Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:2089

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-04-2018
Datum publicatie
20-07-2018
Zaaknummer
6688219
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Voorlopige voorziening
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Kort Geding – relatiebeding – gelding beding – spoedeisend belang – belangenafweging – voorschot schade.

Voor twee ex-werknemers geldt een gelijkluidend relatiebeding. Na belangenafweging worden voorzieningen t.a.v. de meewerkend voorman gegeven en t.a.v. de steigerinpakker geweigerd. Weliswaar heeft de voorman onder dreiging met ontslag op staande voet getekend voor het einde van zijn dienstverband, maar de werkgever kan daarvan geen verwijt worden gemaakt omdat de voorman financiële onregelmatigheden had begaan. Het argument dat de voorman de vaststellingsovereenkomst niet heeft begrepen, wordt verworpen, aangezien hij ex art. 7:670b BW binnen veertien dagen had kunnen ontbinden, maar dat niet heeft gedaan. De voorman had destijds alle aanleiding om rechtsbijstand te zoeken en de termijn van veertien dagen is in de vaststellingsovereenkomst vermeld. De voorman kan daarom worden gehouden aan het relatiebeding.

Omdat de voorman een sommatie na constatering van de overtreding van het relatiebeding naast zich neer heeft gelegd, heeft de werkgever voldoende spoedeisend belang bij een bevel en gebod als gevorderd.

Het is duidelijk dat de werkgever zijn schade op een veel te hoog bedrag stelt, zodat een voorschot wordt geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0856
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster I Civiele kantonzaken

Zittingsplaats: Middelburg

zaak/rolnr.: 6688219 / VV18-10

vonnis van de kantonrechter d.d. 4 april 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap

Quality Steigers & Sealing B.V.,

gevestigd te Rijen, gemeente Gilze en Rijen,

eisende partij in conventie,

gedaagde partij in reconventie,

verder te noemen: QSS,

gemachtigde: mr. D.F.M. Snelder, advocaat te Breda,

t e g e n :

[A] ,

wonende te [woonplaats] , en

[B] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik, advocaat te Den Haag,

het verloop van de procedure

De procedure is als volgt verlopen:

- dagvaardingen van 5 en 9 maart 2018,

- conclusies van antwoord, houdende een voorwaardelijke eis in reconventie,

- mondelinge behandeling ter zitting van 22 maart 2018.

Beide partijen hebben producties in het geding gebracht.

de beoordeling van de zaak

feiten

1.1.

De activiteiten van de onderneming van QSS bestaan uit het (laten) inpakken van steigers en grote objecten met krimpfolie of steigernetten, het plaatsen van inklimbeveiligingen en desgewenst ook steigers en het leveren van benodigde zaken, zoals krimpfolie.

1.2.

[A] is van 4 juni 2014 tot 1 oktober 2017 als voorman in dienst geweest bij QSS en haar rechtsvoorganger. Op het laatst bedroeg zijn basis uurloon € 17,48 bruto, exclusief emolumenten, bij een werkweek van 32 uren. Bij dat aantal uren bedraagt het bruto basismaandloon € 2.423,89. In een gesprek op 28 augustus 2017 is [A] door QSS ter verantwoording geroepen voor een aantal onregelmatigheden, waarvoor [A] op non-actief gesteld was door QSS. Dat heeft geleid tot een schriftelijke vaststellingsovereenkomst, die QSS en [A] op 31 augustus 2017 hebben ondertekend. Die houdt in dat partijen de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden beëindigen per 1 oktober 2017 en dat [A] kosten en teveel betaalde uren in twaalf maandtermijnen zal terugbetalen tot een totaal van € 4.538,77. Punt 7.1. van de vaststellingsovereenkomst houdt in dat postcontractuele verplichtingen ten aanzien van geheimhouding, concurrentie, etc. onverminderd van kracht blijven conform de arbeidsovereenkomst. [A] heeft geen gebruik gemaakt van zijn recht ex art. 7:670b BW om de vaststellingsovereenkomst te ontbinden.

1.3.

