Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:216

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
09-01-2018
Datum publicatie
17-01-2018
Zaaknummer
AWB 17_4238
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten. Het college voert het beleid dat voorafgaand aan de aanvraag toestemming moet worden gevraagd aan de consulent schuldhulpverlening van de gemeente. Als deze toestemming niet wordt gevraagd, dan wordt budgetbeheer van de gemeente aangemerkt als een voorliggende voorziening en wordt slechts 75% van de bewindvoeringskosten vergoed. De rechtbank neemt de beschikking van de kantonrechter tot onderbewindstelling als uitgangspunt. Budgetbeheer van de gemeente is geen voorliggende voorziening. De rechtbank bepaalt dat het college 100% van de bewindvoeringskosten dient te vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 17/4238 PW

uitspraak van 9 januari 2018 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder in het bewind over de goederen van [naam belanghebbende] (belanghebbende), te [vestigingsplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. B.J. van de Wijnckel,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 23 mei 2017 (bestreden besluit) van het college inzake de afwijzing van de ten behoeve van belanghebbende ingediende aanvraag om bijzondere bijstand.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 15 december 2017. Deze zaak is gelijktijdig behandeld met een ander beroep van eiseres (BRE 17/4236 PW). Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger] .

Overwegingen

1. Bij beschikking van 13 augustus 2015 heeft de kantonrechter van deze rechtbank bewind ingesteld over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan belanghebbende. Daarbij is eiseres als bewindvoerder benoemd.

2. Belanghebbende heeft een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand in verband met de maandelijkse kosten van bewindvoering.

3. Bij besluit van 17 februari 2017 (primair besluit) heeft het college bijzondere bijstand toegekend aan belanghebbende, te weten 75% van de bewindvoeringskosten over de periode van 1 december 2016 tot en met 30 november 2017. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit, omdat zij van mening is dat de volledige kosten vergoed dienen te worden.

4. Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard, onder verwijzing naar de nota van inlichtingen van de commissie voor de bezwaarschriften.

5. Het college stelt zich in het bestreden besluit, samengevat, op het volgende standpunt. De rechtbank heeft de bewindvoering uitgesproken op 13 augustus 2015. Daarmee staat de bewindvoering vast en daarmee ook de noodzaak om bijzondere bijstand te verlenen. Er is evenwel een voorliggende voorziening in de vorm van budgetbeheer via de gemeente. Op grond van de Beleidsregels Bijzondere Bijstand 2015 wordt, als geen gebruik wordt gemaakt van de voorliggende voorziening, maximaal 75% van de bewindvoeringskosten vergoed. Eiseres is bij brief van 9 januari 2015 op de hoogte gesteld van deze beleidsregels. Eiseres had voorafgaand aan de aanvraag bijzondere bijstand toestemming moeten vragen aan de afdeling Schuldhulpverlening en Budgetbeheer. Eiseres heeft echter geen contact opgenomen met de consulent schuldhulpverlening, zodat slechts 75% van de kosten is vergoed. Volgens jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) ligt het op de weg van de aanvrager van bijzondere bijstand om aannemelijk te maken dat een voorliggende voorziening niet passend of toereikend is. Belanghebbende heeft nagelaten dit aan de hand van verifieerbare gegevens aan te tonen. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een dringende reden zoals bedoeld in artikel 16 van de Participatiewet.

6. Eiseres voert in beroep, kort samengevat, het volgende aan. Het gemeentelijk beleid is in strijd met de geldende wet- en regelgeving en met staande jurisprudentie. Het beleid dient dan ook buiten toepassing te worden gelaten en de kosten van bewindvoering dienen volledig te worden vergoed.

Voorliggende voorziening

7. Er bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn (artikel 15 van de Participatiewet).

8. Partijen verschillen van mening over de vraag of budgetbeheer via de gemeente een toereikende en passende voorziening is voor belanghebbende.

9. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval.

De rechtbank stelt voorop dat budgetbeheer geen gelijkwaardig alternatief is voor (beschermings)bewind. In dit geval heeft de kantonrechter bewind ingesteld vanwege de lichamelijke of geestelijke toestand van belanghebbende. Uit jurisprudentie van de CRvB volgt dat het college is gebonden aan de beschikking van de kantonrechter en dat de noodzaak tot onderbewindstelling voor het college uitgangspunt dient te zijn (ECLI:NL:CRVB:2001:AD3836 en ECLI:NL:CRVB:2017:2403). In laatstgenoemde uitspraak heeft de CRvB bovendien gewezen op het uitgangspunt dat het beschermingsbewind niet verder ingrijpt dan noodzakelijk en dat de zelfredzaamheid van personen zoveel mogelijk wordt bevorderd. Het feit dat de kantonrechter onderbewindstelling noodzakelijk heeft geacht, brengt met zich mee dat budgetbeheer ten tijde van de beslissing van de kantonrechter geen toereikende en passende voorziening was voor belanghebbende.

Conclusie

10. Het college heeft ten onrechte tegengeworpen dat er sprake is van een voorliggende voorziening. Het beroep zal dan ook gegrond worden verklaard en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien.

11. Tussen partijen is niet in geding dat de kosten van bewindvoering zich voordoen, dat deze kosten in het individuele geval noodzakelijk zijn en dat deze kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ook is niet in geschil dat deze kosten niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Dit betekent dat wordt voldaan aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor bijzondere bijstand (artikel 35 van de Participatiewet). Daarnaast is niet gesteld of gebleken dat er andere beletselen zijn op grond waarvan de kosten van bewindvoering niet voor vergoeding in aanmerking zouden komen.

12. De rechtbank stelt vast dat het college 75% van de bewindvoeringskosten heeft vergoed met verwijzing naar haar beleid. Dit beleid houdt in dat, indien er geen gebruik wordt gemaakt van een voorliggende voorziening – en als aan de overige voorwaarden wordt voldaan – er maximaal 75% van de bewindvoeringskosten wordt vergoed. Dit beleid is buitenwettelijk, aangezien er in geval van een voorliggende voorziening eigenlijk geen recht op bijstand zou bestaan (artikel 15 van de Participatiewet). Nu er in dit geval geen sprake is van een voorliggende voorziening, is het buitenwettelijk beleid echter niet aan de orde.

13. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat het college 100% van de bewindvoeringskosten dient te vergoeden over de periode van 1 december 2016 tot en met 30 november 2017.

14. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed.

15. De rechtbank zal het college veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 501,-. De rechtbank verwijst daarbij naar het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb). Er wordt 1 punt toegekend voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting. De rechtbank bepaalt de waarde per punt op een bedrag van € 501,-, acht het gewicht van de zaak gemiddeld, en vermenigvuldigt het bedrag met 0,5 omdat er sprake is van een samenhangende zaak (BRE 17/4236 PW) in de zin van artikel 3, eerste lid, van het Bpb (en onderdeel C2 van de bij het Bpb behorende bijlage).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat het college 100% van de bewindvoeringskosten dient te vergoeden over de periode van 1 december 2016 tot en met 30 november 2017;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 501,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, voorzitter, en mr. D. van Kralingen en mr. R.A. Karsten-Badal, leden, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.