Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:2053

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-01-2018
Datum publicatie
06-04-2018
Zaaknummer
6399237
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rekestprocedure
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Beëindiging door Loodswezen van opleiding tot registerloods. Geen arbeidsovereenkomst tussen aspirant-registerloods en Loodswezen. Verzoek tot vernietiging van de opzegging afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0452
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiele kantonzaken

Zittingsplaats: Middelburg

zaak/rolnr.: 6399237 / AZ 17-68

beschikking van de kantonrechter d.d. 11 januari 2018

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] , [land] ,

verzoekende partij,

tevens verwerende partij,

verder te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: mr. drs. B.F.Th. de Moor,

t e g e n :

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

NEDERLANDSE LOODSENCORPORATIE,

gevestigd te Hoek van Holland,

verder te noemen: De Nederlandse loodsencorporatie,

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon

REGIONALE LOODSENCORPORATIE SCHELDEMONDEN,

gevestigd te Vlissingen,

verder te noemen: Scheldemonden,

3. de stichting

STICHTING OPLEIDING EN DESKUNDIGHEIDSBEVORDERING REGISTERLOODSEN,

gevestigd te Hoek van Holland,

verder te noemen: Stodel,

en

4. de besloten vennootschap

NEDERLANDS LOODSWEZEN B.V.,

verder te noemen: Nederlands loodswezen BV,

gevestigd te Hoek van Holland,

verwerende partij,

tevens verzoekende partij,

verder samen in enkelvoud te noemen: het Loodswezen,

gemachtigden: mr. M.B. Kerkhof en mr. L. van der Zwet.

het verloop van de procedure

De procedure is als volgt verlopen:

- verzoekschrift, ingediend op 17 oktober 2017,

- verweerschrift, tevens verzoekschrift,

- brief met bijlagen van mr. M.B. Kerkhof, ingediend op 11 december 2017,

- brief met bijlage van mr. drs. B.F.Th. de Moor, ingediend op 14 december 2017,

- mondelinge behandeling van 15 december 2017.

de beoordeling van de zaak

1.1.

De Nederlandse loodsencorporatie is evenals Scheldemonden een publiekrechtelijke beroepsorganisatie. Zij draagt onder meer zorg voor trainingen en opleidingen voor registerloodsen. Die trainingen en opleidingen worden verzorgd door het opleidingsinstituut Stodel. Scheldemonden is een van de vier regionale loodsencorporaties. Nederlands loodswezen BV houdt zich bezig met het verlenen van diensten ten behoeve van het loodsen van zeeschepen.

1.2.

Het instellingsbestuur van de Nederlandse loodsencorporatie verstrekte aan [eiser] een Bewijs tot deelname aan de opleiding tot registerloods (Master in Maritime Piloting), die aanvangt op 30 januari 2017 en uiterlijk eindigt op 31 maart 2018.

1.3.

De opleiding tot registerloods kent een centraal en een regionaal gedeelte. [eiser] volgde het regionale gedeelte van de opleiding bij Scheldemonden.

1.4.

Bij brief van 23 augustus 2017 schreef het instellingsbestuur van de Nederlandse loodsencorporatie aan [eiser] hem niet geschikt te achten voor het voltooien van de opleiding of het beroep als registerloods en hem af te wijzen zodat zijn inschrijving onmiddellijk wordt beëindigd en zijn bewijs tot deelname aan het eind van de maand wordt ingetrokken.

1.5.

Het besluit van 23 augustus 2017 is genomen overeenkomstig een advies van de examencommissie. Dat advies houdt in dat de examencommissie op basis van het gesprek met [eiser] en de onderliggende stukken concludeert dat [eiser] zich toegang heeft verschaft tot exameninformatie met het doel om meer kennis en inzicht te verkrijgen in de in de opleiding nog af te nemen tentamens en examens. Op grond daarvan kwam de examencommissie tot een negatieve beoordeling van de geschiktheid van [eiser] en tot het advies hem af te wijzen.

1.6.