[B] is van 28 oktober 2015 tot 20 december 2017 als algemeen medewerker in dienst geweest van QSS. Eind oktober 2016 bedroeg het loon van [B] € 1.916,38 bruto per maand, exclusief emolumenten, bij een werkweek van 32 uur. [B] heeft schriftelijk opgezegd. QSS heeft de opzegging op 9 november 2017 ontvangen en dat bij brief van diezelfde datum aan [B] bevestigd met de waarschuwing dat het [B] gelet op art. 12 van de arbeidsovereenkomst niet is toegestaan om elders werkzaamheden te verrichten vóór het einde van het dienstverband met QSS.

1.4.

De arbeidsovereenkomsten van [A] en [B] bevatten in artikel 13 eenzelfde relatiebeding dat als volgt luidt:

“Na beëindiging van het dienstverband zal werknemer zich voor een periode van 1 jaar er strikt van onthouden om – al dan niet voor zichzelf en/of voor derden – relaties en/of opdrachtgevers van werkgever – direct of indirect – te benaderen en/of met hen – op welke wijze dan ook – zaken te doen en/of contacten te onderhouden. Voorts is het werknemer verboden om binnen genoemde periode bij hen in dienst te treden.”

1.5.

QSS heeft met een aangetekende brief d.d. 10 november 2017 aan [A] meegedeeld dat QSS heeft vernomen dat [A] onlangs als ondernemer leveranciers van QSS benaderd heeft om lijm te kopen. QSS heeft [A] gewaarschuwd dat dat vanwege het relatiebeding verboden is, aansprakelijk gesteld voor schade en gesommeerd zich in de toekomst te onthouden van het benaderen van opdrachtgevers, leveranciers en/of andere relaties van QSS.

1.6.

Iemants Steel Constructions N.V. (verder: Iemants) is een Belgisch staalconstructie-bedrijf dat deel uitmaakt van de internationaal actieve groep Smulders. Met bescheiden is aangetoond dat Iemants een zeer belangrijke relatie van QSS is. Tijdens hun dienstverband met QSS hebben [A] en [B] regelmatig gewerkt op projecten van Iemants.

1.7.

Op 20 februari 2018 heeft [C] , directeur van QSS, vastgesteld dat [A] en [B] al 2,5 week inpakwerk verrichtten bij Damen Shipyard te Vlissingen op een project van Iemants, genaamd Deutsche Bucht. Op 27 februari 2018 heeft QSS aan [A] en [B] ieder een aangetekende brief gezonden. Daarin wordt beiden meegedeeld dat de werkzaamheden op de werf van Damen Shipyard in strijd zijn met het relatiebeding en dat QSS hierdoor een schade lijdt van € 54.625,-. Beiden worden gesommeerd dat bedrag te betalen, de werkzaamheden voor Iemants direct te staken en schriftelijk te bevestigen dat het relatiebeding onverkort zal worden nagekomen.

1.8.

[A] heeft rechtsbijstand gezocht. E. Karagoz, senior juridisch adviseur bij DV Consulting & Management te Den Haag, heeft met een e-mail d.d. 3 maart 2018 namens [A] gereageerd op de brief d.d. 27 februari 2017. Deze houdt kort samengevat in dat de standpunten van QSS niet, althans onvoldoende onderbouwd zijn om correct verweer te kunnen voeren en dat [A] dan ook zijn werkzaamheden onverminderd zal voortzetten.

de vorderingen

2.1.

QSS heeft in kort geding de volgende voorzieningen gevorderd:

A. een bevel alle activiteiten voor Iemants en daarmee gelieerde ondernemingen te staken op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag;

B. een gebod tot nakoming van het relatiebeding op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag;

C. de hoofdelijke veroordeling van [A] en [B] tot betaling van een voorschot op schadevergoeding ad € 54.625,- met rente.

2.2.

Gedaagden hebben betwist dat QSS een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorzieningen. Voorts hebben zij betwist dat QSS schade heeft geleden en dat zij met hun werkzaamheden bij Damen Shipyard te Vlissingen een relatiebeding hebben overtreden.

Voorwaardelijk, voor het geval het relatiebeding toch van toepassing wordt geoordeeld, hebben zij ieder in reconventie gevorderd:

D. schorsing van het relatiebeding zolang een nog te entameren bodemprocedure zal lopen;

E. een voorschot op schadevergoeding voor gederfde arbeidsuren ad € 5.000,-, en

F. een verbod van laster en bespreken van de arbeidsrechtelijke situatie met derden, zolang een nog te entameren bodemprocedure zal lopen.

