Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:2217

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
04-05-2018
Zaaknummer
AWB 17_6717
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitkering Participatiewet ingetrokken en teruggevorderd, door schending inlichtingenplicht recht niet vast te stellen. Rechtbank: onderzoeksbevindingen kunnen conclusie dat er een medebewoner is niet dragen. Bestreden besluit vernietigd, primaire besluit herroepen.

Ten onrechte bewaar tegen boetebesluit niet-ontvankelijk verklaard, want er is geen bezwaar gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 17/6717 PW

uitspraak van 10 april 2018 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. J.J. Brosius,

en

het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling Samenwerking De Bevelanden, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 23 augustus 2017 (bestreden besluit) van het dagelijks bestuur inzake intrekking en terugvordering van uitkering op grond van de Participatiewet.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 6 maart 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.N. Packbier.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser ontving, laatstelijk vanaf 29 maart 2016, een uitkering op grond van de Participatiewet, als alleenstaande. Hij stond in de periode waar het bestreden besluit betrekking op heeft, in de basisregistratie personen (BRP) ingeschreven op het adres [adres] in [woonplaats] .

Het dagelijks bestuur heeft een melding ontvangen van de Inspectie SZW. Volgens die melding zou eiser op 24 juni 2016 tegenover de politie hebben verklaard dat [naam] al vijf jaar bij hem woonde. Zij zou een kamer op de bovenverdieping huren.

Naar aanleiding van die melding is een onderzoek ingesteld naar het recht op uitkering. Gesproken is met eiser en met [naam] , die in de BRP staat ingeschreven op het adres [adres2] in [woonplaats] , en er is een huisbezoek afgelegd in eisers woning. Ook is het adres [adres2] bezocht.

Bij besluit van 14 juli 2016 (primair besluit I) heeft het dagelijks bestuur eisers uitkering herzien (de rechtbank leest: ingetrokken) over de periode van 29 maart 2016 tot en met 30 juni 2016, omdat eiser niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht, als gevolg waarvan het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld. De daardoor teveel betaalde uitkering is teruggevorderd. De vordering betreft een nettobedrag van € 2.963,59.

Bij besluit van eveneens 14 juli 2016 (primair besluit II) is de uitkering beëindigd (de rechtbank leest: nogmaals ingetrokken) per 1 juli 2016.

In een brief van 18 juli 2016 is aan eiser het voornemen meegedeeld hem een boete op te leggen. Eiser heeft door middel van een e-mailbericht van zijn gemachtigde op 27 juli 2016 gereageerd op het boetevoornemen en stukken opgevraagd.

Bij besluit van 11 augustus 2016 (primair besluit III) is aan eiser een boete van € 2.350,- opgelegd.

Op 19 augustus 2016 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten I en II.

In een e-mailbericht van 30 maart 2017 heeft eisers gemachtigde kenbaar gemaakt dat het bezwaar ook was gericht tegen primair besluit III.

De Bezwaarschriften- en klachtencommissie van de Gemeenschappelijke Regeling De Bevelanden (Bezwaarschriftencommissie) heeft in zijn advies, samengevat, over de primaire besluiten I en II overwogen dat als uitgangspunt is aangenomen dat [naam] woont op eisers adres, maar dat de onderzoeksbevindingen geen toereikende grondslag bieden om te concluderen dat er voldaan wordt aan het criterium van wederzijdse zorg.

Nu niet is aangetoond dat er sprake is van wederzijdse zorg is geen sprake van een gezamenlijke huishouding. Dan kan eiser, volgens de Bezwaarschriftencommissie, niet worden tegengeworpen dat hij geen bevredigende gegevens heeft verstrekt waardoor dan het recht op bijstand niet zou zijn vast te stellen. Het college kan volgens jurisprudentie niet “uitwijken” naar de grond dat het recht op bijstand niet (langer) kan worden vastgesteld wegens het niet of onvoldoende verstrekken van inlichtingen over de woon- en leefsituatie. Volgens de Bezwaarschriftencommissie berusten de primaire besluiten I en II niet op een deugdelijke (feitelijke) grondslag.

De Bezwaarschriftencommissie heeft geadviseerd het bezwaar tegen de primaire besluiten I en II gegrond te verklaren en die besluiten in te trekken.

Voorts heeft de Bezwaarschriftencommissie overwogen dat geen bezwaar is gemaakt tegen primair besluit III. Geadviseerd is het bezwaar tegen primair besluit III niet-ontvankelijk te verklaren.

Bij het bestreden besluit heeft het dagelijks bestuur, gedeeltelijk in afwijking van het advies van de Bezwaarschriftencommissie, het bezwaar tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard en het bezwaar tegen primair besluit III niet-ontvankelijk verklaard.