Namens [eiser] maakte zijn gemachtigde op 31 augustus 2017 op grond van de Algemene wet bestuursrecht bezwaar bij het instellingsbestuur van de Nederlandse loodsencorporatie tegen het besluit van 23 augustus 2017. Het bezwaarschrift houdt voorts in dat met dat besluit geen rechtsgeldig einde is gekomen aan de arbeidsrelatie van [eiser] met het Loodswezen zodat hij aanspraak maakt op doorbetaling van zijn salaris.

1.7.

Het instellingsbestuur van de Nederlandse loodsencorporatie verklaarde bij besluit van 30 november 2017 het bezwaarschrift tegen zijn besluit van 23 augustus 2017 ongegrond. Tegen het besluit van 30 november 2017 kon op grond van de Algemene wet bestuursrecht beroep worden ingesteld bij de rechtbank Rotterdam.

2.1.

[eiser] verzoekt, zakelijk weergegeven:

primair:

- de vernietiging van het door het Loodswezen op 23 augustus 2017 gegeven ontslag op staande voet, dan wel van de opzegging van de arbeidsovereenkomst,

- de toelating van [eiser] om de bedongen werkzaamheden te verrichten op straffe van een dwangsom,

- de veroordeling van het Loodswezen tot betaling vanaf 23 augustus 2017 van het overeengekomen salaris van € 3.262,92 bruto per maand, vermeerderd met de wettelijke verhoging wegens vertraagde betaling en met de wettelijke rente vanaf iedere datum van verschuldigdheid,

subsidiair: de veroordeling van het Loodswezen tot betaling van:

- de gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging,

- de billijke vergoeding van € 50.000,-- bruto,

primair en subsidiair: de veroordeling van het Loodswezen in de proceskosten.

2.2.

[eiser] baseert zijn verzoek op het volgende. De rechtsbetrekking tussen het Loodswezen en een aspirant-registerloods in opleiding, als [eiser] , moet worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. De Hoge Raad heeft dit bepaald in zijn arrest van 3 mei 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BY8742). Het ligt voor de hand de arbeidsovereenkomst te beschouwen als een voor bepaalde tijd voor de duur van de opleiding van 30 januari 2017 tot en met 31 maart 2018. Voor het geval de brief van 23 augustus 2017 dient te worden gelezen als een ontslag op staande voet, ontbeert dat ontslag een geldige dringende reden, is althans het ontslag niet onverwijld gegeven en de reden niet onverwijld meegedeeld, zodat is opgezegd in strijd met artikel 7: 677 lid 1 BW. Indien de brief van 23 augustus 2017 moet worden beschouwd als een opzegging van de arbeidsovereenkomst op een grond als bedoeld in artikel 7: 669 BW, geldt dat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd op grond van artikel 7: 667 lid 3 BW niet tussentijds kan worden opgezegd, zodat eveneens is opgezegd in strijd met artikel 7: 677 lid 4 BW. Voor het geval de arbeidsovereenkomst wel opzegbaar was, ontbreekt een redelijke grond voor opzegging als bedoeld in artikel 7: 669 BW, is voor de opzegging geen schriftelijke instemming van [eiser] of toestemming van het UWV verkregen en verzocht het Loodswezen niet de ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter.

2.3.

Het verweer van het Loodswezen komt erop neer dat tussen hem (of één van hem) en [eiser] geen arbeidsovereenkomst bestond. Subsidiair geldt dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd op 23 augustus 2017.

2.4.

Hierna komen voor zover nodig de stellingen van partijen verder aan de orde.

3.1.

Voor gehele of gedeeltelijke toewijzing van het verzoek van [eiser] is nodig dat de rechtsverhouding tussen het Loodswezen (of één van hen) en [eiser] wordt gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7: 610 BW.

3.2.1.

Anders dan [eiser] lijkt aan te nemen, kan niet zonder meer al volgen uit het arrest van de Hoge Raad van 3 mei 2013 dat sprake was van een arbeidsovereenkomst.

