Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:1774

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13-03-2018
Datum publicatie
28-06-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 413
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bouwleges, actualiseringsverplichting artikel 3.1, vierde lid, van de Wro, berekening bouwkosten

Naar het oordeel van de rechtbank is de sanctie van artikel 3.1, vierde lid, van de Wro niet van toepassing, omdat op het moment waarop het nieuwe bestemmingsplan wordt vastgesteld, wordt voldaan aan de actualiseringsverplichting. Naar het oordeel van de rechtbank kan in artikel 3.1, vierde lid, van de Wro niet worden gelezen dat sprake moet zijn van een onherroepelijk geworden dan wel een inwerking getreden bestemmingsplan.

Naar het oordeel van de rechtbank biedt de Tarieventabel in de hier aan de orde zijnde situatie geen (rechtsgeldige) grondslag voor de berekening van de bouwkosten. De leges zijn dienovereenkomstig verminderd.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/1469
Viditax (FutD), 12-07-2018
FutD 2018-1959
Belastingblad 2018/294
NTFR 2018/1768 met annotatie van mr. drs. C.M. Dijkstra
V-N 2018/48.13.16
NLF 2018/1523 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 17/413

uitspraak van 13 maart 2018

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] V.O.F., gevestigd te [plaats X],

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Alphen-Chaam,

de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende bij nota met dagtekening 14 juni 2016 een bedrag aan leges in rekening gebracht van € 24.556,81 (factuurnummer: [factuurnummer], hierna: de legesnota).

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar van 16 december 2016 heeft de heffingsambtenaar de legesnota verminderd tot een bedrag van € 15.103,10.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij fax van 24 januari 2017, ingekomen bij de rechtbank op diezelfde dag, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 333.

1.4.

De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De rechtbank heeft bij de zittingsuitnodiging van 18 oktober 2017 vragen gesteld aan de heffingsambtenaar en belanghebbende. De heffingsambtenaar heeft daarop gereageerd bij brief van 1 december 2017. Belanghebbende heeft gereageerd bij brief van

5 december 2017.

1.6.

Het onderzoek ter zitting voor de enkelvoudige belastingkamer heeft plaatsgevonden op 18 december 2017 te Breda. De enkelvoudige belastingkamer heeft ter zitting het onderzoek geschorst en de zaak verwezen naar de meervoudige belastingkamer. Partijen hebben ter zitting aangegeven dat een nadere zitting achterwege kan blijven. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift gelijktijdig met deze uitspraak wordt verzonden.

1.7.

Bij brief van 30 januari 2018 heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat binnen zes weken schriftelijke uitspraak zal worden gedaan.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft in 2015 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het oprichten en gedeeltelijk wijzigen van een varkensstal aan de [adres] te [plaats X].

2.2.

Voor het perceel waarop de aanvraag betrekking heeft gold het bestemmingsplan "[bestemmingsplan]" vastgesteld bij raadsbesluit van 22 februari 2001. De gemeenteraad heeft op 11 februari 2010 het bestemmingsplan "[bestemmingsplan]" vastgesteld. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij uitspraak van 11 april 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW1593), het bestemmingsplan "[bestemmingsplan]" - onder andere voor wat betreft het perceel waarop de aanvraag ziet - vernietigd.

2.3.

De heffingsambtenaar heeft in verband met de aanvraag van de omgevingsvergunning leges in rekening gebracht van € 24.556,81. Dit bedrag bestaat uit: "leges aanvraag omgevingsvergunning" à € 23.706,81 en "toets Vr2014/Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij" à € 850.

De leges zijn berekend met toepassing van de "Tarieventabel leges behorende bij de Legesverordening Alphen-Chaam 2015" (hierna: de Tarieventabel).

2.5.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de leges verminderd tot € 14.253,10. Deze vermindering is het gevolg van de verlaging van de bouwkosten van € 1.219.800 tot € 733.363,20. Het totaalbedrag van de in rekening gebrachte leges is hierdoor verminderd tot € 15.103,10 (€ 14.253,10 plus € 850).

