Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:2022

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30-03-2018
Datum publicatie
17-07-2018
Zaaknummer
BRE - 16 _ 8449
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:2134, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 3.54, lid 5 onderdeel b, Wet IB 2001 / Vrijval herinvesteringsreserve (HIR)?

Belanghebbende heeft een HIR gevormd. De rechtbank oordeelt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat binnen de driejaarstermijn een begin van uitvoering is gegeven aan een herinvestering. Nu daarvan geen sprake is, behoeft de vraag of sprake is van voormelde bijzondere omstandigheid geen behandeling meer. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat eerst alles willen verkopen om een overzicht te krijgen van de mogelijke financiering van een herinvestering geen relevante bijzondere omstandigheid is die termijnverlenging rechtvaardigt.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.54
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 18-07-2018
V-N Vandaag 2018/1547
FutD 2018-1983
V-N 2018/1310
V-N 2018/48.2.1
NTFR 2018/1828
NLF 2018/1610 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 16/8449

uitspraak van 30 maart 2018

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2011 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.269.553 (aanslagnummer [aanslagnummer] .H.16.01, hierna: de aanslag). Gelijktijdig heeft de inspecteur bij beschikking een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van € 23.347.

1.2.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 30 september 2016 de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.236.378. De beschikking heffingsrente is dienovereenkomstig verminderd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 24 oktober 2016, ontvangen bij de rechtbank op 26 oktober 2016, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46.

1.4.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2018 te Breda. Voor de aldaar verschenen personen en het verhandelde ter zitting verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting waarvan een afschrift gelijktijdig met het afschrift van deze uitspraak aan partijen zal worden toegezonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende drijft een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. De ondernemingsactiviteiten bestaan uit de verhuur en exploitatie van bedrijfspanden en woningen.

2.2.

Voor het jaar 2011 heeft belanghebbende de aangifte IB/PVV ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 6.887 met een winst uit onderneming van € 1.145.

2.3.

Namens de inspecteur is in 2012 bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van onder meer de aangifte IB/PVV 2011. Het boekenonderzoek is gericht op het beoordelen van de gevormde herinvesteringsreserves. Van dat onderzoek is op 11 april 2013 een rapport opgesteld. Uit het rapport volgt dat bij de verkoop van onroerende zaken in 2008 boekwinst is gerealiseerd en dat belanghebbende voor deze boekwinst een herinvesteringsreserve (HIR) heeft gevormd. In het rapport is onder meer geconcludeerd dat de HIR, groot € 1.434.706, in 2011 ten gunste van de winst dient vrij te vallen.

2.4.

De inspecteur is bij de aanslagregeling van de ingediende aangifte afgeweken en heeft de gevormde HIR van € 1.434.706 in de winst van belanghebbende opgenomen. Bij het opleggen van de aanslag is tevens heffingsrente in rekening gebracht. Daartegen heeft belanghebbende tijdig bezwaar gemaakt.

2.5.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag verminderd. De beschikking heffingsrente is dienovereenkomstig verminderd.

3 Geschil

3.1.

In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur terecht de HIR in de winst voor het jaar 2011 van belanghebbende heeft opgenomen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of belanghebbende binnen de in de wet gestelde termijn een begin van uitvoering heeft gegeven ten aanzien van het vervangende bedrijfsmiddel en zo ja of sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor de aanschaffing van het betreffende bedrijfsmiddel is vertraagd.

3.2.

Belanghebbende is de mening toegedaan dat er een begin van uitvoering is gegeven en dat sprake is van bijzondere omstandigheden die de aanschaffing van het vervangende bedrijfsmiddel hebben vertraagd. De inspecteur is de tegenovergestelde mening toegedaan. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en ter zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag berekend naar het belastbare inkomen uit werk en woning en de winst uit onderneming zoals in de aangifte is verantwoord. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Artikel 3.54, vijfde lid aanhef en onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 luidt als volgt:

“Een herinvesteringsreserve wordt uiterlijk in het derde jaar na het jaar waarin de reserve is ontstaan, in de winst opgenomen, behalve voorzover de aanschaffing of voortbrenging, mits daaraan een begin van uitvoering is gegeven, door bijzondere omstandigheden is vertraagd.”