3.2.2.Volgens dat arrest gaf het oordeel van het hof - waarin een rechtsverhouding werd gekwalificeerd als arbeidsovereenkomst - geen blijk van een onjuiste opvatting omtrent het begrip arbeidsovereenkomst en was dat oordeel evenmin onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Dit sluit niet uit dat een andere juridische kwalificatie van dezelfde rechtsverhouding mogelijk was geweest omdat die kwalificatie nu eenmaal verweven is met waarderingen van feitelijke aard die in cassatie hooguit beperkt kunnen worden getoetst.

3.2.3.

Daarbij wordt ook in aanmerking genomen dat de Hoge Raad onder 3.1.5 overweegt dat de aspirant-registerloods na het met goed gevolg afronden van de opleiding verplicht is om zich als registerloods te laten inschrijven in het loodsenregister en gedurende 36 maanden ingeschreven te blijven. Bij de mondelinge behandeling is gebleken dat destijds de aspirant-registerloods € 100.000 verschuldigd werd als hij deze verplichting niet nakomt en deze verplichting niet meer bestaat.

3.3.

Van een arbeidsovereenkomst is sprake als op grond van een overeenkomst tussen partijen de werknemer verplicht is arbeid te verrichten, de werkgever verplicht is loon te betalen en tussen partijen een gezagsverhouding bestaat. Daarbij is bepalend wat partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, mede in aanmerking genomen de wijze waarop zij feitelijk aan de overeenkomst uitvoering en aldus daaraan inhoud hebben gegeven.

3.4.1.

Volgens het Loodswezen bestond tussen partijen geen overeenkomst en dus ook geen arbeidsovereenkomst. Tot 1 januari 2014 gingen studenten met Stodel en een regionale loodsencorporatie een leerovereenkomst aan, als vastgesteld op basis van de ministeriële Verordening inzake vaststelling van de leerovereenkomst. Dat was ook het geval in de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 3 mei 2013. Deze verordening is vervallen. De student verkrijgt een Bewijs tot deelname aan de opleiding, gebaseerd op de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

3.4.2.

Indien dit verweer gegrond is, bestond tussen partijen geen overeenkomst en dus ook geen arbeidsovereenkomst. In dat geval is het verzoek van [eiser] in geen enkel onderdeel toewijsbaar. Bij wijze van veronderstelling wordt in het vervolg van deze uitspraak in het voordeel van [eiser] aangenomen dat tussen hem en het Loodswezen (althans één van hen) een leerovereenkomst bestond.

3.5.

Studenten ontvangen tijdens de duur van de opleiding een studievergoeding van Stodel op grond van de Deelnemings- en inschrijvingsverordening registerloodsen 2014. In zoverre kan worden aangenomen dat de verplichting tot betaling van loon bestond. De omstandigheid dat de student geen aanspraak heeft op een arbeidsongeschiktheidspensioen en vakantietoeslag, maakt dit niet anders.

3.6.

De aard van een leerovereenkomst brengt mee dat [eiser] zich heeft te gedragen naar de aanwijzingen die hem in het verband van de opleiding worden gegeven. Hieruit volgt dat het bestaan van een gezagsverhouding tussen partijen kan worden aangenomen.

3.7.

De vraag is dan of [eiser] zich had verbonden tot het verrichten van arbeid. Indien naar de bedoeling van partijen bij de leerovereenkomst de activiteiten van [eiser] primair waren gericht op het vergroten van eigen kennis en het opdoen van werkervaring, is de leerovereenkomst geen arbeidsovereenkomst (vergelijk Hoge Raad 29 oktober 1982, NJ 1983, 230, en 10 juni 1983, NJ 1984, 60). In het geval het belang van de wederpartij van de leerling voorop staat, kan de leerovereenkomst worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst. Daarvan is in dit geval sprake als het belang van het Loodswezen om te voorzien in de behoefte aan goed opgeleide beroepsgenoten en daarmee de continuïteit van zijn beroepsbeoefening te verzekeren, in zijn relatie met de aspirant-registerloodsen vooropstaat en de werkzaamheden van de aspirant-registerloodsen in het kader van de leerovereenkomsten vooral hierop zijn gericht, zodat die werkzaamheden niet primair zijn gericht op het vergroten van eigen kennis en het opdoen van werkervaring (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 3 mei 2013).