3 Geschil

3.1.

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

  1. Is de sanctie van artikel 3.1, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) van toepassing?

  2. Zo nee, zijn de leges tot het juiste bedrag berekend?

Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag bevestigend en de tweede vraag ontkennend. De heffingsambtenaar is de tegenovergestelde mening toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en ter zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de legesnota.

3.4.

De heffingsambtenaar concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

1. Is de sanctie van artikel 3.1, vierde lid, van de Wro van toepassing?

4.1.

Naar het oordeel van de rechtbank is de sanctie van artikel 3.1, vierde lid, van de Wro niet van toepassing. De rechtbank overweegt daartoe als volgt (vgl. rechtbank Zeeland-West-Brabant 23 maart 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:1752).

4.1.1.

Artikel 3.1 van de Wro luidt:

“(…)

2. De bestemming van gronden, met inbegrip van de met het oog daarop gestelde regels, wordt binnen een periode van tien jaar, gerekend vanaf de datum van vaststelling van het bestemmingsplan, telkens opnieuw vastgesteld.

3. Telkens indien de gemeenteraad van oordeel is dat de in het bestemmingsplan aangewezen bestemmingen en de met het oog daarop gegeven regels in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening, kan hij, in afwijking van het tweede lid, besluiten tot verlenging van de periode van tien jaar, genoemd in dat lid, met tien jaar. In aanvulling op artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht plaatsen burgemeester en wethouders de kennisgeving van het besluit tot verlenging tevens in de Staatscourant en voorts geschiedt deze langs elektronische weg.

4. Indien niet voor het verstrijken van de periode van tien jaar, genoemd in het tweede of het derde lid, de raad onderscheidenlijk opnieuw een bestemmingsplan heeft vastgesteld dan wel een verlengingsbesluit heeft genomen, vervalt de bevoegdheid tot het invorderen van rechten terzake van na dat tijdstip door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten die verband houden met het bestemmingsplan. (…)”.

In de memorie van toelichting bij de invoering van de Wro is bij artikel 3.1 het volgende opgemerkt (Kamerstukken II, 2002/2003, 28 916, nr. 3, p. 93):

“In het tweede in samenhang met het vierde lid wordt een einde gemaakt aan de vrijblijvendheid van de looptijd van een bestemmingsplan. Niet langer is het maatschappelijk verantwoord te achten dat bestemmingsplannen jaren achtereen onveranderd blijven bestaan zonder dat deze aan de gewenste, en vaak ook al lang daadwerkelijk verwezenlijkte situatie worden aangepast.

Per gemeente gelden in het algemeen meer bestemmingsplannen die op verschillende tijdstippen zijn vastgesteld. Bovendien hebben die plannen nogal eens partiele wijzigingen ondergaan die ook weer hun eigen tijdstip van vaststelling hebben. Er zal dus geen verplichting zijn om voor het hele grondgebied van de gemeente om de tien jaar één nieuw plan vast te stellen.

Ruimtelijk beleid, met name in gebieden waar veel nieuwe ontwikkelingen aan de orde zijn, is een continu proces. Dit proces behoort plaats te vinden in het kader van actuele bestemmingsplannen. Maar ook in gebieden waar de nadruk ligt op behoud is het goed eens per tien jaar na te gaan of alles bij het oude kan blijven. In voorkomend geval kan dit leiden tot een verzoek aan gedeputeerde staten om ontheffing van de verplichting om het bestemmingsplan opnieuw (ongewijzigd) vast te stellen.

