Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:2025

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
14-03-2018
Datum publicatie
18-07-2018
Zaaknummer
BRE - 17 _ 2139_2140
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:1680, Bekrachtiging/bevestiging
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:1681, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanhorigheid (artikel 3.30a van de Wet IB 2001)?

Belanghebbenden exploiteren een melkveehouderij. Tot het ondernemingsvermogen behoren onder meer een perceel grond, een woning, andere opstallen, bouwwerken en erfverharding. Belanghebbenden zijn van mening dat de bouwwerken en de erfverharding geen aanhorigheden in de zin van artikel 3.30a van de Wet IB 2001 zijn waardoor de afschrijvingsbeperking niet van toepassing is. Partijen verschillen van mening over welk criterium te gelden heeft voor het bepalen of een bouwwerk een aanhorigheid is. De inspecteur bepleit het criterium ‘behoort bij een gebouw, in gebruik bij het gebouw en daaraan dienstbaar’. Belanghebbenden bepleiten het criterium ‘onmiddellijk en uitsluitend dienstbaar aan het gebouw’. Gelet op de parlementaire geschiedenis van artikel 3.30a, lid 2, van de Wet IB 2001, stelt de rechtbank de inspecteur in het gelijk. Verder oordeelt de rechtbank dat de bouwwerken vanwege hun functie en ligging tot de bedrijfsgebouwen behoren, daarbij in gebruik zijn en daaraan dienstbaar zijn. Daarmee zijn de bouwwerken aan te merken als aanhorigheden. Wat betreft de erfverharding beslist de rechtbank dat, gelet op de ligging daarvan en de functie van verbindingsweg tussen de bedrijfsgebouwen, die eveneens tot de bedrijfsgebouwen behoort, daarbij in gebruik is en aan die bedrijfsgebouwen dienstbaar is. De beroepen zijn ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.30a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 19-07-2018
FutD 2018-1990
V-N Vandaag 2018/1589
NTFR 2018/2052 met annotatie van Daal
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 17/2139 en 17/2140

uitspraak van 14 maart 2018

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende 1] , wonende te [woonplaats],

(belanghebbende 1)

[belanghebbende 2] , wonende te [woonplaats],

(belanghebbende 2)

samen: belanghebbenden,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de inspecteur van 16 februari 2017 op de bezwaren van:

- belanghebbende 1 (hierna: de vrouw) tegen de aan haar voor het jaar 2014 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.632 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.967, (aanslagnummer [aanslagnummer].H.46.01) en de gelijktijdig bij beschikking in rekening gebrachte belastingrente van € 2 (zaaknummer 17/2139).

- belanghebbende 2 (hierna: de man) tegen de aan hem voor het jaar 2014 opgelegde aanslag IB/PVV naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 66.025 (aanslagnummer [aanslagnummer].H.46.01) en de gelijktijdig bij beschikking in rekening gebrachte belastingrente van € 24 (zaaknummer 17/2140).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2018 te Tilburg. Voor een overzicht van de aldaar verschenen personen en het verhandelde ter zitting verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van voornoemde zitting, waarvan een afschrift tegelijk met een afschrift van deze uitspraak aan partijen wordt verzonden.

1 Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbenden drijven vanaf [datum] 2011 gezamenlijk een onderneming in de vorm van een vennootschap onder firma. De bedrijfsactiviteiten bestaan uit het houden van een melkveehouderij en opfok van jongvee.

2.2.

Tot het ondernemingsvermogen behoren onder meer een perceel grond, woning, schuur, loods, jongveestal, ligboxenstal, mestsilo, strooiselhok, stierenstal, erfverharding en plaat/sleufsilo.

2.3.