4.2.

Belanghebbende heeft gesteld dat ultimo 2011 aan de aanschaffing een begin van uitvoering is gegeven en dat die uitvoering door bijzondere omstandigheden is vertraagd. Ter onderbouwing van deze stelling heeft belanghebbende ter zitting een e-mailbericht van 30 december 2011 en een voorlopig koopcontract met als datum voor de ondertekening 31 december 2011 overgelegd. Volgens belanghebbende is de aanschaffing door bijzondere omstandigheden vertraagd in die zin dat hij eerst alle onroerende zaken wil verkopen om zo een beeld te kunnen krijgen over de financiering van het aan te schaffen onroerend goed.

4.3.

Niet in geschil is dat belanghebbende een herinvesteringsreserve mocht vormen ter zake van de behaalde boekwinst bij verkoop van onroerende zaken. Vast staat ook dat niet binnen de driejaarstermijn als bedoeld in het in 4.1 genoemde artikellid – en ook thans nog niet – een herinvestering heeft plaatsgevonden. Nu niet binnen de driejaarstermijn is geherinvesteerd, zal belanghebbende aannemelijk moeten maken dat binnen de driejaarstermijn – dus uiterlijk in 2011 – aan de herinvestering een begin van uitvoering is gegeven en dat er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor de aanschaf is vertraagd. Deze bijzondere omstandigheden moeten zich binnen de driejaarstermijn hebben voorgedaan. Het andersluidende betoog van belanghebbende vindt geen steun in de wet noch in het door hem aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 14 september 1988, nr. 24 939, BNB 1988/305.

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende met wat hij heeft aangevoerd en ter zitting heeft overgelegd niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voor het verstrijken van de reguliere termijn een begin van uitvoering heeft gegeven aan zijn voornemen tot herinvesteren in een bedrijfsmiddel. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Uit het
e-mailbericht van 30 december 2011 dat bij de pleitnota is overgelegd, blijkt dat belanghebbende tot koop kan overgaan indien een derde koper de onroerende zaken voor 15 februari afneemt. Het voorlopig koopcontract met als datum voor ondertekening 31 december 2011 is niet ondertekend. Daarin is onder meer de ontbindende voorwaarde opgenomen dat indien belanghebbende geen financiering krijgt, de betreffende koop wordt ontbonden. Belanghebbende heeft met betrekking tot de financiering van voormelde koop geen enkel stuk overgelegd. Voorts ziet de transactie op een tweede recht van koop. De verkoper is niet vrij de zaak aan belanghebbende te verkopen; dat is hij pas zodra de eerste koper een beroep doet op de ontbindende voorwaarde die verkoper en de eerste koper zijn overeengekomen betreffende het verkrijgen van financiering door de eerste koper. Het initiatief ligt dus bij de eerste koper. De rechtbank is van oordeel dat er onder die omstandigheden redelijkerwijs niet kan worden aangenomen dat in 2011 aan de vervanging al een begin van uitvoering is gegeven. De rechtbank vindt het zeer onzeker of de verrichte handelingen van belanghebbende ultimo 2011 tot enige transacties zouden leiden. Het risico dat de koop ultimo 2011 niet zou doorgaan dient, nu overigens niet eerder een mogelijke herinvestering aannemelijk is gemaakt, voor risico van belanghebbende te komen en kan op zichzelf niet worden aangemerkt als een begin van uitvoering.

4.5.

Nu niet aannemelijk is gemaakt dat binnen de driejaarstermijn een begin van uitvoering is gegeven, behoeft de vraag of sprake is van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in het in 4.1 vermelde artikellid geen behandeling meer. Zou, zoals belanghebbende bepleit, wel reeds in 2011 een begin van uitvoering zijn gegeven aan de herinvestering, dan zou dit hem bovendien niet baten nu naar het oordeel van de rechtbank voor het einde van 2011 geen relevante bijzondere omstandigheid is aan te wijzen die termijnverlenging rechtvaardigt.