Coston

3.1.

Eerst in dit geding hebben gedaagden gesteld dat zij bij Damen Shipyard te Vlissingen werkten en werken als onderaannemer van Coston Steigers B.V (verder: Coston). Daarbij is, zakelijk weergegeven, aangevoerd:

Gedaagden werkten met hun eenmansbedrijven al voor Coston bij andere opdrachtgevers, toen Iemants Coston inschakelde. Gedaagden werden toen tewerkgesteld op het project Deutsche Bucht van Iemants bij Damen Shipyard te Vlissingen. Het is Coston die de materialen (krimpfolie) bestelde voor dat project.

QSS heeft dat tegengesproken en gesteld dat ervan uit moet worden gegaan dat gedaagden beiden rechtstreeks voor Iemants werkzaam waren en zijn op dat project.

3.2.

Gedaagden hebben als productie 1 een afdruk van twee e-mails overgelegd. Op 9 maart 2018 heeft Coston naar aanleiding van dit kort geding een aantal vragen voorgelegd aan [E] , werkzaam bij de Smuldersgroep, waartoe Iemants behoort. [E] heeft de vragen beantwoord per email d.d. 11 maart 2018 en daarbij vooropgesteld dat Smulders (en Iemants) hierin niet betrokken is want: “Dit is een geschil tussen QSS en Coston”

Hieruit wordt vooralsnog afgeleid dat gedaagden bij Damen Shipyard te Vlissingen niet werkten en werken in opdracht van Iemants.

3.3.

Maar gedaagden zijn, gelet op wat zij zelf aanvoeren, wel te beschouwen als onderaannemers van Iemants. Hieruit volgt dat gedaagden met hun eenmansbedrijven voor een derde, namelijk Coston, indirect zaken hebben gedaan en doen met een zeer belangrijke relatie van QSS, namelijk Iemants.

uitleg relatiebeding

4. Gedaagden hebben aangevoerd dat zij geen relaties van QSS benaderd hebben en dat het relatiebeding alleen het benaderen van relaties verbiedt en niet het werken voor relaties. In deze uitleg van het relatiebeding worden gedaagden niet gevolgd. Het relatiebeding verbiedt het benaderen van relaties en/of het zaken doen met relaties en/of het onderhouden van contacten met relaties. Elk van deze drie activiteiten afzonderlijk is hiermee verboden. Onder “zaken doen met relaties” moet zeker wel begrepen worden het werken tegen een beloning. Gedaagden hebben dat indirect gedaan via een derde, namelijk Coston. Ook dat valt onder het relatiebeding.

ten aanzien van [A]

beding geldend?

5.1.

[A] heeft erop gewezen dat het relatiebeding is opgenomen in een arbeidscontract van hem met Quality Steigers & Sealing VOF. Ter zitting is uitgelegd dat die vennootschap onder firma is omgezet (ingebracht) in de besloten vennootschap QSS. Dat is niet, althans onvoldoende weersproken. Daarom wordt vastgesteld (zie ook 1.2 eerste volzin) dat [A] in dienst is getreden bij een rechtsvoorganger van QSS. De omzetting in een besloten vennootschap op zichzelf noopte niet het relatiebeding opnieuw overeen te komen. Niet gesteld of gebleken is dat het relatiebeding zwaarder ging drukken. Bij het einde van het dienstverband was het relatiebeding tussen QSS en [A] nog geldend.

5.2.1.

[A] heeft aangevoerd dat QSS aan hem het relatiebeding niet mag tegenwerpen vanwege de wijze waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. [A] ziet het zo dat QSS jegens hem ernstig verwijtbaar gehandeld heeft, waardoor de arbeidsrelatie zodanig verstoord raakte dat er geen andere uitweg was dan de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Een ontslag op staande voet werd binnen twee dagen omgezet in een vaststellingsovereenkomst. Het werken is hem door QSS onmogelijk gemaakt.

Desgevraagd heeft de gemachtigde van [A] ter zitting meegedeeld dat geen beroep op misbruik van omstandigheden is beoogd.

5.2.2.

