Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:2317

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
28-11-2018
Zaaknummer
AWB 17_5921
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2019:3675, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 24 juli 2017 (bestreden besluit) van het UWV inzake de voortzetting van een eerder toegekende uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 17/5921 WIA

uitspraak van 10 april 2018 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. I.T.A. Duijs,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 24 juli 2017 (bestreden besluit) van het UWV inzake de voortzetting van een eerder toegekende uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 27 februari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger verweerder] .

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser is werkzaam geweest als projectleider bouw. Voor dat werk is hij uitgevallen vanwege een carpaal tunnelsyndroom en later bijkomende psychische klachten.

Bij besluit van 24 februari 2015 heeft het UWV aan eiser een WIA-uitkering toegekend met ingang van 24 maart 2015 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 79,07%. Na bezwaar is het arbeidsongeschiktheidspercentage aangepast naar 79,36%.

Bij brief van 19 september 2016 heeft eiser aan het UWV doorgegeven dat zijn gezondheidssituatie per november 2015 is gewijzigd.

Bij besluit van 31 januari 2017 (primair besluit) heeft het UWV aan eiser een WIA-uitkering toegekend per 2 november 2015, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 79,84%.

Eiser heeft bij brief van 10 maart 2017 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Bij het bestreden besluit zijn de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

2. In geschil is of het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 2 november 2015 heeft vastgesteld op 79,84%.

3. Eiser voert aan dat het UWV uitgaat van een onjuist klachtenbeeld, waardoor zijn belastbaarheid nog steeds niet correct is vastgesteld. Hij is van mening dat hij volledig arbeidsongeschikt is. Zijn werk als post/pakkettenbezorger bij [naam postbedrijf] heeft hij moeten opgeven, omdat er teveel verkeerd ging en klanten gingen klagen. Het UWV houdt onder andere onvoldoende rekening met de concentratieproblemen en heeft (vrijwel) geen beperkingen aangenomen in persoonlijk en sociaal functioneren. Eiser heeft verzekeringsarts [naam verzekeringsarts] gevraagd te rapporteren en verzoekt de rechtbank zijn bevindingen mee te nemen in de beoordeling van het beroep. Daarnaast heeft eiser ter onderbouwing van zijn standpunt informatie overgelegd van neuropsycholoog [naam neuropsycholoog] en revalidatiearts [naam revalidatiearts] . Tevens heeft eiser verzocht om proceskostenvergoeding.

4. In artikel 4, eerste lid, van de WIA is bepaald dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

In het tweede lid is bepaald dat in het eerste lid onder duurzaam wordt verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie.

In het derde lid is bepaald dat onder duurzaam mede wordt verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

Ingevolge artikel 5 van de WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.

Van belang is dan ook:

- of eiser medische beperkingen heeft en

- of hij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de WIA wordt de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

5.1

Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is verricht door een verzekeringsarts en een bezwaarverzekeringsarts van het UWV.

De verzekeringsarts heeft eiser gezien op het spreekuur en het dossier bestudeerd. Tevens is informatie ingewonnen bij neuroloog [naam neuroloog] . De verzekeringsarts heeft gerapporteerd dat uit de ontvangen medische informatie en eigen onderzoek blijkt dat er nog steeds sprake is van verschillende aandoeningen (ADHD, tics, in 2008 een TIA-beeld en slaapapneu), maar dat er geen verslechtering is opgetreden. Ten opzichte van de laatste beoordeling van 5 februari 2015 (bij aanvraag WIA) is de medische situatie voor wat betreft de beperkingen voor het persoonlijk en sociaal functioneren hetzelfde gebleven. Een beperking ten aanzien van het geheugen is niet aan de orde. Vanwege energetische klachten acht de verzekeringsarts een duurbeperking aangewezen van zes uur per dag wegens de nog niet adequaat behandelde slaapapneu. Gezien het dagverhaal en de matige slaapapneu is de eerder vastgestelde vier uur per dag niet meer aan de orde. De prognose is dat de duurbeperking nog kan verbeteren. Er wordt een adequate en gerichte behandeling ingezet voor de toegenomen tics en de slaapapneu, die het energieniveau kan doen toenemen. Deze behandeling zal nog enige maanden in beslag nemen. De verzekeringsarts heeft de beperkingen en de belastbaarheid van eiser neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 30 november 2016.