De termijn van tien jaar wordt berekend vanaf de datum van vaststelling van het bestemmingsplan. Tegen dit startmoment is in reacties op het voorontwerp ingebracht dat het beter zou zijn om de datum van inwerkingtreding te kiezen. Probleem hierbij is evenwel dat, anders dan bij de vaststelling, de datum van inwerkingtreding niet altijd voor een ieder even duidelijk is. Als bijvoorbeeld tegen onderdelen van het plan beroep wordt ingesteld, en een verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan en dit verzoek wordt toegewezen, dan wordt bij die toewijzing aangegeven op welk onderdeel van het plan die toewijzing betrekking heeft. Voor het overige treedt het plan in werking. Als de inwerkingtreding als startmoment voor de tienjarentermijn wordt aangehouden, betekent dit dus een onduidelijke situatie voor de actualiseringstermijn van dat plan, en voor het ingaan van de sanctie ingevolge het vierde lid als de termijn is verstreken zonder dat een nieuw plan is vastgesteld. Dit is onwenselijk. Hoewel erkend moet worden dat tien jaar na de vaststelling in de praktijk een kortere periode kan inhouden, is dit nadeel van het tijdstip van vaststelling verkieslijker dan de onzekerheid die aan het tijdstip van inwerkingtreding kleeft.”

4.1.2.

De rechtbank stelt voorop dat bij besluit van 11 februari 2010 de gemeenteraad van Alphen-Chaam het bestemmingsplan "[bestemmingsplan]" heeft vastgesteld. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank op 11 februari 2010 een bestemmingsplan vastgesteld en is de sanctie van artikel 3.1, vierde lid, van de Wro tot tien jaar ná die datum niet van toepassing. Op het moment dat een bestemmingsplan wordt vastgesteld wordt voldaan aan de actualiseringsverplichting. De wettelijke bepaling in artikel 3.1, vierde lid, van de Wro spreekt over het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan dan wel het nemen van een verlengingsbesluit. Naar het oordeel van de rechtbank kan hierin niet worden gelezen dat sprake moet zijn van een onherroepelijk geworden dan wel een inwerking getreden bestemmingsplan. Indien op een later moment, zoals in het onderhavige geval, het bestemmingsplan deels wordt vernietigd leidt dat naar het oordeel van de rechtbank niet tot het gevolg dat de gemeentelijke wetgever niet aan zijn actualiseringsverplichting heeft voldaan. Hierbij betrekt de rechtbank ook het doel dat de wetgever heeft beoogd bij de invoering van de actualiseringsverplichting in artikel 3.1, vierde lid, van de Wro; namelijk waarborging van de actualiteit van bestemmingsplannen.

Overschrijding van de termijn impliceert niet dat het bestemmingsplan geen rechtskracht meer heeft; er is dus geen sprake van een fatale termijn. De wetgever heeft gelet op de parlementaire geschiedenis willen voorkomen dat onzekerheid ontstaat en daarom aangesloten bij het moment dat een bestemmingsplan wordt vastgesteld. Al hetgeen gebeurt met een bestemmingsplan ná de vaststelling leidt niet tot het gevolg dat een gemeenteraad het bestemmingsplan niet heeft vastgesteld. Dat op het moment dat het belastbare feit zich voordoet, het bestemmingsplan “[bestemmingsplan]” - dat is vastgesteld bij raadsbesluit van 22 februari 2001 - nog gold voor het perceel van belanghebbende, is dus niet van belang. De rechtbank ziet dan ook gelet op de parlementaire behandeling geen reden om af te wijken van de grammaticale interpretatie van het bestanddeel “vaststellen” in artikel 3.1, vierde lid, van de Wro. Daarbij overweegt de rechtbank dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest dat de sanctie van artikel 3.1, vierde lid, van de Wro een inhoudelijk karakter heeft. Als uiteindelijk blijkt dat een bestemmingsplan al dan niet formele rechtskracht krijgt of (deels) wordt vernietigd dient dat geen verschil te maken voor de toepassing van de sanctie. Het is een actualiseringsverplichting en geen sanctie die ziet op de inhoud van een bestemmingsplan. De rechtbank overweegt voorts dat een andersluidend oordeel, gelet op de werkbaarheid en het in de parlementaire geschiedenis aangehaalde belang van rechtszekerheid, niet wenselijk is. Dit zou immers betekenen dat bij gedeeltelijke vernietiging van een bestemmingsplan voor het vernietigde deel van dat bestemmingsplan een nieuwe, en daarmee van de rest van het bestemmingsplan afwijkende, actualiseringstermijn in kan gaan. Belanghebbendes verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 17 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2877, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Anders dan in de zaak van belanghebbende stond in de betreffende zaak immers vast dat de sanctie van artikel 3.1, vierde lid, van de Wro niet van toepassing was. Tot slot verwijst de rechtbank naar de – na de zitting gepubliceerde – uitspraak van Gerechtshof

’s-Hertogenbosch 30 november 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:5290.

