Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:1646

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
20-03-2018
Datum publicatie
17-04-2018
Zaaknummer
AWB - 15 _ 6920
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:382, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 10, lid 2, Wet op de dividendbelasting 1965; verzoek om teruggaaf van dividendbelasting

Belanghebbende is een in Oostenrijk gevestigde ‘Privatstiftung’.

De rechtbank laat in het midden de vraag of belanghebbende, ware zij in Nederland gevestigd, het meest vergelijkbaar is met een BV of een stichting.

In eerste geval heeft belanghebbende geen recht op teruggaaf van dividendbelasting omdat zij dan in Nederland aan de heffing van vennootschapsbelasting zou zijn onderworpen.

In tweede geval heeft belanghebbende ook geen recht op teruggaaf van dividendbelasting omdat zij naar Nederlandse maatstaven transparant is. De oprichter van belanghebbende kon immers over het vermogen van belanghebbende beschikken als ware het zijn eigen vermogen.

De verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting zijn terecht afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet op de dividendbelasting 1965 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/874
Viditax (FutD), 17-04-2018
FutD 2018-1113
V-N 2018/39.2.1
NTFR 2018/1308 met annotatie van mr. dr. R.A. Bosman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 15/6920 tot en met 15/6922

Uitspraak van 20 maart 2018

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [plaats X] (Oostenrijk),

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur,

en

de Minister voor Rechtsbescherming,

derde-belanghebbende.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft met dagtekening 2 september 2014 drie verzoeken ingediend tot teruggaaf van ingehouden dividendbelasting, als bedoeld in artikel 10 van de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB). De verzoeken betreffen de jaren 2011, 2012 en 2014.

1.2.

Bij beschikkingen van 15 april 2015 heeft de inspecteur de verzoeken om teruggaaf afgewezen.

1.3.

Na bezwaar, door de inspecteur ontvangen op 1 mei 2015, heeft de inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 14 september 2015 de beschikkingen gehandhaafd.

1.4.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 21 oktober 2015, ontvangen bij de rechtbank op 23 oktober 2015, beroep ingesteld tegen deze uitspraken. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 331.

1.5.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna de inspecteur schriftelijk heeft gedupliceerd.

1.6.

Met toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

1.7.

Belanghebbende heeft bij brief van 11 oktober 2017, bij de rechtbank ingekomen op 12 oktober 2017, een verzoek om immateriëleschadevergoeding per zaak gedaan. De inspecteur heeft hierop bij brief van 19 oktober 2017, bij de rechtbank ingekomen op 23 oktober 2017, gereageerd. Deze reactie is in afschrift aan belanghebbende verzonden.

1.8.

De rechtbank heeft in deze laatste briefwisseling geen aanleiding gezien alsnog een behandeling ter zitting te beleggen en partijen bij brief van 21 december 2017 meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is een naar Oostenrijks recht opgerichte en in Oostenrijk gevestigde ‘Privatstiftung’. Op grond van Oostenrijks recht heeft belanghebbende rechtspersoonlijkheid.

2.2.

Belanghebbende is opgericht door [A] (hierna: [A]), woonachtig in Oostenrijk. Bij de oprichting heeft [A] een bedrag van € 70.000 ingebracht in het vermogen van belanghebbende.

2.3.1.

De oprichtingsakte, verleden op [datum] 2008 voor [B], notaris in [plaats X] , luidt in de Nederlandse taal voor zover hier van belang als volgt:

OPRICHTINGSAKTE

A. ALGEMENE BEPALINGEN

§1

Oprichter, naam, zetel

(1) De oprichter:

a) [A], geboren op [datum] 1963 (negentienhonderd drieënzestig), directeur, woonachtig te [plaats X] (hierna te noemen: oprichter),

besluit hierbij tot oprichting van een Privatstiftung [=private stichting] conform het Oostenrijkse Privatstiftungsgesetz (zoals gepubliceerd in het Bundesgesetzblatt 1993/694 [=Oostenrijkse Staatscourant, jaar/pag.]) in de alsdan geldende versie, en doet dit overeenkomstig de volgende bepalingen:

(2) De Privatstiftung is genaamd: [belanghebbende]

(3) [belanghebbende] (hierna te noemen: de Privatstiftung) is gevestigd te [plaats X] (Wien).

(…)

§3

Doel van de stichting

(1) Het doel van de stichting is als volgt:

a) de verzorging en ondersteuning van de begunstigden, met name de waarborging van een levensonderhoud dat aansluit bij de persoonlijke leefomstandigheden en dat op basis van de economische positie van de Privatstiftung mogelijk is, alsmede de ouderdomsvoorziening en economische ondersteuning van de begunstigden in de meest ruime zin van het woord;

b) de economische waarborging van het voortbestaan van de Privatstiftung voor de beoogde duur door instandhouding van het stichtingsvermogen, met name door consolidering en behartiging van de bedrijfsbelangen van die vennootschappen en ondernemingen waarin de Privatstiftung direct of indirect een deelneming heeft als bedoeld in § 228 (paragraaf tweehonderd achtentwintig) van het UGB [Unter nehmensgesetzbuch — Oostenrijks wetboek van ondernemingsrecht], met inbegrip van hieraan gelieerde ondernemingen en eventuele opvolgende vennootschappen, en wel door beschikbaarstelling van eigen vermogen resp. verschaffing van vreemd vermogen alsmede de tijdige verkoop resp. liquidatie van het stichtingsvermogen; voornoemde vennootschappen en ondernemingen worden hierdoor echter geen begunstigden van de Privatstiftung;

c) zorgdragen dat het stichtingsvermogen optimaal wordt beheerd en geïnvesteerd.

B. STICHTINGSVERMOGEN

§4

Schenking van stichtingsvermogen

(1) De oprichter schenkt hierbij aan de Privatstiftung kosteloos een contant vermogen ad € 70.000,- (zeventigduizend euro), dat in zijn geheel op de rekening van de Privatstiftung wordt gestort.

(2) Het stichtingsvermogen wordt verhoogd met schenkingen van de oprichter of derden, voor zover deze uitdrukkelijk aan de stichting worden gericht (de zogeheten Nach- en Zustiftungen naar Oostenrijks recht). Om rechtsgeldig te worden, dienen dergelijke schenkingen door de oprichter bij leven te worden goedgekeurd. Na het overlijden van de oprichter dienen dergelijke schenkingen door het stichtingsbestuur te worden goedgekeurd.