2. Eiser heeft in beroep, samengevat, aangevoerd dat het dagelijks bestuur ten onrechte het advies van de Bezwaarschriftencommissie niet heeft gevolgd. Hij vraagt de aan dat advies ten grondslag gelegde overwegingen als herhaald en ingelast te beschouwen. Volgens eiser heeft het dagelijks bestuur niet aannemelijk gemaakt dat [naam] haar hoofdverblijf op eisers adres had. Het recht op uitkering is wel vast te stellen.

Tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen primair besluit III heeft eiser primair aangevoerd dat in het bezwaarschrift van 19 augustus 2016 nadrukkelijk bezwaar is gemaakt tegen de wijze van het voeren van de boeteprocedure en tegen de uitkomst er van. Subsidiair is naar voren gebracht dat de zienswijze tegen het boetevoornemen als prematuur bezwaar moet worden aangemerkt.

De intrekking en terugvordering van de uitkering

3. In artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

In artikel 54, derde lid, van de Participatiewet is bepaald dat het college een besluit tot toekenning van bijstand herziet of intrekt indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

In artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terugvordert, voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17.

4. Volgens vaste rechtspraak, zoals de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 27 februari 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:546) is een besluit tot intrekking van bijstand een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

5. Volgens het dagelijks bestuur is eisers recht op uitkering niet vast te stellen omdat hij geen duidelijkheid heeft verstrekt over de woonsituatie van [naam] op zijn adres. Eiser betwist dat [naam] op zijn adres woont. De rechtbank staat eerst stil bij de vraag of het dagelijks bestuur op toereikende gronden heeft aangenomen dat [naam] op eisers adres woont.

6. Het dagelijks bestuur heeft die aanname onder meer gebaseerd op een melding door de Inspectie SZW van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Volgens die melding hebben politieagenten op 24 april 2016 op een camping in [woonplaats] gesproken met eiser en met [naam] . Eiser zou verklaard hebben dat [naam] al vijf jaar bij hem woonde en dat hij een relatie met haar heeft gehad. [naam] zou verklaard hebben dat zij bij eiser een kamer huurde op de bovenverdieping.

Eiser heeft ontkend dat hij op 24 april 2016 een dergelijke verklaring heeft afgelegd. Hij heeft naar eigen zeggen tegenover de politieagenten verklaard dat hij [naam] al vijf jaar kende. Volgens eiser kan [naam] niet verklaard hebben dat zij bij hem woonde. Zij was tot een dergelijke verklaring niet in staat omdat zij geen Nederlands spreekt, en ook omdat zij op het punt stond door de ambulance te worden meegenomen omdat zij onwel was geworden, onder meer door overmatig alcoholgebruik.

De rechtbank overweegt dat de namen van de politieagenten niet zijn genoemd in de melding door de Inspectie SZW en dat het dagelijks bestuur niet een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal heeft overgelegd van de op 24 april 2016 gevoerde gesprekken.

Onder die omstandigheid hecht de rechtbank aan de inhoud van die melding niet meer geloof dan aan eisers weergave van het op 24 april 2016 gevoerde gesprek.

7. De opvatting van het dagelijks bestuur dat [naam] op eisers adres woonde berust voorts op de bevindingen bij het huisbezoek. Op de bovenverdieping van eisers woning is een slaapkamer aangetroffen waarin zich een met dameskleding gevulde kledingkast bevond, een laptop, make-up, alsmede de boekhouding van [naam] en haar telefoon. Eiser heeft verklaard dat zijn dochter daar af en toe slaapt, evenals [naam] .

Over de aanwezigheid van de boekhouding heeft eiser verklaard dat hij [naam] helpt met de boekhouding. Zij spreekt geen Nederlands en eiser spreekt wel Pools. Uit de rapportage blijkt niet waarom verondersteld is dat de make-up en de kleding aan [naam] toebehoren, en ter zitting is verklaard dat daar geen onderzoek naar is gedaan. De vaststelling door de onderzoekers “Dit is geen kamer die is ingericht voor een logeerpartij” is niet onderbouwd.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de onderzoeksbevindingen worden afgeleid dat van de bovenverdieping van eisers woning (mede) gebruik wordt gemaakt door een andere, vrouwelijke persoon. Die bevindingen bieden onvoldoende grondslag om aan te nemen dat dat (voornamelijk) [naam] is, of om vast te stellen hoe vaak en op welke basis zij daar verblijft.


De omstandigheid dat eiser gebruik maakt van de auto van [naam] vormt geen aanwijzing dat zij in zijn woning woont.