4.1.3.

Nu de gemeentelijke wetgever op 11 februari 2010 aan zijn actualiseringsverplichting heeft voldaan, is de sanctie in artikel 3.1, vierde lid, van de Wro niet van toepassing. De rechtbank geeft hiermee een ontkennend antwoord op de eerste geschilvraag en zal daarom een antwoord geven op de tweede geschilvraag.

2. Zijn de leges berekend naar het juiste bedrag?

4.2.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de leges berekend op een wijze die niet is voorgeschreven in de Tarieventabel. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

4.2.1.

In de Tarieventabel is - voor zover hier van belang - bepaald:

" Titel 2 Dienstverlening vallend onder fysieke leefomgeving / omgevingsvergunning

Hoofdstuk 1 Begripsomschrijvingen

2.1.1.

Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder:

(...)

2.1.1.2 bouwkosten:

de aannemingssom exclusief omzetbelasting, bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, van de Uniforme administratieve voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 (UAV 2012), voor het uit te voeren werk, of voor zover deze ontbreekt, een raming van de bouwkosten, exclusief omzetbelasting, bedoeld in het normblad NEN 2631 (...). Indien het bouwen geheel of gedeeltelijk door zelfwerkzaamheid geschiedt wordt in deze titel onder bouwkosten verstaan: de prijs die aan een derde in het economisch verkeer zou moeten worden betaald voor het tot stand brengen van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft.

(...)

Hoofdstuk 3 Omgevingsvergunning

(...)

2.3.1

Bouwactiviteiten

2.3.1.1 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1. lid 1, onder a, Wabo, bedraagt het tarief 2,99% van de bouwkosten met een minimumbedrag van € 206,05 (...)

(…)

2.3.1.6 Wanneer voor een aanvraag om een omgevingsvergunning een toets noodzakelijk is op grond van de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij worden de leges verhoogd met een bedrag van € 850,00".

Gelet op de voormelde bepalingen van de Tarieventabel vormen de bouwkosten de grondslag voor de berekening van de verschuldigde leges en mogen deze bouwkosten op de volgende drie methoden worden bepaald:

  1. aannemingssom;

  2. voor zover een aannemingssom ontbreekt: een raming van de bouwkosten op basis van het normblad NEN 2631;

  3. in geval van bouwen in eigen beheer: de prijs die aan een derde in het economisch verkeer zou moeten worden betaald.

4.2.2.

In het verweerschrift heeft de heffingsambtenaar met betrekking tot de bouwkosten het volgende aangevoerd (voor zover hier van belang): "Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat de werkelijke bouwkosten nog steeds een grondslag mogen vormen voor de berekening van de leges. Belanghebbende heeft geen opgave van de werkelijke kosten aangeleverd, slechts een offerte waarbij er een deel van de werkzaamheden nog is uitgezonderd. Aangezien een raming op grond van de NEN 2631 niet meer is toegestaan dient een andere zorgvuldige wijze van vaststelling uitsluitsel te geven over de werkelijke bouwkosten. Ik ben voornemens om de bouwkosten te bepalen met diverse systemathieken waarbij ik ook de opgave van belanghebbende zal meenemen. Bij de opmaak van dit verweer ben ik nog in onderzoek hiervoor en zal dan dit verweer op een later tijdstip met deze gegevens aanvullen."