De bezwaarverzekeringsarts heeft de beschikbare medische gegevens, waaronder de door eiser tijdens de hoorzitting ingebrachte informatie van de psychiater drs. [naam psychiater] bestudeerd. Tevens heeft de bezwaarverzekeringsarts eiser gezien op de hoorzitting. De bezwaarverzekeringsarts heeft gerapporteerd dat er geen medische redenen zijn om af te wijken van de primaire verzekerings-medische beoordeling. De FML is meer dan passend bij de objectiveerbare stoornissen van betrokkene. De aanwezige klachten en ervaren beperkingen zijn aan de orde gesteld en er heeft een voldoende uitgebreid en op de klachten gericht medisch onderzoek plaatsgevonden. Er was voldoende informatie voorhanden om tot een weloverwogen beslissing te komen. De conclusie is gebaseerd op de in het dossier aanwezige gegevens, de anamnese, het eigen medisch onderzoek en eerder bij de curatieve sector ingewonnen aanvullende informatie. De bezwaarverzekeringsarts is van mening dat niet gesteld kan worden dat de beperkingen gezien het klachtenpatroon zijn onderschat. Eiser heeft al meerdere decennia ADHD, een nerveuze tic en slaapproblematiek, en daarnaast een status na meerdere TIA’s, die in het geheel niet geleid hebben tot neurologisch aantoonbare blijvende schade. De ervaren problemen zijn meer terug te voeren op de wat minder restauratieve slaap, de ADHD en de karakterstructuur van eiser, zoals ook de neuroloog en de psychiater aangeven. In het bezwaarschrift en tijdens de hoorzitting en observatie zijn volgens de bezwaarverzekeringsarts geen nieuwe gezichtspunten naar voren gekomen met betrekking tot de medische situatie op datum in geding, die aanleiding vormen de medische grondslag van het primaire besluit onjuist te achten.

Naar aanleiding van het beroepschrift en de bevindingen van verzekeringsarts [naam verzekeringsarts] en psycholoog [naam neuropsycholoog] heeft de bezwaarverzekeringsarts nader gerapporteerd. De bezwaarverzekeringsarts heeft opnieuw geen medische redenen om af te wijken van de primaire verzekerings-medische beoordeling. In de rapportage van [naam neuropsycholoog] ontbreken belangrijke validiteitstests, waarbij nagegaan kan worden of eiser zich voldoende inspant om tot voldoende testresultaten te komen. Uit de voornoemde rapportage zijn geen evidente en betrouwbare gezichtspunten naar voren gekomen met betrekking tot de medische situatie op datum in geding die aanleiding vormen de medische grondslag van de bestreden beslissing onjuist te achten.

5.2

Eiser heeft in beroep verzekeringsarts [naam verzekeringsarts] gevraagd te rapporteren en beroept zich op zijn bevindingen.

Verzekeringsarts [naam verzekeringsarts] concludeert in zijn rapport van 22 september 2017 dat in de FML de destijds door de primaire verzekeringsarts aangenomen maximering van de duurbelastbaarheid dient te worden gehandhaafd op vier uur per dag. Tevens dienen aan de FML beperkingen te worden toegevoegd op de aspecten vasthouden en verdelen van de aandacht, in de zin dat zulks niet langer dan vijf minuten mogelijk is. Hij acht eiser buiten staat om de geduide functies uit te oefenen voor zover daarin een werkduur van meer dan vier uur per dag aan de orde is. De functie van soldering operator (SBC 111180) is daarenboven niet passend te achten nu daarin sprake is van het vervaardigen van 60 tot 70 printplaten per dag, met een hoge complexiteit. Soortgelijke overwegingen gelden ten aanzien van de passendheid van de functies van productiemedewerker, elektronicamonteur (SBC 267040).