[A] wordt in dit argument niet gevolgd. Vast staat dat [A] door QSS op non-actief is gesteld wegens onregelmatigheden. Nadat QSS [A] daarop had aangesproken zijn zij kort daarna een vaststellingsovereenkomst met elkaar aangegaan tot beëindiging van de arbeids-overeenkomst. Onderdeel van de vaststellingsovereenkomst is dat [A] maar liefst € 4.538,77 diende terug te betalen aan QSS. Ter zitting heeft [A] meegedeeld dat hij de maandelijkse termijnen nog steeds betaalt. Uit de terugbetaling van voormeld bedrag, zoals dat in de vaststellingsovereenkomst is gespecificeerd, wordt afgeleid dat [A] inderdaad verwijt treft voor onregelmatigheden.

Ter zitting is van de zijde van QSS meegedeeld dat QSS ontslag op staande voet had kunnen geven, maar niet zo ver heeft willen gaan. Aldus is weersproken dat QSS aan [A] ontslag op staande voet heeft gegeven en dat is niet komen vast te staan. Aannemelijk is wel dat [A] destijds van de zijde van QSS is meegedeeld dat hij in aanmerking kwam voor een ontslag op staande voet wegens de geconstateerde onregelmatigheden. Uiteraard heeft dit gegeven [A] sterk onder druk gezet om toe te geven aan de wens van QSS om de arbeidsovereenkomst te beëindigen, maar daar kan [A] QSS geen verwijt van maken, integendeel.

5.3.1.

[A] heeft aangevoerd dat hij de vaststellingsovereenkomst niet heeft getekend met “informed consent” en heeft daarbij, samengevat, aangevoerd:

[A] heeft geen jurist kunnen raadplegen. [A] voelde zich overrompeld door het strafontslag en had geen benul wat hij tekende.

5.3.2.

Ook hierin wordt [A] niet gevolgd. [A] had gelet op de ernst van de situatie rechtsbijstand kunnen zoeken, maar heeft dat kennelijk niet gedaan. Indien hij niet heeft begrepen wat hij precies ondertekende, dan had hij na ondertekening alsnog rechtsbijstand kunnen zoeken. Ex art. 7:670b BW had hij de ondertekende vaststellingsovereenkomst binnen veertien dagen zonder opgaaf van redenen kunnen ontbinden. De termijn van veertien dagen en de wetsbepaling zijn in punt 11.2 van de vaststellingsovereenkomst vermeld. [A] heeft niet ontbonden en daaraan zal niet vreemd zijn dat hij destijds heeft ingezien dat hem verwijt trof voor onregelmatigheden.

5.4.

[A] heeft aangevoerd dat in de vaststellingsovereenkomst niet uitdrukkelijk wordt verwezen naar het relatiebeding in de arbeidsovereenkomst. Maar dat is rechtens niet vereist. Overigens houdt punt 7.1. van de vaststellingsovereenkomst in dat postcontractuele verplich-tingen ten aanzien van geheimhouding, concurrentie, etc. onverminderd van kracht blijven conform de arbeidsovereenkomst. Hiermee wordt onmiskenbaar mede gedoeld op het relatiebeding. Dat [A] geen jurist is en dat niet begrepen heeft, komt voor zijn rekening. Hij had alle aanleiding om destijds rechtsbijstand te zoeken, maar heeft dat niet gedaan.

5.5.

Gelet op het voorgaande wordt verworpen dat voor [A] het relatiebeding niet zou gelden, althans dat hij daaraan in redelijkheid niet zou mogen worden gehouden.

belangenafweging

6.1.

Subsidiair heeft [A] aangevoerd dat toepassing van een relatiebeding onredelijk bezwarend is. Hierbij is, zakelijk weergegeven, aangevoerd:

Het beding bevat geen ruimtebeperking. Ook is er geen boetebeding. Uit niets blijkt dat [A] een sanctie van die omvang kon accorderen. Het beding heeft een te ruime omschrijving in aanmerking genomen de functie van [A] van steigerinpakker. Voor die functie is een relatiebeding volkomen overbodig en aanvechtbaar.

6.2.

Indien [A] heeft beoogd een beroep te doen op art. 6:233 BW faalt dat beroep, omdat het hier niet gaat om algemene voorwaarden, terwijl er bovendien een specifieke regeling van toepassing is op het relatiebeding, namelijk die van art. 7:653 BW.