(…)

C. ORGANEN

§6

Stichtingsbestuur

(1) Het stichtingsbestuur bestaat uit 3 (drie) leden.

(2) Tot leden van het eerste stichtingsbestuur worden benoemd:

a) [C], geboren op [datum] 1963, beherend vennoot,

woonachtig te [plaats X];

b) [D], geboren op [datum] 1964, directeur, woonachtig te [plaats Y];

c) [E], geboren op [datum] 1950, bankdirecteur, woonachtig te [plaats X].

(3) Het stichtingsbestuur kiest voor de betreffende functieperiode uit zijn midden een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter. Indien de voorzitter van het stichtingsbestuur of diens plaatsvervanger terugtreedt, dient er onmiddellijk na de benoeming van een opvolgend bestuurslid een nieuwe verkiezing voor het (plaatsvervangend) voorzitterschap plaats te vinden.

(4) De Privatstiftung wordt, voor zover de oprichtingsverklaring in de alsdan geldende versie niet anderszins bepaalt, telkens door twee leden van het stichtingsbestuur gezamenlijk

vertegenwoordigd. De conform lid 8 (acht) benoemingsgerechtigde personen kunnen bepalen dat afzonderlijke bestuursleden de stichting zelfstandig vertegenwoordigen.

(5) Het stichtingsbestuur neemt, voor zover wettelijke voorschriften of de oprichtingsverklaring in de alsdan geldende versie niet anderszins bepalen, zijn besluiten met gewone meerderheid van de uitgebrachte stemmen. Bij het staken van de stemmen geeft de stem van de voorzitter van het stichtingsbestuur de doorslag.

(6) De functietermijn van het eerste stichtingsbestuur alsmede die van alle daaropvolgende

besturen bedraagt telkens drie jaar, gerekend vanaf de inschrijving van de bestuursleden

in het handelsregister. Indien leden van het stichtingsbestuur voortijdig uit hun functie terugtreden, dient er onmiddellijk een opvolgend bestuurslid te worden benoemd voor de resterende functieperiode van het teruggetreden bestuurslid. Indien alle leden van het stichtingsbestuur terugtreden, dient het stichtingsbestuur in zijn geheel opnieuw te worden benoemd. Herbenoeming van leden van het stichtingsbestuur is toegestaan.

(7) De functie van een terugtredend bestuurslid eindigt - behalve in geval van diens overlijden, bij ontslag om zwaarwegende redenen of bij terugtreding met onmiddellijke ingang - pas met de rechtsgeldige benoeming van een opvolgend bestuurslid. In het benoemingsbesluit kan een afwijkende functietermijn voor afzonderlijke bestuursleden

worden vastgelegd.

(8) De (her)benoeming van leden van het stichtingsbestuur (opvolgende leden) geschiedt

door de adviesraad van de stichting [Stiftungsbeirat]. Zo lang er nog geen adviesraad is

ingesteld, geschiedt de (her)benoeming van leden van het stichtingsbestuur door de

rechtbank met bevoegdheid voor het betreffende handelsregister, waarbij aan de oprichter

en - na diens overlijden resp. na intreding van diens duurzame handelingsonbekwaamheid

- aan de adviesraad van de stichting een recht van voordracht toekomt.

(9) Elk lid van het stichtingsbestuur kan ook zonder opgaaf van zwaarwegende redenen,

met inachtneming van een termijn van één maand tegen het einde van elk kwartaal en

middels schriftelijke mededeling aan het stichtingsbestuur zijn functie neerleggen. Het

stichtingsbestuur dient de terugtreding van het lid van het stichtingsbestuur onmiddellijk

schriftelijk, per fax of e-mail te melden aan de oprichter, die een toestemmingsrecht

(resp. recht van voordracht) heeft.

(10) De leden van het stichtingsbestuur kunnen om zwaarwegende redenen te allen tijde

met onmiddellijke ingang worden ontslagen door de alsdan benoemingsgerechtigde personen conform § 8 (acht) alsmede door de rechtbank met bevoegdheid voor het betreffende handelsregister.

(11) De leden van het stichtingsbestuur dienen hun taken spaarzaam, met de zorgvuldigheid

van een gewetensvol bestuurder alsmede met inachtneming van de Wettelijke voorschriften en de bepalingen van de oprichtingsverklaring in de alsdan geldende versie te vervullen. Alle besluiten en beschikkingen die niet conform het Privatstiftungsgesetz en de oprichtingsverklaring aan andere instanties of organen zijn voorbehouden, vallen binnen de bevoegdheid van het stichtingsbestuur.

(12) Het stichtingsbestuur is gemachtigd een reglement op te stellen. De vaststelling en

aanpassing van het reglement van het stichtingsbestuur behoeven behalve het desbetreffend

besluit van het stichtingsbestuur tevens de toestemming van de adviesraad van de stichting.

(13) Alle leden van het stichtingsbestuur zijn - behalve tegenover andere stichtingsorganen

en rechtbanken, voor zover aan hen bepaalde taken conform het Privatstiftungsgesetz in de alsdan geldende versie zijn toegewezen - verplicht tot geheimhouding over alle aangelegenheden aangaande de Privatstiftung, waarvan zij in het kader van hun functie kennis nemen. Deze geheimhoudingsplicht blijft ook voortduren na hun terugtreding als lid van het stichtingsbestuur. Bij terugtreding als lid van het stichtingsbestuur dienen alle schriftelijke documenten aangaande aangelegenheden van de Privatstiftung weer aan de Privatstiftung te worden teruggegeven.

(…)

§ 8

Adviesraad van de stichting

(1) Het volgende stichtingsorgaan dat wordt benoemd, is de adviesraad van de stichting.

Deze bestaat uit één, twee of drie leden. De adviesraad van de stichting dient - aanvullend

op de taken die conform de oprichtingsverklaring in de alsdan geldende versie aan dit orgaan worden toegewezen - het stichtingsbestuur te adviseren bij het beheer van het stichtingsvermogen alsmede bij het vaststellen van de begunstigden en de omvang van de aan hen te verstrekken uitkeringen.

