Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:2026

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29-03-2018
Datum publicatie
28-06-2018
Zaaknummer
AWB 17_576 & AWB 17_3546
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd vanwege het instellen van hoger beroep. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 17/576 BELEI en BRE 17/3546 BESLU

uitspraak van 29 maart 2018 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. J.H. Weermeijer,

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank Breda (SVB), verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 12 december 2016 (bestreden besluit I) van de SVB inzake een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 6 van het EVRM. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer BRE 17/576 BELEI.

Eiser heeft ook beroep ingesteld tegen het besluit van 4 mei 2017 (bestreden besluit II) van de SVB inzake een verzoek om intrekking van een A1-verklaring. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer BRE 17/3546 BELEI.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 4 januari 2018. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De SVB heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.

De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.

Overwegingen

Verzoek schadevergoeding (zaak 17/576)

1. De toenmalige gemachtigde van eiser ([bedijfsnaam1]) heeft de SVB in 2014 gevraagd om over het jaar 2010 een regularisatieovereenkomst te sluiten met de bevoegde Luxemburgse sociale verzekeringsautoriteit. Dit wordt een regularisatieverzoek genoemd. Eiser wil met dit verzoek bereiken dat de Luxemburgse sociale verzekeringswetgeving op hem van toepassing is.

2. Op 16 juni 2016 stuurde eisers huidige gemachtigde een faxbericht naar de SVB, waarin staat dat er heel lang geleden een (niet nader gespecificeerd) verzoek is ingediend en dat er nog niet is beslist op dit verzoek. De gemachtigde verzocht de SVB om binnen twee weken een beslissing te nemen. Als er binnen die termijn geen beslissing komt, dan moet het faxbericht volgens de gemachtigde als een ingebrekestelling worden beschouwd.

3. De SVB stuurde op 28 juni 2016 een brief naar eisers gemachtigde, waarin de SVB vraagt daarbij om nadere informatie en verwijst daarbij naar eerdere brieven van 22 mei 2015 en 11 januari 2016, waarin ook al om informatie is gevraagd.

4. Op 12 juli 2016 stuurde eisers gemachtigde een faxbericht naar de SVB, waarin hij schrijft dat er in 2014 een regularisatieverzoek is ingediend voor het jaar 2010. Hij verwijst naar zijn faxbericht van 13 juni 2016 (de rechtbank begrijpt: 16 juni 2016) en stelt vast dat er nog steeds geen beslissing is genomen op dit verzoek. Volgens de gemachtigde maakt eiser (onder meer) aanspraak op een schadevergoeding op grond van artikel 6 van het EVRM.

5. Bij besluit van 26 juli 2016 heeft de SVB het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Volgens de SVB geldt artikel 6 van het EVRM niet voor besluiten op aanvraag die te laat zijn genomen. Eiser maakt bezwaar tegen dit besluit.

6. In het bestreden besluit I verklaart de SVB de bezwaren van eiser ongegrond.

Beoordeling rechtbank

7. Eiser doet een beroep op overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

8. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (bijvoorbeeld: de uitspraak van de CRvB van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel, als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.

De redelijke termijn begint pas met de ontvangst van het bezwaarschrift door de SVB.

9. De rechtbank stelt vast dat de SVB op 15 juli 2016 een beslissing heeft genomen op het regularisatieverzoek over het jaar 2010. Op 24 augustus 2016 maakte eiser hiertegen bezwaar. De redelijke termijn is dus begonnen op 24 augustus 2016. Dit betekent dat de SVB het op 12 juli 2016 gedane verzoek om schadevergoeding terecht heeft afgewezen. Op dat moment was er immers geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn.

10. Eiser heeft ter zitting nog aangevoerd dat er sprake is van een onrechtmatige overheidsdaad omdat de SVB heel lang niet heeft beslist op het verzoek om regularisatie. De rechtbank overweegt dat dat inderdaad lang heeft geduurd. Eiser had de mogelijkheid om zelf actie te ondernemen, bijvoorbeeld door de SVB in gebreke stellen op het moment dat de beslistermijn is verstreken, en vervolgens eventueel beroep instellen bij de rechtbank als een beslissing na de ingebrekestelling langer dan twee weken uitblijft. Eiser heeft dit niet gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank kan eisers beroep op dit punt dan ook niet slagen.

11. Het beroep gericht tegen het bestreden besluit I zal daarom ongegrond worden verklaard.

Intrekking A1-verklaring (zaak 17/3546)

12. De SVB nam op 24 juni 2014 een besluit, waarin staat dat eiser in Nederland verzekerd is voor de sociale verzekeringen gedurende zijn werkzaamheden via [bedrijfsnaam2]. De SVB gaf met dit besluit een A1-verklaring af over de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014. Met deze A1-verklaring kan eiser aantonen dat hij verzekerd is voor de Nederlandse sociale verzekeringen.

Eiser ging in bezwaar tegen dit besluit. Het bezwaar is bij besluit van 15 december 2014 door de SVB ongegrond verklaard. Eiser heeft daarna beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.