Naar aanleiding van de reactie van de bezwaarverzekeringsarts op zijn rapportage heeft [naam verzekeringsarts] bij brief van 11 januari 2018 nader gerapporteerd. [naam verzekeringsarts] geeft aan dat het onderzoek van psycholoog [naam neuropsycholoog] erop gericht was om mogelijke cognitieve veranderingen in relatie tot de slaapapneu en de eerder doorgemaakte TIA’s in kaart te brengen. Dat geen validiteitstests werden verricht, is te verklaren uit de beperkte onderzoeksopdracht. Dat wil niet zeggen dat eiser zich onvoldoende zou hebben ingespannen. Uit de rapportage blijkt het tegendeel. Volgens [naam verzekeringsarts] maakt de aard van de door neuroloog [naam neuroloog] uitgevoerde screeningsonderzoeken dat daarmee slechts relatief ernstige neurologische aandoeningen kunnen worden opgespoord. Overigens blijkt uit de correspondentie van de neuroloog dat die geenszins twijfelt aan eisers klachten die toegeschreven werden aan een combinatie van non-restauratieve nachtrust (slaapapneu) en ADHD. Door [naam neuropsycholoog] werd de ADHD in verband gebracht met de zeer forse aandachtsproblemen. [naam verzekeringsarts] conclusies zijn gebaseerd op dossierstudie, maar daardoor niet vertroebeld door eigen observaties van een laat tijdstip gezien de datum in geding. [naam verzekeringsarts] stelt dat een nadere motivering voor het afzwakken van de eerder aangenomen duurbelastbaarheidsbeperking ontbreekt. Niet is aangetoond dat eisers gezondheidssituatie na het onderzoek door de verzekeringsarts op 9 november 2016 en 31 januari 2017 zou zijn verbeterd.

5.3

De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Op grond van de beschikbare gegevens moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat de verzekeringsartsen bij eiser niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. Met name blijkt uit de rapportages van de verzekeringsartsen dat zij op de hoogte waren van de door eiser gestelde klachten, waaronder concentratie- en slaapproblemen en energetische klachten.

Met betrekking tot de gestelde concentratieproblemen stelt de rechtbank vast dat verzekeringsarts [naam verzekeringsarts] uitsluitend op basis van dossierstudie heeft geconcludeerd dat in de FML beperkingen moeten worden aangenomen ten aanzien van vasthouden en verdelen van de aandacht, in de zin dat zulks niet langer dan vijf minuten mogelijk is. De (bezwaar-) verzekeringsartsen daarentegen hebben zich niet beperkt tot dossierstudie, maar hebben eiser ook gezien op het spreekuur. De rechtbank is van oordeel dat uit de medische stukken in het dossier niet blijkt dat op 2 november 2015 sprake was van de door [naam verzekeringsarts] benoemde zeer ernstige beperkingen ten aanzien van het vasthouden en verdelen van de aandacht. De bezwaarverzekeringsarts heeft verwezen naar de conclusie van psychiater [naam psychiater] van november 2014 (geen aanwijzingen voor concentratiestoornissen) en naar eigen waarneming bij het onderzoek in juli 2017, waarbij evenmin aanwijzingen daartoe waren. De verzekeringsartsen benoemen dat eiser zich normaal met een motorvoertuig door het verkeer kan bewegen en tijdens onderzoek gedurende respectievelijk ruim een uur en ¾ uur geen spoor van concentratie- dan wel aandachtzwakte was te bespeuren. De rechtbank sluit daarom aan bij het standpunt van de verzekeringsartsen dat er geen aanleiding bestaat beperkingen aan te nemen ten aanzien van vasthouden en verdelen van de aandacht.

Ten aanzien van de duurbelastbaarheid overweegt de rechtbank als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser een beperking heeft ten aanzien van de duurbelastbaarheid als gevolg van een stoornis in de energiehuishouding. Eiser stelt, onder verwijzing naar [naam verzekeringsarts] , dat onvoldoende is gemotiveerd waarom niet uitgegaan wordt van een maximale belasting van vier uur per dag, zoals bij toekenning van de WIA-uitkering. De medewerker van het UWV heeft ter zitting verwezen naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 20 juli 2015 (in de procedure betreffende de toekenning van de WIA-uitkering). Daarin wordt aangegeven dat de keuze van de primaire verzekeringsarts voor een urenreductie van 50% opmerkelijk is en uitermate ruimhartig geformuleerd, zonder dat een strikte indicatie