4.6.

Op de beginbalans van 2011 is onder meer een HIR opgenomen die gevormd is in de jaren 2008 en daarvoor. Op de eindbalans van 2011 kan die HIR geen deel meer uitmaken van die balanspost. Het verschil valt dan vrij ten gunste van de winst over 2011. Voor zover de HIR ten onrechte op de beginbalans van 2011 is opgenomen omdat de HIR deels nog bestaat uit boekwinsten over de jaren vóór 2008, behoort deze op grond van de foutenleer tot de belastbare winst uit onderneming van 2011 (vgl. Hoge Raad 22 januari 2010, nr. 09/00477, ECLI:NL:HR:2010:BL0075, BNB 2010/87). Gesteld noch gebleken is dat als gevolg hiervan een hoger bedrag aan belasting wordt geheven dan uit een juiste wetstoepassing zou zijn voortgevloeid.

4.7.

Gelet op het vorenstaande en nu ter zitting is komen vast te staan dat de correctiebedragen zoals die luiden na uitspraak op bezwaar niet in geschil zijn, is het gelijk aan de zijde van de inspecteur en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Redelijke termijn

4.8.1.

Belanghebbende heeft geklaagd dat de inspecteur de redelijke termijn heeft overschreden door pas na drie jaren en vier maanden uitspraak op bezwaar te doen. Evenals de inspecteur heeft de rechtbank deze stelling opgevat als een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase.

4.8.2.

Het bezwaarschrift is door de inspecteur ontvangen op 28 mei 2013. De uitspraak van de rechtbank wordt gedaan op 30 maart 2018 en dus (afgerond) 58 maanden na indiening van het bezwaarschrift. Daarmee heeft de behandeling tot aan de uitspraak van de rechtbank 34 maanden langer geduurd dan de twee jaar die als regel kan worden beschouwd voor de redelijke termijn van de behandeling in eerste feitelijke aanleg, zijnde de bezwaar- en beroepsprocedure.

4.8.3.

Er is op 30 september 2016 uitspraak op bezwaar gedaan en het beroepschrift is bij de rechtbank ingediend op 26 oktober 2016. Aangezien de rechtbank op 30 maart 2018 uitspraak doet, heeft de beroepsperiode niet langer geduurd dan 18 maanden zodat de termijnoverschrijding geheel moet worden toegerekend aan de inspecteur. De inspecteur heeft ter zitting voormelde erkend en heeft gesteld dat belanghebbende recht heeft op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van € 3.000. De rechtbank acht dat juist en zal dienovereenkomstig beslissen.

5 Proceskosten en griffierecht

5.1.

Nu de rechtbank belanghebbende een immateriële schadevergoeding toekent, ziet de rechtbank aanleiding het griffierecht op de voet van artikel 8:74, tweede lid van de Awb door de inspecteur aan belanghebbende te laten vergoeden. Ook ziet de rechtbank hierin aanleiding de inspecteur op de voet van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende in beroep.

5.2.

De door de inspecteur te vergoeden proceskosten voor de beroepsfase zijn daarom op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) vastgesteld op € 501 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 0,5 voor het gewicht van de zaak). Het gewicht van de zaak is gesteld op 0,5 (licht) omdat het beroep ongegrond is en enkel op verzoek een vergoeding van immateriële schade is toegekend (vgl. Hoge Raad 20 maart 2015, nr. 14/01332, ECLI: NL:HR:2015:660).

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 3.000;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 501;

  • -

    draagt de inspecteur op het betaalde griffierecht van € 46 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan op 30 maart 2018 door mr. C.A.F.M. Stassen, voorzitter, mr. W.A.P. van Roij en prof.dr.mr. R. Russo, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. B.W. van Eeken-Liu, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.