Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:1717

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-03-2018
Datum publicatie
28-06-2018
Zaaknummer
BRE - 17 _ 3098
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:1593, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanslag IB/PVV; specifieke zorgkosten; proceskosten; artikel 8:75 van de Awb

Belanghebbende legt in de beroepsfase gegevens over op grond waarvan alsnog een deel van de in de aangifte geclaimde zorgkosten door de rechtbank in aftrek wordt toegestaan. Het beroep is gegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep heeft moeten maken, nu geen sprake is van een aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid en de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeit uit de handelwijze van belanghebbende.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 29-06-2018
FutD 2018-1793
V-N Vandaag 2018/1405
NTFR 2018/1800
NLF 2018/1505 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 17/3098

uitspraak van 22 maart 2018

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 7 april 2017 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2015 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.169 (aanslagnummer: [aanslagnummer].H.56.01) en de bij die aanslag in rekening gebrachte belastingrente.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2018 te Middelburg. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde, mr. B.H. Vader, en namens de inspecteur, [verweerder].

1 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.128 en vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;

  • -

    gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 aan deze vergoedt.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV 2015 gedaan. Belanghebbende heeft hierbij een bedrag van € 5.915 aangegeven als aftrek specifieke zorgkosten bestaande uit de volgende onderdelen:

Uitgaven voor hulpmiddelen

€ 100

Uitgaven voor vervoer i.v.m. ziekte of invaliditeit

€ 2.509

Dieetkosten

€ 200

Extra uitgaven voor kleding en beddengoed

€ 300

Genees- en heelkundige hulp

€ 1.804

Verhoging specifieke zorgkosten

€ 1.244

Totaal

€ 6.157

Af: drempel

€ 242 -/-

Totaal na drempel

€ 5.915

2.2.

De inspecteur heeft bij de aanslag IB/PVV 2015 de aftrek specifieke zorgkosten gecorrigeerd tot € 517. De correcties zien op de volgende onderdelen:

Geen aftrek uitgaven voor hulpmiddelen

€ 100

Minder aftrek uitgaven voor vervoer i.v.m. ziekte of invaliditeit

€ 2.467

Geen aftrek genees- en heelkundige hulp

€ 1.804

Correctie van de verhoging specifieke zorgkosten

€ 1.027

Totaal van de correcties

€ 5.398

Bij de aanslag heeft de inspecteur een beschikking belastingrente opgelegd.

2.3.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de aanslag en de beschikking belastingrente gehandhaafd.

2.4.

Is geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur de aftrek specifieke zorgkosten op een juist bedrag heeft vastgesteld.

2.5.

De rechtbank stelt voorop dat op belanghebbende, in geval van betwisting door de inspecteur zoals hier het geval is, de last rust de feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat hij recht heeft op aftrek van specifieke zorgkosten.

2.6.

Ten aanzien van een deel van de vervoerskosten te weten 16 bezoeken aan de huisarts, 6 bezoeken aan de tandarts en 2 bezoeken aan de pedicure heeft de inspecteur ter zitting gesteld deze vervoerskosten – naar aanleiding van de brief van belanghebbende van 26 februari 2018 – te accepteren. Voor de berekening van die reiskosten heeft de inspecteur zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank heeft deze kosten vastgesteld conform het overzicht van belanghebbende van 13 maart 2017 (bijlage 12 bij het verweerschrift) op € 29. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is verminderd met een bedrag van € 41 (€ 29 + verhoging specifieke zorgkosten van € 12). Voor de overige door belanghebbende gestelde vervoerskosten heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat deze zijn gemaakt, nu daarvan geen bewijs is bijgebracht. Deze kosten zijn dan ook terecht niet in aftrek toegelaten.

2.7.

Ter zake van de gestelde kosten voor het harsen heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat deze zijn gemaakt op basis van een medisch voorschrift. De enkele stelling van belanghebbende dat een medicus heeft aangegeven dat belanghebbende de harsbehandelingen kan voortzetten indien deze hem helpen, leidt nog niet tot de gevolgtrekking dat het harsen genees- en heelkundige hulp op basis van een medisch voorschrift is, zoals de wet- en regelgeving verlangt. Ook ter zake van de kosten van de pedicure ontbreekt het vereiste medisch voorschrift. De door belanghebbende bij brief van 26 februari 2018 overgelegde brief van de huisarts van 15 november 2016 voldoet niet aan de daaraan in de wet- en regelgeving gestelde vereisten (artikel 39 Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001). Voorts komen de kosten voor de crèmes en shampoos niet in aanmerking als uitgaven voor hulpmiddelen, omdat geen sprake is van medische hulpmiddelen. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat sprake is van farmaceutische hulpmiddelen, ontbreekt ook hiervoor het medisch voorschrift. De eigen bijdrage voor de WMO is op grond van artikel 6.18, eerste lid, onderdeel d, van de Wet inkomstenbelasting 2001 uitgesloten van aftrek. Ook van de overige door belanghebbende gestelde kosten is niet aannemelijk gemaakt dat daarvoor recht op aftrek bestaat.

2.8.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank het belastbaar inkomen uit werk en woning verminderd tot een bedrag van € 14.128 (vermindering van € 41).

2.9.

Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond verklaard.

2.10.

De rechtbank ziet geen aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep heeft gemaakt. Er is geen sprake van een aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid, zodat voor de bezwaarfase geen recht bestaat op een vergoeding van de proceskosten. Ter zake van de beroepsfase is de rechtbank van oordeel dat de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van belanghebbende (vergelijk Hoge Raad 12 mei 2016, ECLI:NL:HR:2006:AX0985). De inspecteur heeft in de aanslag- en bezwaarfase meerdere keren verzocht om informatie. De vermindering van het belastbaar inkomen door de rechtbank is het resultaat van de door belanghebbende eerst bij brief van 26 februari 2018 (in de beroepsfase) overgelegde stukken Naar het oordeel van de rechtbank hadden deze stukken redelijkerwijs ook op een eerder moment aan de inspecteur kunnen worden overgelegd. Nu de late aanlevering van deze stukken te wijten is aan belanghebbende zal de rechtbank geen proceskostenvergoeding voor de beroepsfase toekennen.

2.11.

Op grond van artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dient, nu het beroep gegrond is verklaard, de inspecteur aan belanghebbende het griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan op 22 maart 2018 door mr.drs. M.H. van Schaik, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. B. Knezevic, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.