Ingevolge lid 3 kan de rechter het beding vernietigen wanneer het niet noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfsbelangen. Voorts kan de rechter het beding geheel of gedeeltelijk vernietigen wegens onbillijke benadeling van de werknemer in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever.

6.3.

[A] is niet slechts een steigerinpakker. Hij was bij QSS meewerkend voorman. In zijn arbeidsovereenkomst met QSS (art. 5.1.) staat dat hij in zijn functie belast is met het aansturen van werken. Ter zitting is gebleken dat hij daarin zelfstandig opereerde. Hij organiseerde het werk en stond in contact met de voormannen van andere bedrijven. Ter zitting heeft [C] van QSS meegedeeld dat [A] een bedrijfstelefoon van QSS ter beschikking had met daarin de telefoonnummers en emailadressen van de contactpersonen van veel van de ongeveer 80 klanten van QSS. Dit is door [A] ter zitting erkend, althans niet weersproken. Wel heeft hij ontkend dat hij die gegevens bij het einde van het dienstverband met QSS gekopieerd heeft. Voorts heeft [C] ter zitting meegedeeld dat [A] op de hoogte was van prijzen voor klanten. [A] heeft ter zitting meegedeeld dat hij geen exacte prijzen weet van krimpfolie, maar wel de leveranciers ervan kent.

6.4.

Gelet op een en ander moest [A] door de kennis die hij in zijn functie van voorman in dienst van QSS omtrent klantrelaties van QSS had verworven, wel degelijk in staat worden geacht gedurende enige tijd na het einde van dat dienstverband relaties van QSS uit te spannen. Het voorkomen van dat laatste is door QSS aangevoerd als een zwaarwegend bedrijfsbelang. Vooralsnog kan niet worden aangenomen dat de rechter in een eventuele bodemprocedure het relatiebeding zou vernietigen wegens het ontbreken van een zwaarwegend bedrijfsbelang.

6.5.

Evenmin is het aannemelijk dat [A] onbillijk wordt benadeeld in verhouding tot het te beschermen belang van QSS bij de handhaving van het relatiebeding. Het relatiebeding verbiedt [A] geenszins om als zzp-er of in loondienst werkzaam te zijn als steigerinpakker en eventueel als voorman, maar wel om relaties van QSS te benaderen en/of met hen zaken te doen, direct of indirect. QSS is een klein bedrijf met circa 80 klantrelaties. [A] doet het nu wel voorkomen dat het relatiebeding hem het ontwikkelen van zichzelf en zijn bedrijf verhindert, maar dat is in het licht van het voorgaande onvoldoende onderbouwd en wordt daarom niet aanvaard. Vooralsnog kan niet worden aangenomen dat de rechter in een eventuele bodemprocedure het relatiebeding zou vernietigen wegens onbillijke benadeling van de werknemer.

6.6.

Hier komt dan nog bij dat [A] moet gelden als een gewaarschuwd man. Ter zitting heeft [A] meegedeeld dat hij de aangetekende brief van QSS d.d. 10 november 2017 destijds niet heeft ontvangen. Maar ter zitting is aangetoond dat de aangetekende brief na vergeefse aanbieding door [A] niet is afgehaald. Dat komt geheel voor zijn rekening. Gelet op art. 3:37 lid 3 BW heeft de waarschuwing met sommatie van QSS in die brief (zie 1.5) haar werking jegens [A] .

6.7.

Ter zitting heeft [A] erkend dat hij goed wist dat Iemants een relatie is van QSS. Hij heeft voorts meegedeeld dat het niet bij hem is opgekomen dat het relatiebeding hem werken ten behoeve van Iemants verbood. Dat laatste mag wellicht zo zijn, maar [A] had rechtens wel bewust behoren te zijn van dat verbod. In ieder geval mocht [A] de sommatie van QSS bij de brief van 27 februari 2018 niet naast zich neerleggen. Vanaf dat moment had hij de werkzaamheden bij Damen Shipyard te Vlissingen direct moeten staken, maar hij heeft dat niet gedaan.

spoedeisend belang bevel en gebod

7.1.