(2) De adviesraad kiest, voor zover deze uit meerdere personen bestaat, telkens voor een

termijn van drie boekjaren uit zijn midden een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter. Indien de adviesraad van de stichting vóór het verstrijken van de functieperiode niet anderszins besluit, wordt de functieperiode van de voorzitter van de adviesraad en diens plaatsvervanger automatisch met drie boekjaren verlengd. Indien de voorzitter van de adviesraad van de stichting of diens plaatsvervanger terugtreedt, dient er onmiddellijk na de benoeming van een opvolgend lid van de adviesraad een nieuwe verkiezing voor het (plaatsvervangend) voorzitterschap plaats te vinden.

(3) De adviesraad van de stichting wordt zowel tegenover de andere stichtingsorganen als

tegenover derden vertegenwoordigd door de voorzitter van de adviesraad, en indien deze verhinderd is, door diens plaatsvervanger.

(4) De oprichter bepaalt hierbij dat er een adviesraad van de stichting wordt ingesteld.

Voor de adviesraad gelden de volgende regelingen:

a) Vooralsnog is de oprichter het enige lid van de adviesraad van de stichting. Elk lid van de adviesraad heeft één stem.

b) Na het overlijden van de oprichter resp. na intreding van diens duurzame handelingsonbekwaamheid zullen die personen tot de adviesraad van de stichting toetreden die de oprichter schriftelijk tegenover het stichtingsbestuur dan wel in een geldige vorm van laatste wilsbeschikking heeft aangewezen. Indien de oprichter een dergelijke beschikking achterwege laat, dan gelden subsidiair de bepalingen inzake wettelijke erfopvolging.

c) In het vervolg dienen de betreffende leden van de adviesraad te bepalen op wie

het recht tot benoeming en ontslag van leden van de adviesraad (hierna te noemen;

'nominatierecht') overgaat. Een dergelijke beschikking dient schriftelijk tegenover

het stichtingsbestuur dan wel in een geldige vorm van laatste wilsbeschikking te geschieden. Indien een dergelijke beschikking ontbreekt, gaan voornoemde rechten over op de persoon die de laatste gerechtigde persoon in diens hoedanigheid van begunstigde opvolgt. Voornoemde rechten kunnen uitsluitend overgaan op personen die begunstigden van deze stichting zijn. Indien het nominatierecht

op meerdere personen overgaat, kan het nominatierecht telkens uitsluitend

middels een unanieme verklaring van de alsdan nominatiegerechtigde personen

worden uitgeoefend. Indien de nominatiegerechtigde personen geen unanimiteit

kunnen bereiken, ligt voor de duur van meningsgeschil de overeenkomstige

functie van de adviesraad stil.

(5) In het vervolg geldt dat, zolang een nominatiegerechtigde persoon de leeftijd van

21 (eenentwintig) jaar nog niet heeft bereikt (bij meerdere nominatiegerechtigde personen

geldt de minimale leeftijd van 21 jaar voor de telkens jongste nominatiegerechtigde persoon), dient het nominatierecht te worden uitgeoefend door de wettelijke vertegenwoordigers van de betreffende nominatiegerechtigde persoon resp. de laatste wettelijke vertegenwoordigers dan wel - indien de nominatiegerechtigde persoon een beheerder heeft aangesteld - door de betreffende beheerder resp. de laatste beheerder.

(6) De betreffende nominatiegerechtigde personen kunnen ook zichzelf benoemen tot lid

van de adviesraad van de stichting.

(7) De leden van de adviesraad van de stichting worden telkens voor onbepaalde duur

benoemd. Indien leden uit de adviesraad terugtreden, worden de opvolgende leden

benoemd conform de leden 4 (vier) en 5 (vijf).

(8) Elk lid van de adviesraad van de stichting kan met inachtneming van een termijn van

vier weken, ook zonder opgaaf van zwaarwegende redenen en middels een schriftelijke

mededeling aan de voorzitter van het stichtingsbestuur (indien deze verhinderd is,

aan diens plaatsvervanger) zijn functie neerleggen.

(9) De leden van de adviesraad van de stichting kunnen ook zonder opgaaf van zwaarwegende redenen te allen tijde met onmiddellijke ingang worden ontslagen. Het recht om leden van de adviesraad te ontslaan, richt zich naar de leden 4 (vier) en 5 (vijf). Een

ontslag dient te geschieden middels een aangetekende brief en treedt in werking met de ontvangst van de ontslagbrief door het betreffende lid van de adviesraad.

(10) Een lid van het stichtingsbestuur kan niet tegelijkertijd lid van de adviesraad van de

stichting zijn.

(11) Het stichtingsbestuur dient de leden van de adviesraad de jaarrekening, het jaarverslag

alsmede het accountantsverslag met betrekking tot de stichting toe te zenden. Op verzoek

van de adviesraad van de stichting dient het stichtingsbestuur aan het overleg van de adviesraad deel te nemen. De adviesraad kan tegen leden van de stichtingsorganen schadeclaims indienen ten behoeve van de stichting, indien in het verslag van de accountant of een andere speciale controleur feiten worden vastgesteld die aanleiding geven tot dergelijke schadeclaims. Voor het voeren van een rechtsgeding tegen stichtingsorganen kan de adviesraad bijzondere vertegenwoordigers benoemen.

(12) De leden van de adviesraad van de stichting hebben te allen tijde het recht op inzage

in de boeken en afrekeningen van de Stichting tijdens de gebruikelijke kantooruren. Dit

recht op inzage in de boeken kan met of zonder raadpleging van een fiscalist of accountant

worden uitgeoefend. Verder kan elk lid van de adviesraad te allen tijde van het stichtingsbestuur informatie verlangen over alle aangelegenheden met betrekking tot de stichting.

(13) De adviesraad van de stichting is gemachtigd een reglement op te stellen. Zolang de

adviesraad geen reglement heeft opgesteld, is het reglement van het stichtingsbestuur mutatis mutandis van toepassing op de adviesraad van de stichting.