Naar aanleiding van de door belanghebbenden ingediende aangiften IB/PVV 2014 heeft [A] namens de inspecteur op 23 september 2015 een waarneming ter plaatse (WTP) verricht bij belanghebbenden. Van die waarneming is een verslag opgesteld. Dat verslag is ook voorzien van (lucht)foto’s van de situatie ter plaatse. De luchtfoto’s zijn van een toelichting voorzien. In het verslag is het volgende opgenomen (voor zover van belang):

Korte beschrijving van de situatie

(…)

Sleufsilo’s / voerplaten

Direct naast de oude jongveestal ligt de oudste sleufsilo. Aanvankelijk had deze sleufsilo lage keerwanden en is voorzien van een asfalt verharding (624 m2). De lage keerwanden zijn vervangen door (2,5m) hoge keerwanden en de asfaltverharding is ter plaatse bijgewerkt. De lage keerwanden zijn geplaatst bij een andere sleufsilo (468 m2). Daartussen liggen twee voerplaten (2x 416 m2).

De silo’s / platen kunnen aan twee zijden worden gevuld. Het ingekuilde voer (maïs / gras) kan voor alle dieren worden gebruikt, de kwaliteit van het voer bepaalt aan welke dieren (melkkoeien of jongvee) het wordt gevoerd.

Mestsilo

Wanneer de mestputten onder de ligboxenstal, oude jongveestal en de stierenstallen vol zitten wordt de mest overgepompt in de mestsilo. De mestsilo heeft hiervoor een innamepunt van waaruit het de mestsilo wordt ingepompt. Vanuit de mestput van de ligboxenstal wordt een flexibele leiding met pomp gelegd naar het innamepunt van de mestsilo. Wanneer de mestputten van de jongveestal of stierenstallen vol zit wordt een flexibele leiding met pomp gelegd naar een tweede innamepunt achter deze stallen. Vanaf dit tweede innamepunt loopt een ondergrondse leiding langs de rand van de agrarische bouwkavel naar het inname punt bij de mestsilo.’

2.4.

Bij de aanslagregeling is de inspecteur van de ingediende aangiften afgeweken. Daarbij zijn de afschrijvingskosten met betrekking tot het strooiselhok, de erfverharding en de plaat/sleufsilo gecorrigeerd omdat de bodemwaarde als bedoeld in artikel 3.30a van de Wet IB 2001 is bereikt.

2.5.

De inspecteur heeft bij uitspraken uit bezwaar de aanslagen als volgt verminderd omdat belanghebbenden in de bezwaarfase nog extra afschrijvingskosten met betrekking tot de mestsilo hebben aangevoerd:

- ten name van de vrouw berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.602 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.967;

- ten name van de man berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 65.757.

De bij de aanslagen horende beschikkingen belastingrente zijn dienovereenkomstig verminderd.

2.6.

Tussen partijen is uitsluitend in geschil of de mestsilo, het strooiselhok, de erfverharding en de plaat/sleufsilo zijn aan te merken als aanhorigheden in de zin van artikel 3.30a, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).

2.7.

Artikel 3.30a van de Wet IB 2001 luidt, voor zover van belang, als volgt:

‘1. Afschrijving op een gebouw in een kalenderjaar is slechts mogelijk indien de boekwaarde van het gebouw hoger is dan de bodemwaarde daarvan en bedraagt ten hoogste het verschil daartussen.

2. Voor de afschrijving en de afwaardering tot lagere bedrijfswaarde worden de onderdelen van een gebouw, de daarbij behorende ondergrond en aanhorigheden als één bedrijfsmiddel beschouwd. (…)’

2.8.

Met betrekking tot het begrip aanhorigheden is in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 8, p. 106) het volgende opgemerkt:

‘Het begrip «aanhorigheden» komt op diverse andere plaatsen voor in de fiscale wetgeving. In de Wet IB 2001 wordt de term gebruikt in de artikelen 3.16, 3.93 en 3 111; in de Wet Vpb in artikel 10, vijfde lid. Kenmerk van aanhorigheden is dat deze bij het gebouw behoren en daaraan dienstbaar zijn. Niet noodzakelijk is dat sprake is van een fysieke verbondenheid. Uit de uitvoerige jurisprudentie over aanhorigheden blijkt dat diverse omstandigheden van belang kunnen zijn. Zo kan bij garages onder meer een rol spelen of de garage bouwkundig bij de woning behoort, en wat de afstand is tussen garage en woning (onder meer Hof ’s-Hertogenbosch 29 september 1978, nr. 141/1977, V-N 1979, blz. 1437). Of een technische installatie een aanhorigheid van een gebouw vormt, hangt af van de omstandigheden, bijvoorbeeld van de functie van die installatie en de bouwkundige situatie.’