Nagelaten is te onderzoeken op welke adres [naam] bekend is bij haar werkgever of bij een uitkeringsinstantie, bij de huisarts, of bij de bank, en op welk adres aan haar gerichte post is geadresseerd. Evenmin is met haar gesproken in aanwezigheid van een tolk in de Poolse taal.

8. De vraag of het dagelijks bestuur op toereikende gronden heeft aangenomen dat [naam] op eisers adres woont, dient dan ook ontkennend te worden beantwoord.

9. Aan de handhaving van de primaire besluiten I en II kleeft daarom een motiveringsgebrek. Het bestreden besluit zal in zoverre worden vernietigd. Omdat het motiveringsgebrek ook kleeft aan de primaire besluiten I en II zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien en die herroepen.

De boete

10. Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, aanhef, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen eerst bezwaar te maken.

In artikel 6:5, eerste lid, van de Awb zijn enkele eisen gesteld aan de inhoud van een bezwaarschrift. Onder meer dient het een omschrijving te bevatten van het besluit waartegen het bezwaar is gericht. In het tweede lid is bepaald dat zo mogelijk een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft, wordt overgelegd.

In artikel 6:10, eerste lid, van de Awb is bepaald dat ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien het besluit ten tijde van de indiening:

a. wel reeds tot stand was gekomen, of

b. nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was.

11. Met betrekking tot de niet-ontvankelijkverklaring van een bezwaar tegen primair besluit III staat de rechtbank stil bij de vraag of bezwaar is gemaakt tegen dat besluit.

12. Eiser heeft op 19 augustus 2016 een bezwaarschrift ingediend dat is gericht “tegen uw besluit d.d. 14 juli 2016, verzonden 18 juli 2016 (prod.1) en uw besluit d.d. 14 juli 2016, op 2 augustus 2016 als “worddocument” per e-mail verzonden naar de beschermingsbewindvoerder van cliënt (prod.2).” De bezwaren zijn uiteengezet onder drie kopjes: ‘Intrekkingsbesluit’, ‘Beëindiging per 1 juli 2016’ en ‘Terugvordering’. Gevraagd is om aan eiser uitkering te verstrekken over de periodes op en na 29 maart 2016 en om een vergoeding van kosten van rechtsbijstand.

De rechtbank leidt uit het bezwaarschrift niet af dat het mede gericht was tegen primair besluit III. Er was daarom voor het dagelijks bestuur geen aanleiding om eiser in de gelegenheid te stellen een verzuim te herstellen.

13. Met betrekking tot de beroepsgrond dat de zienswijze tegen het boetevoornemen als prematuur bezwaar tegen primair besluit III moet worden aangemerkt overweegt de rechtbank dat eiser met zijn e-mailbericht van 27 juli 2016 een zienswijze heeft ingediend, niet een bezwaarschrift. Alleen al omdat eiser vroeg om in de gelegenheid te worden gesteld de zienswijze op het voornemen nader te formuleren kan hij niet hebben gemeend dat het besluit al tot stand was gekomen.

14. Ter zitting is namens het dagelijks bestuur verklaard dat het e‑mailbericht van 30 maart 2017 als bezwaarschrift tegen primair besluit III is aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte. In dat e-mailbericht wordt geen bezwaar gemaakt, maar wordt uitgegaan van de (onjuiste) veronderstelling dat het bezwaarschrift tegen de primaire besluiten I en II mede gericht was tegen primair besluit III.

15. De rechtbank concludeert dat geen bezwaar is gemaakt tegen primair besluit III. Het dagelijks bestuur heeft daarom ten onrechte een bezwaar tegen primair besluit III niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank zal het bestreden besluit ook in zoverre vernietigen.

16. Ten overvloede geeft de rechtbank het dagelijks bestuur in overweging om primair besluit III ambtshalve in heroverweging te nemen, rekening houdend met de in overweging 8 bereikte conclusie.

Slotoverwegingen

17. Met het oog op de in de overwegingen 9 en 16 bereikte conclusies zal het beroep gegrond worden verklaard.

18. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed.

19. De rechtbank zal het dagelijks bestuur veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.004,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift tegen de primaire besluiten I en II en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501, en wegingsfactor 1). Eisers reis- en verblijfskosten stelt de rechtbank, overeenkomstig zijn opgave, vast op € 15,90. De totale proceskostenveroordeling bedraagt derhalve € 2.019,90.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept de primaire besluiten I en II;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt het dagelijks bestuur op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.019,90.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsé, voorzitter, en mr. P.H.J.G. Römers en mr. S.A.M.L. van de Sande, leden, in aanwezigheid van mr. P. Oudkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 april 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.