(14) De adviesraad van de stichting neemt zijn besluiten, voor zover de oprichtingsverklaring in de alsdan geldende versie niet anderszins bepaalt, met twee derde meerderheid van de uitgebrachte stemmen. Voor zover de oprichtingsverklaring in de alsdan geldende versie niet anderszins bepaalt, geeft bij het staken van de stemmen de stem van

de voorzitter van de adviesraad niet de doorslag. Indien de adviesraad ten aanzien van een bepaalde kwestie niet tot een besluit komt, gaat voor de duur van het mengingsgeschil de betreffende beslissingsbevoegdheid over op het stichtingsbestuur. Hetzelfde geldt wanneer en zolang er om welke redenen dan ook geen adviesraad van de stichting is benoemd.

(15) De aanvullende oprichtingsakte kan voorzien in nadere regelingen aangaande de interne organisatie van de adviesraad van de stichting.

§9

Raad van toezicht

(1) De Privatstiftung heeft geen raad van toezicht, tenzij de instelling van een dergelijke

raad op grond van de bepalingen van het Privatstiftungsgesetz bindend wordt voorgeschreven.

(…)

D. BEGUNSTIGDEN

§10

Begunstigden

(1) Als begunstigden van de Privatstiftung gelden die personen die het stichtingsbestuur overeenkomstig de nadere bepalingen in de aanvullende oprichtingsakte aanwijst.

(…)

E. WIJZIGING VAN DE OPRICHTINGSVERKLARING;

HERROEPING VAN DE OPRICHTING; AANVULLENDE OPRICHTINGSAKTE

§11

Wijziging van de oprichtingsverklaring

(1) De oprichter behoudt zich het recht voor om de oprichtingsverklaring (omvattende de oprichtingsakte en de aanvullende oprichtingsakte) te wijzigen. Het recht tot wijziging van de oprichtingsverklaring omvat ook het recht om deze § 11 (paragraaf 11) van de oprichtingsverklaring te wijzigen.

(…)

§12

Herroeping van de oprichting

(1) De oprichter behoudt zich het recht voor om deze oprichting te allen tijde zonder opgaaf van redenen te herroepen.

(2) Het vermogen dat na afwikkeling van de stichting overblijft, dient onder de laatste begunstigden te worden verdeeld conform de regels die in de aanvullende oprichtingsakte zijn voorzien voor het geval dat de stichting wordt ontbonden.

§13

Aanvullende oprichtingsakte

(1) De oprichter behoudt zich het recht voor naar aanleiding van de oprichting van de stichting dan wel op een later tijdstip één of meerdere aanvullende oprichtingsakten (Stiftungszusatzurkunden) op te stellen resp. te wijzigen.”

2.3.2.

De aanvullende oprichtingsakte, verleden op [datum] 2009 voor [B], notaris in [plaats X] , luidt in de Nederlandse taal voor zover hier van belang als volgt:

“Conform § 13 (paragraaf 13) van de oprichtingsovereenkomst stelt de oprichter hierbij onderstaande aanvullende oprichtingsakte [Stiftungszusatzurkunde] op met de volgende bepalingen:

A. BEGUNSTIGDEN

§2

Vaststelling van de begunstigden

(1) Conform § 10 (paragraaf tien) lid 1 (één) van de oprichtingsakte gelden die personen als begunstigden van de stichting, die het stichtingsbestuur overeenkomstig de nadere bepalingen van de aanvullende oprichtingsakte als zodanig heeft vastgesteld. Het stichtingsbestuur is bij de vaststelling van de begunstigden en de besluitvorming hieromtrent gebonden aan de regelingen van deze aanvullende oprichtingsakte. Elke andere beschikking is niet toegestaan en dient als ongeldig te worden beschouwd.

(2) Het stichtingsbestuur is verantwoordelijk voor het vaststellen van de begunstigden

overeenkomstig de onderstaande regelingen:

a) Bij leven van de oprichter is deze de enige begunstigde van de Privatstiftung.

b) De oprichter kan ertoe besluiten dat bij zijn leven nog andere personen begunstigden van de stichting worden. Dergelijke beschikkingen dienen schriftelijk tegenover het stichtingsbestuur te geschieden.

c) Alle opbrengsten van de stichting dienen, voor zover de oprichter tegenover het stichtingsbestuur schriftelijk niet anderszins bepaalt, te worden gereserveerd voor uitkering aan de oprichter. Uitkeringen aan de oprichter zijn echter pas toegestaan na voorafgaande besluitvorming door de adviesraad van de stichting conform § 3 (paragraaf 3) lid 2 (twee) van deze aanvullende oprichtingsakte.

(…)

§3

Uitkeringen aan begunstigden

(1) De uitkeringen dienen aan de begunstigden te worden verstrekt volgens de verdelingscriteria in § 2 (paragraaf 2) van de aanvullende oprichtingsakte, voor zover de volgende leden niet anderszins bepalen.

(2) Voorafgaand aan de verstrekking van uitkeringen is er een besluit van de adviesraad van de stichting vereist, waarin de omvang en het tijdstip van de gewenste uitkering dienen te worden aangegeven. Het stichtingsbestuur kan zich - voor zover mogelijk - bij het besluit over de verstrekking van uitkeringen richten naar de besluiten van de adviesraad. Indien er geen besluit van de adviesraad van de stichting tot stand komt, neemt het stichtingsbestuur — voor de duur van het meningsgeschil in de adviesraad - hierover zelfstandig een besluit.

(…)

C. VERGOEDING EN INTERNE STRUCTUUR VAN DE STICHTINGSORGANEN

(…)

§6

Transacties waarvoor toestemming is vereist

(1) De volgende transacties behoeven intern binnen de stichting voorafgaande toestemming van de adviesraad:

1) het verrichten van rechtshandelingen die buiten de reguliere bedrijfsvoering van de stichting vallen of die voor de stichting van fundamenteel belang zijn, alsmede fundamentele kwesties aangaande het beleggen van het stichtingsvermogen;

2) het al dan niet tegen betaling overdragen van aanzienlijke vermogenswaarden van de stichting (inclusief omzettingen in bredere zin), indien de waarde van de desbetreffende delen van het stichtingsvermogen groter is dan € 20.000,- (twintigduizend euro);

3) het aankopen, verkopen en belasten van onroerend goed en vergelijkbare eigendomsrechten;

4) het aankopen, verkopen en belasten van deelnemingen:

5) het doen van investeringen, voor zover het afzonderlijke investeringsproject in zijn economische eenheid resp. voor zover de afzonderlijke uitgave aan één en dezelfde opdrachtgever groter is dan € 20.000,- (twintigduizend euro);

6) het verrichten van rechtshandelingen die voor de stichting een bindende werking van langer dan twaalf maanden hebben, voor zover de hieruit voor de stichting voortvloeiende verplichtingen in totaal groter zijn dan € 20.000,- (twintigduizend euro);

7) het aangaan van leningen en kredieten alsmede van verplichtingen op basis van wissels;

8) het uitoefenen van stemrecht in algemene vergaderingen van vennootschappen waarin de stichting een belang heeft dat overeenkomt met minstens 20 (twintig) procent van de stemrechten of het kapitaal;

9) het verrichten van rechtshandelingen met leden van het stichtingsbestuur en hun naaste familieleden als bedoeld in § 32 (paragraaf tweeëndertig) van de Konkursordnung [Oostenrijks faillissementsreglement];

10) het verrichten van rechtshandelingen met begunstigden en hun naaste familieleden als bedoeld in § 32 (paragraaf tweeëndertig) van de Konkursordnung, uitgezonderd het verstrekken van uitkeringen overeenkomstig de aanvullende oprichtingsakte in de alsdan geldende versie;

11) het sluiten en wijzigen van aanstellingsovereenkomsten alsmede het verstrekken van handelingsvolmachten;

12) elke wijziging van de oprichtingsverklaring, voor zover deze conform § 11 (paragraaf elf) van de oprichtingsakte binnen de bevoegdheid van het stichtingsbestuur valt.

D. ONTBINDING VAN DE STICHTING

§7

Vermogensuitkering bij ontbinding van de stichting

(1) De laatste begunstigden [Letztbegünstigte] van deze stichting zijn, voor zover de oprichtingsverklaring in de alsdan geldende versie niet anderszins bepaalt, die personen die ten tijde van de ontbinding van de stichting begunstigden conform § 2 (paragraaf twee) van deze aanvullende oprichtingsakte zijn. Het vermogen dat bij ontbinding van de stichting moet worden verdeeld, dient conform de verdelingscriteria in § 2 (paragraaf 2) te worden uitgekeerd aan de laatste begunstigden.”

2.3.3.

Het besluit inzake de wijziging van de oprichtingsakte van belanghebbende, verleden op [datum] 2009 voor [B], notaris in [plaats X] , luidt in de Nederlandse taal voor zover hier van belang als volgt:

Ҥ8

Adviesraad van de stichting

(1) Het volgende stichtingsorgaan dat wordt benoemd, is de adviesraad van de stichting. Deze bestaat uit één, twee of drie leden. De adviesraad van de stichting dient — aanvullend op de taken die conform de oprichtingsverklaring in de alsdan geldende versie aan dit orgaan worden toegewezen — het stichtingsbestuur te adviseren bij het beheer van het stichtingsvermogen alsmede bij het vaststellen van de begunstigden en de omvang van de aan hen te verstrekken uitkeringen.

(…)

(4) De oprichter bepaalt hierbij dat er een adviesraad van de stichting wordt ingesteld.

Voor de adviesraad gelden de volgende regelingen:

a) Naast de oprichter [A] behoren tot de adviesraad van de stichting: [F] (…), alsmede [G](…). In het kader van de adviesraad van de stichting heeft de oprichter drie stemmen, terwijl elk ander lid telkens één stem heeft.

(…)

c) Na het overlijden van de oprichter resp. na intreding van diens duurzame handelingsonbekwaamheid zullen die personen tot de adviesraad van de stichting toetreden die de oprichter schriftelijk tegenover het stichtingsbestuur dan wel in een geldige vorm van laatste wilsbeschikking heeft aangewezen. Indien de oprichter een dergelijke beschikking achterwege laat, dan gelden subsidiair de bepalingen inzake wettelijke erfopvolging.”

2.4.

Belanghebbende beschikt enkel over beleggingsvermogen, waaronder een belang van 0,24% in de in Nederland gevestigde vennootschap [H BV]. Belanghebbende heeft in de onderhavige jaren als aandeelhouder dividenden ontvangen van [H BV]. Bij de uitkering van die dividenden is steeds 15 % dividendbelasting ingehouden. In totaal is over deze jaren € 129.657 aan dividendbelasting ingehouden.

2.5.

Belanghebbende is in Oostenrijk voor haar activiteiten onderworpen aan een belastingheffing naar de winst. De Nederlandse dividenduitkeringen waren in deze jaren in Oostenrijk vrijgesteld van belastingheffing zodat er voor belanghebbende geen mogelijkheid is om de dividendbelasting te verrekenen met een winstbelasting. Ook wordt in Oostenrijk voor deze dividendbelasting aan belanghebbende geen tegemoetkoming verleend. Belanghebbende heeft daarom verzocht om teruggaaf van de ingehouden dividendbelasting (zie 1.1.). Het verzoek luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Namens onze cliënte, [belanghebbende] , gevestigd in Oostenrijk, treft u bijgaand met 3 verzoeken voor de teruggaaf van dividendbelasting, voor buitenlandse lichamen met vrijstelling van winstbelasting, voor de jaren 2011, 2012 en 2014.”

Bij het verzoek om teruggaaf is een aangifte dividendbelasting gevoegd waarin, voor zover hier van belang, het volgende is vermeld:

“Verzoek

Dividendbelasting

Teruggaaf voor buitenlandse lichamen met vrijstelling van winstbelasting.

Naam rechtspersoon [belanghebbende]

Fiscaal nummer [fiscaal nummer]

Adres [plaats X]

Land Oostenrijk”

3 Geschil

3.1.

In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op teruggaaf van de ingehouden Nederlandse dividendbelasting over de jaren 2011, 2012 en 2014.

3.2.

Voor een uiteenzetting van de standpunten van partijen en hun conclusies verwijst de rechtbank naar de van hen afkomstige stukken.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf

4.0.

Nadat partijen in juli 2016 aan de rechtbank hebben laten weten dat een mondelinge behandeling niet nodig is, wordt pas nu uitspraak gedaan. Oorzaak hiervan is mede dat deze zaak lange tijd (ten onrechte) in het werkproces is meegegaan in de grote zaakstroom van dividendbelastingzaken van buitenlandse beleggingsfondsen. De rechtbank betreurt de vertraging.