Welk criterium?

2.9.

Het geschil tussen partijen spitst zich in de eerste plaats toe op de vraag welk criterium te gelden heeft voor het bepalen of een bouwwerk een aanhorigheid is. De inspecteur bepleit het criterium ‘behoort bij een gebouw, in gebruik bij het gebouw en daaraan dienstbaar’. Belanghebbenden bepleiten het criterium ‘onmiddellijk en uitsluitend dienstbaar aan het gebouw’.

2.10.1.

De rechtbank is het met de inspecteur eens dat voor het begrip aanhorigheden in artikel 3.30a van de Wet IB 2001 het criterium ‘behoort bij een gebouw, daarbij in gebruik is en daaraan dienstbaar is’ geldt. Gelet op de verwijzing door de (mede-)wetgever naar artikel 3.111 van de Wet IB 2001, heeft de wetgever immers voor de invulling van het begrip aanhorigheden in artikel 3.30a van de Wet IB 2001 willen aansluiten bij de invulling van dat begrip in (onder meer) de eigenwoningregeling en daarmee bij de jurisprudentie op dat terrein. Uit die jurisprudentie volgt het door de inspecteur bepleite criterium. De Hoge Raad heeft namelijk in zijn arrest van 16 juli 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5412, BNB 1993/281 ten aanzien van het begrip aanhorigheid het volgende geoordeeld (voor zover van belang):

‘3.3. Het oordeel dat de stal geen aanhorigheid in vorenbedoelde zin is, wordt in cassatie bestreden. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een dergelijke aanhorigheid is van belang of de stal behoort bij de als woning in gebruik zijnde boerderij, daarbij in gebruik is, en daaraan dienstbaar is. Of de stal behoort bij deze woning hangt daarbij weer af van diverse omstandigheden, zoals de afstand tussen de stal en de woning, de bouwkundige situatie, en de bereikbaarheid van de stal vanuit de woning of vanaf de daarbij behorende grond. Derhalve is het Hof uitgegaan van een onjuiste opvatting omtrent het begrip aanhorigheid door te oordelen dat de stal geen aanhorigheid is op de enkele grond dat de stal steeds een bedrijfsgebouw is geweest en door belanghebbende wordt gebruikt voor het uit liefhebberij houden van schapen.’

2.10.2.

Het door belanghebbenden bepleite criterium ‘onmiddellijk en uitsluitend dienstbaar’ komt weliswaar ook in de parlementaire stukken met betrekking tot de invoering van artikel 3.30a van de Wet IB 2001 terug, maar dat is in de context van de kwestie of sprake is van een ‘onderdeel van een gebouw’ (vgl. Kamerstukken II, 2005/06, 30 572, nr. 3, p. 37 en Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 8, p. 106). De rechtbank volgt belanghebbenden ook niet in hun standpunt dat het arrest BNB 1993/281 geen betekenis heeft voor de invulling van het begrip aanhorigheden in artikel 3.30a van de Wet IB 2001. Weliswaar zijn er vanzelfsprekend verschillen tussen een eigen woning en een bedrijfsgebouw, maar dat maakt niet dat het ‘behoort bij/in gebruik bij/dienstbaar aan’-criterium niet bruikbaar is. Wel kan en moet bij de toepassing van het criterium rekening worden gehouden met de omstandigheid dat het criterium wordt toegepast met betrekking tot een bedrijfsgebouw en niet met betrekking tot een eigen woning.

Mestsilo, strooiselhok, de plaat/sleufsilo

2.11.