De rechtbank Noord-Nederland heeft het beroep bij uitspraak van 30 maart 2016 (ECLI:NL:RBNNE:2016:1424) gegrond verklaard en bepaald dat de SVB een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen.

De SVB heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

13. Op 18 september 2016 heeft eiser aan de SVB gevraagd om de aan hem afgegeven A1-verklaring in te trekken.

14. De SVB heeft dit verzoek aangemerkt als een herzieningsverzoek. De SVB heeft eiser gevraagd om aan te geven wat de nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Eiser heeft hierop bij brieven van 7 november 2016 en 17 november 2016 gereageerd.

15. De SVB heeft bij besluit van 11 januari 2017 het herzieningsverzoek afgewezen. Volgens de SVB is niet gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Daarnaast is de SVB niet gebleken dat het besluit van 24 juni 2014 onmiskenbaar onjuist is. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar aangetekend.

16. In het bestreden besluit II heeft de SVB de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Standpunt SVB

17. De SVB stelt zich in het bestreden besluit II, samengevat, op het volgende standpunt. De rechtbank Noord-Nederland heeft geoordeeld dat de SVB het besluit van 15 december 2014 niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid. De rechtbank heeft dit besluit vernietigd, maar heeft het besluit van 24 juni 2014 met de A1-verklaring niet vernietigd. De SVB heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. Zolang het hoger beroep loopt, wordt de werking van de uitspraak van de rechtbank opgeschort en is de SVB niet verplicht een nieuw besluit te nemen. Eiser heeft met het herzieningsverzoek geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd. De door eiser genoemde informatie is ingebracht in de procedure in hoger beroep, en de Centrale Raad van Beroep (CRvB) zal dit meenemen in zijn oordeelsvorming. De SVB is ook niet gebleken dat het besluit van 24 juni 2014 onmiskenbaar onjuist is.

Standpunt eiser

18. Eiser voert in beroep, samengevat, het volgende aan. Eiser verwijst naar een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 3 september 2014 (zaaknummer AMS 14/4528). Hierin staat dat de SVB ter zitting heeft toegelicht dat het besluit van 24 juni 2014 niet juist is. Daarnaast heeft de SVB op 18 september 2014 en 5 november 2014 een brief gestuurd naar eiser met een verzoek om informatie, in verband met de vaststelling van de toepasselijke wetgeving. Op dat moment was de SVB dus ook van mening dat er nog beslist moest worden elke sociale verzekeringswetgeving van toepassing moest worden verklaard. De afgifte van de A1-verklaring is dus onmiskenbaar onjuist.

Beoordeling rechtbank

19. Eiser wil met zijn verzoek bereiken dat de SVB terugkomt van het besluit van 24 juni 2014. De SVB heeft op het verzoek beslist met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of de SVB zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit II die toets doorstaat, kan de rechtbank niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onjuist is.

20. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

21. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er door eiser geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd.

22. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat er ook geen sprake is van een evident onjuist besluit. De SVB heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de opmerking bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam ziet op een onjuiste motivering. In de uitspraak staat dat de SVB eiser per abuis heeft behandeld als een Rijnvarend medewerker, en niet als directeur van de onderneming. Dit is gecorrigeerd. De SVB heeft de A1-verklaring echter gehandhaafd.

23. De rechtbank overweegt verder dat het besluit van 24 juni 2014 (en daarmee ook de A1-verklaring) onderwerp van het hoger beroep was bij de CRvB. Op grond van artikel 8:106, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb had het hoger beroep schorsende werking. De SVB was daarom niet verplicht om hangende het hoger beroep uitvoering te geven aan de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland. Het via de weg van een herzieningsverzoek afdwingen dat een nieuw besluit wordt genomen zou dan ook doorkruising van die rechtsgang betekenen.

24. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zal het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond worden verklaard.

25. De CRvB heeft overigens op 29 december 2017 uitspraak gedaan in het hoger beroep (ECLI:NL:CRVB:2017:4469). Het hoger beroep van eiser is gegrond verklaard, in die zin dat de SVB opnieuw moet beslissen op het bezwaarschrift tegen het besluit van 24 juni 2014. Dit heeft verder geen gevolgen voor het oordeel van de rechtbank in deze zaak.

Eisers gemachtigde heeft bij brief van 19 maart 2018 verzocht om het onderzoek te heropenen, onder verwijzing naar een nieuw besluit dat door de SVB is genomen op 14 maart 2018. De rechtbank heeft dat verzoek niet gehonoreerd omdat, zoals hiervoor is overwogen, de uitspraak van de CRvB geen invloed heeft op het oordeel van de rechtbank in deze zaak. Het zal eisers gemachtigde duidelijk zijn dat, indien hij het niet eens is met een nieuw besluit dat is genomen naar aanleiding van de uitspraak van de CRvB, hij tegen dat besluit opnieuw beroep kan aantekenen.

Conclusie

26. De beroepen zullen ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.