Juridisch kader

4.1.

Op grond van artikel 10, eerste lid van de Wet DB wordt aan een in Nederland gevestigde rechtspersoon die niet aan vennootschapsbelasting is onderworpen, op verzoek teruggaaf verleend van te zijnen laste ingehouden dividendbelasting. Deze regel is niet van toepassing op dividendbelasting naar opbrengsten met betrekking waartoe de rechtspersoon niet de uiteindelijk gerechtigde is. Het tweede lid bepaalt dat het eerste lid van overeenkomstige toepassing is ten aanzien van een lichaam dat is gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie dat aldaar niet aan de belastingheffing naar de winst is onderworpen (hierna: de eerste eis) en dat, ware het in Nederland gevestigd geweest, ook alhier niet aan de heffing van vennootschapsbelasting zou zijn onderworpen (hierna: de tweede eis).

4.2.

Artikel 2 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) luidt voor zover van belang als volgt:

1 Als binnenlandse belastingplichtigen zijn aan de belasting onderworpen de in Nederland gevestigde:

a. naamloze vennootschappen, besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, open commanditaire vennootschappen en andere vennootschappen welker kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld;

b. coöperaties en verenigingen op coöperatieve grondslag;

c. onderlinge waarborgmaatschappijen en verenigingen welke op onderlinge grondslag als verzekeraar of kredietinstelling optreden;

d. verenigingen en stichtingen die op de voet van de Woningwet bij koninklijk besluit zijn toegelaten als instellingen die in het belang van de volkshuisvesting werkzaam zijn;

e. hiervoor niet genoemde verenigingen en stichtingen alsmede andere dan publiekrechtelijke rechtspersonen, indien en voor zover zij een onderneming drijven;

f. fondsen voor gemene rekening;

g. in het derde lid vermelde ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen.”

Standpunten met betrekking tot artikel 10, lid 2, van de Wet DB

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat beoordeeld naar intern recht belanghebbende geen recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting op grond van artikel 10, lid 2, van de Wet DB. Niet in geschil is namelijk dat zij niet voldoet aan de in 4.1 bedoelde eerste eis (zie 2.5).

Belanghebbende betoogt evenwel, met verwijzing naar (onderdeel 6.9 van de conclusie van A-G Wattel voor) het arrest HR 15 november 2013, BNB 2014/20, dat deze eis in strijd is met EU-recht. Verder stelt zij dat voldaan wordt aan de in 4.1 bedoelde tweede eis. Indien zij in Nederland gevestigd zou zijn geweest, zou zij namelijk niet aan de heffing van Nederlandse vennootschapsbelasting zijn onderworpen omdat zij vergelijkbaar is met een stichting en zij geen onderneming drijft.

De inspecteur bestrijdt niet expliciet het standpunt van belanghebbende betreffende de eerste eis. Hij stelt evenwel dat belanghebbende geen recht heeft op teruggaaf om andere redenen. In de kern betoogt de inspecteur:

  1. Belanghebbende voldoet niet aan de in 4.1 bedoelde tweede eis. Indien zij in Nederland gevestigd zou zijn, zou zij namelijk onderworpen zijn aan vennootschapsbelasting, aangezien zij naar Nederlandse maatstaven het best vergelijkbaar is met een vennootschap die onder de reikwijdte van artikel 2, lid 1, onderdeel a, van de Wet Vpb valt (hierna: de kapitaalvennootschap);

  2. Indien belanghebbende toch het meest vergelijkbaar zou zijn met een stichting als bedoeld in artikel 2, lid 1, onderdeel e, van de Wet Vpb, dan geldt dat belanghebbende niet als de uiteindelijke gerechtigde van het dividend is aan te merken, omdat haar insteller – [A] – over het vermogen van belanghebbende kan beschikken als ware het zijn eigen vermogen.

Overwegingen

4.4.

Partijen houdt onder meer verdeeld of indien belanghebbende in Nederland gevestigd zou zijn geweest, zij wel of niet aan de heffing van Nederlandse vennootschapsbelasting zou zijn onderworpen.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 2, lid 1, van de Wet Vpb geen algemene (vangnet)regeling bevat voor de bepaling of een privaatrechtelijke entiteit naar buitenlands recht dat naar fiscale maatstaven in Nederland is gevestigd, binnenlands belastingplichtig is voor de Nederlandse vennootschapsbelasting. Wel kent onderdeel a van het eerste lid een zinsnede (namelijk: “andere vennootschappen welker kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld”) op grond waarvan een entiteit naar buitenlands recht die overeenkomt met een kort gezegd een Nederlandse kapitaalvennootschap (naamloze vennootschap, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, of open commanditaire vennootschap), als binnenlands vennootschapsbelastingplichtig wordt aangemerkt (vgl. HR 16 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5622, BNB 1994/191). Voor een ander (privaatrechtelijke) entiteit naar buitenlands recht ligt het voor de bepaling van de vennootschapsbelastingplicht voor de hand om te beoordelen of het vergelijkbaar is met een ander lichaam dat in onderdelen b tot en met f van artikel 2, lid 1, van de Wet Vpb wordt genoemd of met een naar Nederlandse fiscale maatstaven transparante entiteit zoals de vennootschap onder firma.

Partijen gaan er in de kern beiden van uit dat voor de bepaling of indien belanghebbende in Nederland gevestigd zou zijn geweest zij vennootschapsbelastingplichtig zou zijn geweest, moet worden beoordeeld met welk Nederlandse entiteit de rechtsvorm van belanghebbende het meest vergelijkbaar is. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank partijen daarin (vgl. ook de ‘corporate resemblence’-methode genoemd door J.L. van de Streek, Cursus Belastingrecht, Vpb.1.0.1.B.c.1).