Gedaagden hebben erop gewezen dat QSS de opdracht voor het project Deutsche Bucht niet heeft verworven. Of [A] daar een rol in gehad heeft is niet bekend, maar dat behoeft QSS ook niet aan te tonen. Een relatiebeding voorkomt nu juist dat de werkgever achteraf de moeizame weg van onrechtmatige daad zou moeten bewandelen. Ook al kan het gevorderde bevel en gebod (A. en B.) niet bewerkstelligen dat QSS alsnog de opdracht voor het project Deutsche Bucht zal binnenhalen, toch heeft QSS een zwaarwegend belang bij het gevorderde bevel en gebod, namelijk om [A] ervan te doordringen dat hij aan het relatiebeding is gebonden. [A] heeft de sommatie bij brief van 27 februari 2018 naast zich neer gelegd, terwijl hij moet gelden als een gewaarschuwd man. Daarom zijn beide vorderingen voldoende spoedeisend voor voorzieningen in kort geding.

7.2.

Aangezien niet vast staat dat alle aan Iemants gelieerde ondernemingen relaties zijn van QSS, is dat onderdeel van het gevorderde bevel niet toewijsbaar. In plaats daarvan zal [A] worden bevolen alle activiteiten direct of indirect (voor zichzelf en/of voor derden) ten behoeve van Iemants te staken.

7.3.

Voor de dwangsom wordt ongeveer driemaal het basisloon van [A] bij QSS van (8 x € 17,48 =) € 139,84 per dag aangehouden. De dwangsom komt daarmee uit op € 420,- per dag. De dwangsommen zullen worden gebonden aan een maximum van € 10.000,-.

schadevoorschot

8. [A] heeft de vordering (C.) van een voorschot op schadevergoeding goed gemotiveerd bestreden. QSS stelt die schade op het bedrag dat zij aan QSS zou hebben kunnen factureren wanneer QSS de opdracht voor het project Deutsche Bucht zou hebben gekregen van Iemants. QSS brengt hierbij de aanzienlijke kosten van de uitvoering van die opdracht niet in mindering. Voorts gaat QSS eraan voorbij dat niet slechts [A] en [B] maar ook anderen op het project Deutsche Bucht werkten en werken. Het is duidelijk dat QSS haar schade op een veel te hoog bedrag stelt. Tenslotte heeft [A] het causale verband tussen de overtreding van het relatiebeding door [A] en de gestelde schade van QSS bestreden met de inhoud van productie 1, de reeds vermelde (zie 3.2.) email d.d. 11 maart 2018 van [E] . Gelet op een en ander bestaat er omtrent de vordering tot schadevergoeding van QSS in dit kort geding zoveel onzekerheid, dat een voorziening in de vorm van een voorschot moet worden geweigerd.

reconventie

9.1.

Vooralsnog is niet geheel uit te sluiten dat het relatiebeding van [A] op enigerlei wijze zou moeten worden beperkt, maar dat behoort aan de orde te worden gesteld vóórdat het relatiebeding overtreden wordt. Het belang om [A] ervan te doordringen dat hij aan het relatiebeding is gebonden, staat aan een schorsing daarvan in de weg. De reconventionele vordering tot schorsing (D.) moet worden afgewezen. [A] zou blijkens die vordering wel een bodemprocedure willen entameren teneinde het relatiebeding geheel of gedeeltelijk te doen vernietigen. Dat staat hem vrij, maar voor dit geding is hij daarmee te laat.

9.2.

[A] heeft een voorschot ad € 5.000 (E.) gevorderd als schadevergoeding voor daadwerkelijk gederfde arbeidsuren. Hierbij doelt [A] op arbeidsuren voor het moeten voeren van deze procedure, los van de aan de gemachtigde te betalen kosten c.q. proceskosten. Deze vordering moet reeds worden afgewezen omdat QSS jegens [A] niet onrechtmatig heeft gehandeld door hem in kort geding te doen dagvaarden. Dat spreekt te meer nu QSS jegens [A] grotendeels in het gelijk wordt gesteld.

9.3.