Gelet op het voorgaande en de verklaring van de heffingsambtenaar ter zitting dat een aannemingssom ontbreekt, stelt de rechtbank vast dat de heffingsambtenaar de leges niet op basis van methode 1 heeft berekend. Voorts begrijpt de rechtbank dat de heffingsambtenaar niet stelt dat sprake is van bouwen in eigen beheer, zodat de leges ook niet zijn berekend op basis van de prijs die aan een derde in het economisch verkeer zou moeten worden betaald (methode 3).

In het systeem van artikel 1.1.1.2 van de Tarieventabel fungeert - in het kennelijk hier zich voordoende geval dat methode 1 en methode 3 niet toegepast kunnen worden - in wezen de raming van de bouwkosten op basis van het normblad NEN (methode 2) als vangnetmethode. De heffingsambtenaar heeft de bouwkosten niet op deze methode gebaseerd. De heffingsambtenaar heeft immers aangegeven dat dit normblad niet op de voorgeschreven wijze is gepubliceerd, zodat berekening van de bouwkosten met behulp van deze methode niet is toegestaan. Tussen partijen is aldus niet in geschil dat methode 2 niet toegepast kan worden bij gebrek aan deugdelijke rechtsgrondslag.

Nu methode 1 en methode 3 niet van toepassing kunnen zijn en de vangnetmethode 2 een deugdelijke grondslag ontbeert, is er geen grondslag om de bouwkosten te kunnen berekenen.

4.2.3.

Aan het in 4.2.2 vermelde oordeel kan niet afdoen dat de heffingsambtenaar bij zijn brief van 1 december 2017 drie berekeningen van bouwkosten heeft overgelegd. Deze drie berekeningen zijn, naar de rechtbank begrijpt, niet gebaseerd op één van de drie in de Tarieventabel voorgeschreven methoden. Naar de rechtbank begrijpt stelt de heffingsambtenaar dat de Tarieventabel beoogt om de werkelijke bouwkosten te benaderen en dat een andere dan de in de Tarieventabel genoemde methode ook is toegestaan zolang deze maar de werkelijke bouwkosten benadert. Die opvatting is onjuist, nu de Tarieventabel een uitputtende omschrijving geeft van het begrip bouwkosten en de rechtbank ook overigens geen reden heeft aan te nemen dat de Tarieventabel ruimte geeft voor het gebruik van andere dan de daarin voorgeschreven methodes. Dit laatste zou ook in strijd zijn met de rechtszekerheid, op basis waarvan is vereist dat een betrokkene vooraf kan bepalen hoeveel leges er verschuldigd zijn. De door de heffingsambtenaar aangehaalde uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2017:7187, biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de bouwkosten in afwijking van het bepaalde in de Tarieventabel zouden mogen worden vastgesteld.

4.2.4.

Gelet op het voorgaande moeten de aan belanghebbende in rekening gebrachte leges worden verminderd. Gelet op hoofdstuk 2.3.1.1 van de Tarieventabel bedragen de leges voor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit minimaal € 206,05, zodat belanghebbende dit minimumbedrag is verschuldigd. Belanghebbende heeft de noodzakelijkheid van toetsing op grond van de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij niet bestreden. Gelet op hoofdstuk 2.3.1.6 van de Tarieventabel is in verband met die toets het in rekening gebrachte bedrag van € 850 verschuldigd. Dit betekent dat de legesnota moet worden verminderd tot een bedrag van € 1.056,05 (€ 206,05 plus € 850).

4.2.5.

Het voorgaande betekent dat het beroep gegrond moet worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.252,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, ½ punt voor het verstrekken van schriftelijke inlichtingen en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1). De heffingsambtenaar heeft bij de uitspraak op bezwaar reeds een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend van € 246, welke beslissing in beroep niet is bestreden.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar behoudens de beslissing over de kostenvergoeding,

  • -

    vermindert de legesnota tot een bedrag van € 1.056,05;

- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.252,50;

- gelast dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van

€ 333 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 13 maart 2018 door mr.drs. M.H. van Schaik, voorzitter,

mr. W.A.P. van Roij en mr. M.R.T. Pauwels, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.C.W. Hermus, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.