Uit het verslag van de WTP (de luchtfoto’s met toelichting, zie 2.3) blijkt dat de mestsilo en het strooiselhok vlak naast de ligboxenstal zijn gelegen en de plaat/sleufsilo’s zijn gelegen bij de jongveestal en de stierenstallen. Gelet op deze ligging en de functie van de bouwwerken zoals die uit het verslag blijkt (zie 2.3), is de rechtbank van oordeel dat de bouwwerken tot de bedrijfsgebouwen behoren, daarbij in gebruik zijn en daaraan dienstbaar zijn. Daarmee zijn de bouwwerken aan te merken als aanhorigheden.

Het andersluidende standpunt van belanghebbenden wordt verworpen, grotendeels hetzij omdat het standpunt uitgaat van een ander beperkter criterium voor de bepaling of sprake van een aanhorigheid (zie 2.9), hetzij omdat het uitgaat van maatstaven die worden aangelegd voor de bepaling of sprake is van een (onderdeel van een) (zelfstandig) gebouw. Met betrekking tot de mestsilo verdient opmerking dat de door belanghebbenden aangevoerde omstandigheden dat de mestsilo is bedoeld voor tijdelijke opslag van mest alvorens de mest op het land mag en kan worden uitgereden en dat deze opslag een zelfstandig onderdeel is van het productieproces van het bedrijf, niet wegnemen dat de mestsilo gelet op de beschrijving (“wanneer de mestputten onder de ligboxenstal, oude jongveestal en de stierenstallen vol zitten wordt de mest overgepompt in de mestsilo”) ten dienste staat aan bedrijfsgebouwen. Met betrekking tot de sleufsilo’s baat belanghebbenden niet de stelling dat de sleufsilo’s de stallen niet beter later functioneren. Dat de stallen als zodanig niet beter functioneren door de sleufsilo’s doet er immers niet aan af dat – gelet op de functie van de stallen – de sleufsilo’s wel ten dienste staan aan de stallen, nu de functie van de sleufsilo’s is de opslag van voedsel voor de in stallen gehuisveste dieren.

Erfverharding

2.12.

Vast staat dat een deel van de erfverharding is gelegen tussen de bedrijfsgebouwen in en het andere deel van de erfverharding is gelegen bij de mestsilo en het strooiselhok. Gelet op deze ligging en de (ook door belanghebbenden erkende) functie van verbindingsweg tussen de bedrijfsgebouwen is de rechtbank van oordeel dat de erfverharding tot de bedrijfsgebouwen behoort, daarbij in gebruik is en aan die bedrijfsgebouwen dienstbaar is. Zo erfverharding al niet aan te merken is als een onderdeel van de bedrijfsgebouwen (vgl. Kamerstukken II, 2005/06, 30 572, nr. 3, p. 37), is de erfverharding daarom in elk geval aan te merken als een aanhorigheid. Dit geldt ook voor het deel dat alleen bij de mestsilo en het strooiselhok is gelegen. Een bouwwerk dat (mede) aanhorig is aan een aanhorigheid van een bedrijfsgebouw, is ook een aanhorigheid van dat bedrijfsgebouw.

De omstandigheid dat een deel van de erfverharding ook gebruik wordt als openbare toegangsweg naar het achterland, leidt niet tot een ander oordeel. Anders dan waarvan belanghebbenden uitgaan, is voor de kwalificatie ‘aanhorigheid’ niet vereist dat de erfverharding uitsluitend dienstbaar is aan de bedrijfsgebouwen.

Conclusie

2.13.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de mestsilo, het strooiselhok, de erfverharding en de plaat/sleufsilo aan te merken als aanhorigheden in de zin van artikel 3.30a, tweede lid, van de Wet IB 2001. Voor dat geval is niet in geschil dat de aanslagen zoals die luiden na de uitspraken op bezwaar niet te hoog zijn vastgesteld en dat de beroepen ongegrond zijn.

2.14.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 14 maart 2018 door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. B.W. van Eeken-Liu, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.