3.8.1.

Naar het oordeel van de kantonrechter waren naar de bedoeling van partijen de activiteiten van [eiser] primair gericht op het vergroten van eigen kennis en het opdoen van werkervaring en stond niet het - uiteraard wel bestaande - belang van het Loodswezen voorop om te voorzien in de behoefte aan goed opgeleide beroepsgenoten om te voorzien in de continuïteit van zijn beroepsbeoefening. Hierbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

3.8.2.

Het Loodswezen stelt onweersproken dat De Nederlandse loodsencorporatie in 2014 de status van rechtspersoon hoger onderwijs kreeg als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Sindsdien verzorgt zij de geaccrediteerde hbo-opleiding Master in Maritime Piloting, de opleiding die [eiser] volgde. Vereiste om voor accreditatie in aanmerking te komen is dat de opleiding zich richt op het belang van de studenten en niet op het belang van de opleidingsorganisatie.

3.8.3.

De opleiding bestaat uit een theoretisch en een praktisch deel. Het praktische deel omvat de aanwezigheid van de aspirant-registerloods op te beloodsen schepen waarbij hij oefent in het functioneren als loods. Bij de mondelinge behandeling is geconstateerd dat de aspirant dit doet onder toezicht en verantwoordelijkheid van een registerloods die eveneens aanwezig is op het schip. Daardoor vertegenwoordigt deze activiteit van de aspirant voor het Loodswezen geen economische waarde: de aanwezigheid van de aspirant op een schip brengt niet mee dat het Loodswezen geen of minder loodsen inzet dan het geval is zonder diens aanwezigheid. Ook het praktische deel van de opleiding is gericht op het opdoen door de aspirant van praktijkervaring. De aspirant verricht geen praktische arbeid met economische waarde waartegenover een verplichting tot loonbetaling bestaat.

3.8.4.

Zoals overwogen onder 3.2.3, is na het succesvol afronden van de opleiding de aspirant-registerloods niet verplicht zich als registerloods te laten inschrijven in het loodsenregister. Het staat hem dus vrij te kiezen voor een ander beroep. Die keuze verplicht hem niet tot betaling van een boete of enige vergoeding aan het Loodswezen.

3.8.5.

De succesvolle afronding van de opleiding maakt het de student mogelijk andere nautische functies te vervullen dan die van registerloods.

3.9.

Uit het voorgaande volgt dat indien tussen partijen een leerovereenkomst bestond, die niet is aan te merken als een arbeidsovereenkomst. Het verzoek van [eiser] is in al zijn onderdelen niet toewijsbaar.

3.10.

[eiser] dient als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te worden veroordeeld. Tot die kosten worden niet gerekend de nakosten omdat onvoldoende waarschijnlijk is dat dergelijke kosten zullen worden gemaakt.

4.1.

Het Loodswezen verzoekt de veroordeling van [eiser] tot terugbetaling van € 3.262,92 bruto aan onverschuldigd betaald loon met wettelijke rente daarover vanaf vandaag en met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

4.2.

Dit verzoek is gedaan onder de voorwaarde dat de kantonrechter oordeelt dat sprake was van een arbeidsovereenkomst en een rechtsgeldig ontslag op staande voet. Gelet op de voorgaande overwegingen is deze voorwaarde niet vervuld. Het verzoek van het Loodswezen zal daarom niet worden behandeld en beslist.

de beslissing

De kantonrechter:

wijst het verzoek van [eiser] af;

veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure op zijn verzoek, aan de zijde van het Loodswezen en tot op heden begroot op € 800,-- voor het salaris van de gemachtigde van het Loodswezen;

verklaart deze veroordeling in de kosten van de procedure uitvoerbaar bij voorraad;

verstaat dat het verzoek van het Loodswezen niet wordt behandeld en beslist.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Kool, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 januari 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.