Dat QSS laster omtrent [A] zou verspreiden is niet onderbouwd. Onvoldoende is onderbouwd waarom QSS zou moeten worden verboden de arbeidsrechtelijke situatie van [A] met derden te bespreken. De vordering (F.) daartoe wordt afgewezen.

proceskosten

10. [A] moet worden beschouwd als de jegens QSS in het ongelijk gestelde partij. [A] zal daarom worden verwezen in de proceskosten van QSS. De helft van het vast recht van dit geding ad € 952,- en de helft van het salaris van de gemachtigde van QSS worden toegerekend aan het geschil tussen QSS en [A] . Voor het salaris van de gemachtigde van QSS worden drie punten à € 300,- begroot. Voor proceskosten tot aan dit vonnis dient [A] te vergoeden:

- exploit dagvaarding d.d. 5 maart 2018 € 109,07

- helft vast recht € 476,00

- helft salaris gemachtigde QSS € 450,00

totaal € 1.035,07

ten aanzien van [B]

11.1.

Ten aanzien van [B] kan de kantonrechter kort zijn. [B] is een steigerinpakker. Door zijn voormalige werkkring bij QSS beschikt hij niet over gevoelige informatie. Niet kan worden aangenomen dat hij de klantenkring van QSS voldoende kent, laat staan dat hij van zulke kennis gebruik zou kunnen maken. [B] beheerst de Nederlandse taal daarvoor niet voldoende. Gelet op een en ander kan niet worden aanvaard dat er een reëel gevaar bestaat dat hij relaties van QSS zal uitspannen. Vooralsnog kan worden aangenomen dat de rechter in een eventuele bodemprocedure het relatiebeding van [B] zal vernietigen wegens het ontbreken van een zwaarwegend bedrijfsbelang van QSS.

11.2.

Aangezien QSS geen belang heeft bij handhaving van het relatiebeding jegens [B] moeten de jegens hem gevorderde voorzieningen worden afgewezen. Voor de vordering van een schadevoorschot jegens [B] geldt overigens hetzelfde als hiervoor onder 8. is overwogen. Aangezien de voorwaarde waaronder de reconventionele vorderingen van [B] zijn ingesteld, niet is vervuld, behoeven deze geen beoordeling.

proceskosten

12. Omdat QSS jegens [B] in het ongelijk wordt gesteld, zal QSS worden verwezen in de proceskosten van [B] . Voor het salaris van de gemachtigde van [B] en [A] worden 4 punten à € 300,- begroot. Hierbij is ermee rekening gehouden dat de gemachtigde voor [A] en [B] ieder aparte procestukken heeft opgesteld en dat ook wel moest doen.

Aan het geschil tussen QSS en [B] wordt de helft van dit salaris toegerekend, dus een bedrag van € 600,-.

de beslissing

De kantonrechter:

rechtdoende als voorzieningenrechter tussen QSS en [A]:

in conventie:

beveelt [A] vanaf heden alle activiteiten direct of indirect (voor zichzelf en/of voor derden) ten behoeve van Iemants N.V. te staken en gestaakt te houden tot 1 oktober 2018;

veroordeelt [A] om aan QSS een dwangsom van € 420,- te betalen voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [A] na de betekening van dit vonnis dit bevel niet zal naleven;

gebiedt [A] het relatiebeding van art 13 van de arbeidsovereenkomst onverkort na te komen;

veroordeelt [A] om aan QSS een dwangsom van € 420,- te betalen voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [A] na de betekening van dit vonnis dit gebod zal overtreden;

stelt ten aanzien van voormeld bevel en gebod tezamen een maximum vast van € 10.000,- en bepaalt dat [A] boven dat maximum geen dwangsommen meer zal verbeuren;

verklaart deze voorzieningen uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie:

wijst de vorderingen van [A] af;

in conventie en in reconventie:

veroordeelt [A] in de kosten van het geding, welke aan de zijde van QSS tot op heden worden begroot op € 1.035,07, waaronder begrepen een bedrag van € 450,- wegens salaris van de gemachtigde van QSS;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af wat QSS jegens [A] meer of anders heeft gevorderd;

rechtdoende als voorzieningenrechter tussen QSS en [B] :

wijst de vorderingen van QSS af;

veroordeelt QSS in de kosten van het geding, welke aan de zijde van [B] tot op heden worden begroot op € 600,- wegens salaris van de gemachtigde van [B] ;

verklaart ook deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.M. Klarenbeek, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 april 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.