hiervoor op energetische gronden is geïndiceerd. Dat de bezwaarverzekeringsarts op dat moment de urenbeperking heeft laten staan, is destijds in het voordeel geweest van eiser. De verzekeringsarts in dit geschil heeft op 30 november 2016 gemotiveerd dat het dagverhaal en de matige, nog niet adequaat behandelde slaapapneu aanleiding geven voor een duurbeperking van zes uur per dag. De rechtbank is van oordeel dat de duurbelastbaarheid hiermee voldoende is gemotiveerd en met de verwijzing naar het rapport van 20 juli 2015 ook voldoende is gemotiveerd hoe het komt dat er bij de aanvang van de uitkering van een duurbeperking van 4 uren is uitgegaan. Daarmee is ook de door [naam verzekeringsarts] gesignaleerde ongemotiveerde ‘wijziging’ verklaard. De stelling van eiser ter zitting dat ook sprake is van een cognitieve slaapstoornis, leidt niet tot een ander oordeel ten aanzien van de duurbelastbaarheid. Nu sprake is van een enkele stelling, zonder nadere onderbouwing, noch dat hier op 2 november 2015 al sprake van was, kan hieraan niet de waarde worden toegekend die eiser eraan toegekend wenst te zien.

De informatie die eiser in beroep heeft overgelegd geeft de rechtbank thans geen aanleiding te twijfelen aan de belastbaarheid die de verzekeringsartsen hebben aangenomen. Voor de verdere beoordeling gaat de rechtbank dan ook uit van de belastbaarheid die is neergelegd in de FML van 30 november 2016.

6.1

Het arbeidskundig onderzoek is verricht door een arbeidsdeskundige en een bezwaararbeidsdeskundige van het UWV.

Rekening houdend met de FML heeft de arbeidsdeskundige een arbeidsmogelijkhedenlijst opgesteld met voor eiser geschikte functies. Eiser wordt in ieder geval geschikt geacht voor de functies van productiemedewerker (samenstellen van producten; Sbc-code 111180), elektronica monteur (nieuwbouw en onderhoud; Sbc-code 267040) en medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten; Sbc-code 111010).

De bezwaararbeidsdeskundige heeft na eigen onderzoek geconcludeerd dat alle functies van de primair geduide drie SBC-codes passend zijn bij de krachten (belastbaarheid volgens de FML van 30 november 2016) en bekwaamheden van eiser.

6.2

[naam verzekeringsarts] acht eiser niet in staat om de geduide functies uit te oefenen voor zover daarin een werkduur van meer dan vier uur per dag aan de orde is. De functie van soldering operator (SBC 111180) is daarenboven niet passend te achten nu daarin sprake is van het vervaardigen van 60 tot 70 printplaten per dag, met een hoge complexiteit. Soortgelijke overwegingen gelden eveneens ten aanzien van de passendheid van de functies van productiemedewerker, elektronicamonteur (SBC 267040).

De rechtbank ziet geen reden om te oordelen dat de voor eiser geselecteerde functies in medisch opzicht niet passend zijn. De rechtbank verwijst naar de rapportage van de arbeidsdeskundige van 19 januari 2017 en het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 21 juli 2017. Daarin is inzichtelijk gemotiveerd dat, uitgaande van de vastgestelde beperkingen, eiser de werkzaamheden kan verrichten die verbonden zijn aan deze functies. Zijn standpunt dat hij niet in staat is de geduide functies te verrichten, vloeit voort uit zijn opvatting dat zijn medische beperkingen zijn onderschat. Zoals de rechtbank in overweging 5.3 heeft geconcludeerd is die opvatting niet juist. Daarom zal de rechtbank ervan uitgaan dat de hiervoor genoemde functies mochten worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.

6.3

Op basis van de inkomsten die eiser hiermee zou kunnen verwerven, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 79,84%. Nu eiser tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, ziet de rechtbank geen aanleiding om die conclusie onjuist te achten.

7. Uit het voorgaande volgt dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 2 november 2015 heeft vastgesteld op 79,84%. Het beroep zal dan ook ongegrond worden verklaard.

8. Nu het beroep ongegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsé, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 april 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.