4.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat de rechtsvorm van belanghebbende, de Privatstiftung, niet vergelijkbaar is met een naar Nederlandse fiscale maatstaven transparante entiteit zoals de vennootschap onder firma. De discussie tussen partijen spitst zich toe op de vraag of de Privatstiftung het meest vergelijkbaar is met een Nederlandse besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (hierna: BV) dan wel met een Nederlandse stichting. Met partijen is de rechtbank van oordeel dat daarbij van belang is de vergelijking tussen de civielrechtelijke kenmerken naar buitenlands recht van de Privatstiftung en enerzijds de kenmerken van een BV en anderzijds die van een Nederlandse stichting. Het gaat daarbij (echter) niet om een geïsoleerde civielrechtelijke vergelijking maar om een vergelijking van de civielrechtelijke kenmerken in de context van het systeem van de Nederlandse belastingheffing. Verder is niet noodzakelijk dat de Privatstiftung één op één vergelijkbaar is met een BV dan wel een stichting, maar gaat het erom met welke Nederlandse rechtsvorm Privatstiftung relatief gezien – dus ten opzichte van de andere Nederlandse rechtsvormen – het meest vergelijkbaar is.

Met betrekking tot de bedoelde fiscale context verdient het volgende opmerking. De achtergrond van de heffing van vennootschapsbelasting van BV’s is mede gelegen in de verhouding met de inkomstenbelasting: zonder vennootschapsbelasting zou langdurig uitstel van belastingheffing mogelijk zijn. De samenhang tussen de vennootschapsbelasting en de inkomstenbelasting komt ook naar voren in de tariefstelling van inkomstenbelasting ter zake van inkomen uit een aanmerkelijk belang in een BV. De stichting is in beginsel niet vennootschapsbelastingplichtig. De noodzaak tot heffing in verband met de inkomstenbelasting speelt bij een stichting niet, omdat een stichting geen aandeelhouders of daarmee vergelijkbare participanten kent. De achtergrond van de heffing van vennootschapsbelasting bij een stichting indien en voor zover zij een onderneming drijft, ligt in het voorkomen van concurrentieverstoring en het vermijden van ontwijking van vennootschapsbelasting door een onderneming in een stichting te drijven.

4.6.

Een belangrijk argument voor het standpunt van belanghebbende dat indien zij in Nederland gevestigd zou zijn geweest, zij niet behandeld zou worden zoals een BV, is de – door de inspecteur niet bestreden – omstandigheid dat zij geen kapitaal heeft dat “geheel of ten dele in aandelen is verdeeld”. Vanuit het oogpunt dat het er om gaat met welke Nederlandse rechtsvorm de Privatstiftung relatief gezien het meest vergelijkbaar is, is dat echter nog niet zonder meer doorslaggevend. Tegenover de door belanghebbende aangevoerde omstandigheid staan diverse door de inspecteur aangevoerde aanknopingspunten c.q. argumenten, die pleiten voor het standpunt van de inspecteur dat de onderhavige Privatstiftung het meest vergelijkbaar is met een BV voor de bepaling van de Nederlandse vennootschapsbelastingplicht. De belangrijkste zijn naar het oordeel van de rechtbank:

  • -

    Op grond van Oostenrijks recht moet bij de oprichting van een Privatstiftung aan haar een vermogen van ten minste € 70.000 ter beschikking worden gesteld. Dat is ook hier gebeurd (zie 2.2). Deze vermogensstortingseis komt tot op zekere hoogte overeen met (voormalige) de eis van een minimumkapitaal bij de BV; een vergelijkbare eis wordt bij de stichting niet gesteld.

  • -

    Het gaat hier om een zogenoemde ‘eigennutzige’ Privatstiftung ter onderscheiding van een ‘gemeinnützige’ Privatstiftung. Volgens Oostenrijks recht mag de Stifter de begunstigde van een Privatstiftung zijn. Dat geval doet zich hier voor. Verder is het doel van belanghebbende mede de verzorging en ondersteuning van de begunstigden. De band met de oprichter c.q. de mogelijkheid van het doen van uitkeringen aan de oprichter of een (andere) begunstigde, maakt belanghebbende op dit punt meer vergelijkbaar met een BV dan met een stichting, in aanmerking genomen artikel 2:185, lid 3, BW.

  • -

    Een Stifter kan een recht hebben tot wijziging van de statuten en tot herroeping van een Privatstiftung, in welk geval van herroeping het vermogen de Stifter weer toevloeit. Deze band tussen Stifter en Privatstiftung heeft meer verwantschap met de band tussen een grootaandeelhouder en de BV dan met de band tussen de oprichter van een stichting met die stichting. De inspecteur heeft ook gewezen op een Oostenrijkse publicatie waarin wordt gesteld: “Änderungs- und Widerrufsrecht können vermögenswerte Rechte darstellen.

  • -

    De inspecteur heeft gewezen op een Oostenrijkse publicatie waarin wordt gemeld dat de structuur van een Privatstiftung overeenkomt met dat van een ‘limited company’, zij het dat er begunstigden zijn in plaats van aandeelhouders.

  • -

    Voor de Oostenrijkse vennootschapsbelasting wordt een ‘gemeinnützige’ Privatstiftung vrijgesteld van vennootschapsbelasting. Dit komt overeen met de behandeling van een stichting in Nederland indien geen onderneming wordt gedreven. Een ‘eigennutzige’ Privatstiftung, zoals belanghebbende, is daarentegen aan Oostenrijkse vennootschapsbelasting onderworpen.

4.7.

Voor de beslechting van het geschil is het echter in dit geval niet nodig te beslissen of belanghebbende het meest vergelijkbaar is met een BV dan wel met een stichting voor de bepaling van de Nederlandse vennootschapsbelastingplicht.

Tussen partijen is terecht niet in geschil dat in het geval belanghebbende het meest vergelijkbaar met een BV is, belanghebbende geen recht zou hebben op teruggaaf van dividendbelasting.

Ook in het geval belanghebbende het meest vergelijkbaar is met een stichting, zou belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank geen recht hebben op teruggaaf van dividendbelasting. Weliswaar zou belanghebbende in dat geval niet vennootschapsbelastingplichtig zijn (indien zij in Nederland gevestigd zou zijn geweest), aangezien zij – naar tussen partijen niet in geschil is – geen onderneming drijft. Maar de rechtbank is met de inspecteur van oordeel dat in dat geval belanghebbende als ‘transparant’ in de hierna bedoelde zin moet worden behandeld voor de Nederlandse belastingheffing. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.8.

