bij de Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 inzake oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een indicatieve lijst gevoegd van mogelijk oneerlijke bedingen. Het onderhavige beding is, voor het deel dat hiervoor onder 1. is geciteerd, een beding als bedoeld in onderdeel q van de genoemde indicatieve lijst en artikel 6:236 onder k BW, nu daarmee de uit de wet voortvloeiende verdeling van bewijslast ten nadele van [gedaagde] wordt gewijzigd. In dit beding wordt immers aangenomen dat reeds sprake is van overlast door, onder meer, de enkele aanwezigheid van verdovende middelen zoals hennep. Het is dan aan [gedaagde] om daarvan tegenbewijs te leveren. Het beding is daarom onredelijk bezwarend voor zover daarin de bewijslast ten nadele van [gedaagde] wordt gewijzigd en is dus vernietigbaar.

7. Hetgeen hiervoor is overwogen brengt met zich dat niet [gedaagde] moet ontzenuwen dat hij of zijn zoon overlast heeft veroorzaakt, maar Woonstichting moet stellen en zo nodig bewijzen dat [gedaagde] of zijn zoon overlast heeft veroorzaakt. De door Woonstichting bij dagvaarding overgelegde bestuurlijke rapportage drugshandel van de politie bevat enkel informatie over meldingen van het vermoeden van hennepteelt en activiteiten rondom het schuurtje van de woning en de vondst en inbeslagname van hennep in het schuurtje van de woning. Voldoende indicatie dat dit gepaard is gegaan met overlast die de vorderingen van Woonstichting kan dragen blijkt niet uit deze rapportage. Nu verder geen onderbouwing van de gestelde overlast is gegeven, heeft Woonstichting niet aan haar stelplicht voldaan, zodat voor bewijslevering geen ruimte is. Dat sprake is (geweest) van overlast is dan ook niet komen vast te staan en daarmee evenmin een tekortkoming die de ontbinding van de huurovereenkomst met al haar gevolgen voor Mahgoub rechtvaardigt. De vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst met nevenvorderingen zal dan ook worden afgewezen.

8. Woonstichting zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de proceskosten.

de beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt Woonstichting in de kosten van het geding, welke aan de zijde van [gedaagde] tot op heden worden begroot op € 300,00 wegens salaris van de gemachtigde van [gedaagde] .

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. van Voorthuizen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 maart 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.

(MvdP)