Voor de vraag of belanghebbende transparant is, is gelet op het arrest van de Hoge Raad van 19 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2694, vereist dat [A] over de vermogensbestanddelen kon beschikken als ware het zijn eigen vermogen. Dit dient op basis van de feiten te worden beoordeeld. Welke feiten daarvoor relevant (kunnen) zijn, kan behalve uit dit arrest ook uit het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4102, worden afgeleid. Wel verdient opmerking dat voor ‘transparantie’ van een stichting onvoldoende is de enkele omstandigheden dat een stichting (hoofdzakelijk) ten doel heeft het particuliere belang van een belastingplichtige te dienen en dat kan worden aangenomen dat deze doelstelling inderdaad zal worden bereikt (vgl. HR 14 september 1977, ECLI:NL:HR:1977:AX3189, BNB 1978/15).

4.9.

In dit geval acht de rechtbank de volgende feiten van belang. Blijkens §2 van de aanvullende oprichtingsakte is [A] als de oprichter van belanghebbende tevens de enige begunstigde en kan alleen hij ertoe besluiten nog andere personen als begunstigde aan te wijzen. Blijkens §11 van de oprichtingsakte kan [A] die akte en de aanvullende oprichtingsakte op elk gewenst moment wijzigen. Ingevolge §12 van de oprichtingsakte heeft [A] zich het recht voorbehouden belanghebbende zonder opgaaf van redenen te ontbinden. In dit geval wordt het liquidatiesaldo aan hem als enige begunstigde uitgekeerd (§7 van de aanvullende oprichtingsakte). Vanaf [datum] 2009 bestaat de adviesraad van belanghebbende uit [A], zijn dochter en zijn broer. Voordien bestond de adviesraad alleen uit [A]. Ondanks de toetreding van zijn dochter en broer, die elk één stem hebben, berustte de zeggenschap over belanghebbende in de onderhavige jaren nog steeds uitsluitend bij [A], omdat hij als oprichter bij deze aanvullende oprichtingsakte drie stemmen in de raad krijgt (§8 van het besluit inzake de wijziging van de oprichtingsakte). Weliswaar maakt [A] geen deel uit van het bestuur (de Stiftungsvorstand), maar aannemelijk is dat [A] materieel zeggenschap over het bestuur heeft. Zo gaat de voornoemde adviesraad over de benoeming en ontslag van het bestuur (§6, lid 8 en 10 van de oprichtingsakte). Verder is voor nagenoeg alle relevante transacties toestemming van de adviesraad nodig (§6 van de aanvullende oprichtingsakte). Verder heeft de inspecteur gemotiveerd en onbestreden gesteld – zie verweerschrift, pt. 4.3.22 – dat [A] bij jaarlijkse gezamenlijke vergaderingen van het bestuur en adviesraad de enige is die de stand van zaken van belanghebbende toelicht en meldt wat er moet gebeuren.

4.10.

Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden mede in onderlinge samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat [A] over de vermogensbestanddelen van belanghebbende kon beschikken als ware het zijn eigen vermogen. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de leer van de fiscale transparantie alleen voor de inkomsten- en vermogensbelasting geldt. Voor een dergelijke beperking ontbreekt een juridische grondslag. Een stichting die als ‘transparant’ in de hiervoor bedoelde zin wordt behandeld, is niet belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting en kan evenmin aanspraak maken op teruggaaf van voorheffingen op de vennootschapsbelasting.

4.11.

In de conclusie van repliek heeft belanghebbende zich nog erop beroepen dat zij vergelijkbaar is met een pensioenfonds en daarom op grond van artikel 10, lid 2, van de Wet DB recht heeft op teruggaaf. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur heeft belanghebbende evenwel onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld dat zij vergelijkbaar is met een pensioenfonds. Reeds daarom wordt het standpunt verworpen.

4.12.

Op grond van al het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat belanghebbendes verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting terecht zijn afgewezen.

Immateriëleschadevergoeding

4.13.

Belanghebbende heeft bij overschrijding van de redelijke termijn gevraagd om vergoeding van immateriële schade per zaak. De in één geschrift vervatte bezwaren zijn bij de inspecteur ontvangen op 1 mei 2015. De rechtbank merkt deze bezwaren en beroepen aan als één samenhangende zaak waarin één maal spanning en frustratie is geleden. Dit betekent dat op het moment van deze uitspraak de redelijke termijn van 2 jaar voor de behandeling van het bezwaar en het beroep in eerste feitelijke aanleg is verstreken met 9 maanden. Van bijzondere omstandigheden, die zouden nopen van de hoofdregel af te wijken, is niet gebleken. Belanghebbende heeft daarom vanwege de ervaren spanning en frustratie in deze samenhangende zaken recht op een vergoeding van € 1.000. De overschrijding van de termijn is in de beroepsfase opgetreden en derhalve uitsluitend toe te rekenen aan de rechter. Daarom zal de Minister voor Rechtsbescherming worden veroordeeld aan belanghebbende de schade te vergoeden en is die minister in de procedure betrokken. Hij heeft in situaties als deze te kennen gegeven zonder nadere consultatie te berusten in een veroordeling door de rechtbank. De rechtbank zal de Minister voor Rechtsbescherming daarom overeenkomstig veroordelen.

Conclusie

4.14.

De beroepen zijn ongegrond. De toekenning van immateriëleschadevergoeding maakt dat niet anders.

5 Proceskosten

De omstandigheid dat aan belanghebbende een immateriëleschadevergoeding wordt toegekend die uitsluitend is toe te rekenen aan de rechter geeft aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten voor de beroepsfase en het griffierecht door de Minister van Rechtsbescherming (HR 19 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:252). Overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt de proceskostenvergoeding vastgesteld op € 375,75 (1 punt voor het opstellen van het beroepschrift, ½ punt voor de conclusie van repliek met een waarde per punt van € 501, voor 3 samenhangende zaken van gemiddelde zwaarte vermenigvuldigd met de factor ½).

6 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- veroordeelt de Minister voor Rechtsbescherming tot het betalen van een schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.000;

- veroordeelt de Minister voor Rechtsbescherming in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 375,75;

- draagt de Minister voor Rechtsbescherming op het betaalde griffierecht van in totaal € 331 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan op 20 maart 2018 door mr. C.A.F.M. Stassen, voorzitter, mr. W.A.P. van Roij en mr. M.R.T. Pauwels, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.