Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:1642

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
20-03-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
C/02/326098 / FA RK 17-391
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

- Verzoek jongmeerderjarige om een onderhoudsbijdrage van zijn ouders deels over de periode waarop hij nog minderjarig was

- Behoefte

- Lagere kosten van levensonderhoud in Hongarije – toepassing Big Mac index

- Geen grond voor matiging bijdrage i.v.m. ontbreken van contact

- Terugwerkende kracht - uitvoerbaar bij voorraad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2018/65
FJR 2018/73.21
FJR 2018/73.22
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Middelburg

zaak/rekestnr: C/02/326098 / FA RK 17-391

beschikking d.d. 20 maart 2018

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ( [buitenland] ),

hierna te noemen: de jongmeerderjarige,

advocaat: voorheen mr. P.P.M. Hendrikx-Heeren (gedesisteerd), thans mr. M.D. van Bruggen te Breda.

tegen

[verweerder 1] , en

[verweerster 2] ,

wonende te [adres] ,

hierna te noemen: de ouders, of, afzonderlijk, de vader en de moeder

advocaat: mr. J. Schuttkowski te Hulst.

1 Het procesverloop

1.1

De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:

- het op 24 januari 2017 ingekomen verzoek tot vaststelling jongmeerderjarige alimentatie, met bijlage;

- het op 19 april 2017 ingekomen verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoek, met bijlagen;

- de brief van mr. Van Bruggen d.d. 19 mei 2017;

- de brief van mr. Van Bruggen d.d. 15 februari 2018, met bijlagen;

- de brief van mr. Schuttkowski d.d. 16 februari 2018, met bijlagen.

1.2

De verzoeken zijn behandeld ter zitting van 28 februari 2018. Bij die gelegenheid zijn verschenen de jongmeerderjarige en de moeder, bijgestaan door hun advocaat.

2 De feiten

2.1

Uit het huwelijk van de ouders is op [geboortedag] 1998 de jongmeerderjarige geboren.

2.2

De jongmeerderjarige verblijft sinds [aanvangsdatum] 2015 in [buitenland] .

3 Het geschil

3.1

De jongmeerderjarige verzoekt, na vermindering van zijn verzoek ter zitting, om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de ouders aan hem, met ingang van 19 juli 2015 dienen te voldoen een bedrag van € 1.004,00 per maand, met veroordeling van de ouders in de proceskosten.

3.2.

De ouders voeren verweer en verzoeken de jongmeerderjarige niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, althans het verzoek af te wijzen als zijnde ongegrond, onbewezen en niet op de wet gestoeld, althans dit bedrag te maximeren tot de behoefte van de jongmeerderjarige, zijnde in 2015 € 439,00, in 2016 € 445,00 en vanaf 2017 € 454,00 met verzoek deze bedragen te matigen overeenkomstig artikel 1:399 BW.

Bij wijze van zelfstandig verzoek verzoeken de ouders voor recht te verklaren dat zij gedurende de periode van augustus 2015 tot en met februari 2016 een totaalbedrag aan bijdragen in de kosten van de jongmeerderjarige hebben voldaan ad € 1.850,00 met het verzoek te bepalen dat het bedrag van € 1.850,00 zal worden verrekend met eventueel over genoemde periode door de ouders aan de jongmeerderjarige verschuldigde onderhoudsbijdragen.

3.3

Op de standpunten van partijen wordt, voor zover voor de beoordeling van de verzoeken van belang, hierna ingegaan.

4 De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

4.1

De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 sub a van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) bevoegd om van het alimentatieverzoek kennis te nemen.

4.2

De rechtbank zal op grond van artikel 4, derde lid, van het Protocol van 23 november 2007 Nederlands recht toepassen op het onderhavige verzoek. Verder heeft te gelden dat partijen op de voet van artikel 8 van genoemd Protocol het Nederlands recht als het toepasselijke recht hebben aangewezen, zodat ook hierom Nederlands recht van toepassing is.

Ingangsdatum

4.3

Partijen twisten over de ingangsdatum van de verzochte onderhoudsbijdrage. In geschil is of de ingangsdatum dient te worden gesteld op 19 juli 2015 (standpunt jongmeerderjarige) dan wel op de datum van de indiening van het inleidend verzoekschrift (standpunt ouders).

4.4

De rechtbank stelt dienaangaande het volgende voorop. Uitgangspunt is dat artikel 1:402 Burgerlijk Wetboek (BW) de rechter een grote mate van vrijheid laat bij het vaststellen van een ingangsdatum van de (gewijzigde) alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsplicht bepalend zijn, de datum van indiening van het verzoekschrift of de datum van de beschikking. Daarnaast heeft te gelden dat in geval van een verhoging van alimentatie met terugwerkende kracht de rechter niet dezelfde behoedzaamheid in acht dient te nemen en op hem niet dezelfde motiveringsplicht rust als in geval van een verlaging van de alimentatie of bij op nihilstelling daarvan met ingang van een tijdstip dat is gelegen vóór zijn desbetreffende beschikking (HR 22 december 2009, NJ 2010,14).

4.5

De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat, in ieder geval, vanaf 19 juli 2015 op de ouders een wettelijke verplichting rust om te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding, dan wel in de kosten van levensonderhoud en studie van hun minderjarige, althans jongmeerderjarige kind. Als door de ouders onbestreden, staat verder vast dat de jongmeerderjarige vanaf februari 2015 veelvuldig aanspraak heeft gemaakt op een dergelijke bijdrage. De ouders waren derhalve, in ieder geval, vanaf dat moment op de hoogte van hun verplichting en konden hiermee vervolgens ook rekening houden. Door de ouders is verder niet gesteld dat zij niet de financiële middelen hebben om met terugwerkende kracht een onderhoudsbijdrage aan de jongmeerderjarige te betalen, dan wel dat een verplichting tot nabetaling hen in financiële problemen zal brengen. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het redelijk om de ingangsdatum van na te noemen bijdrage te bepalen op 19 juli 2015.

De periode van 19 juli 2015 tot 2 september 2016

4.6

In deze periode was de jongmeerderjarige nog minderjarig. Anders dan de ouders hebben aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat deze omstandigheid niet in de weg behoeft te staan aan het geldend maken door de jongmeerderjarige van zijn aanspraak op een financiële bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding die gegeven had moeten worden in de periode dat hij nog minderjarig was. Nu de jongmeerderjarige, zo volgt uit de door hem overgelegde overeenkomsten, in deze periode verplichtingen heeft moeten aangaan om in zijn onderhoud te voorzien, heeft hij ook voldoende belang bij de onderhavige in rechte afdwingbare aanspraak op verzorging, althans op een financiële bijdrage ter zake (HR 11 december 1987, NJ 1988, 723). De rechtbank acht de jongmeerderjarige dan ook ontvankelijk in dit deel van zijn verzoek.

4.7

Bij het vaststellen van de hoogte van deze bijdrage volgt de rechtbank, evenals de ouders, de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen. De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals de jongmeerderjarige heeft betoogd, uit te gaan van zijn gestelde – hogere – werkelijke kosten in deze periode. Daarbij overweegt de rechtbank dat niet in geschil is dat de jongmeerderjarige, die – zoals overwogen – in deze periode nog minderjarig was, in strijd met de uitdrukkelijke wens en beslissing van de ouders in [buitenland] verbleef. Feiten of omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat van de jongmeerderjarige, met het oog op zijn lichamelijke of geestelijke ontwikkeling, in redelijkheid niet kon worden gevergd dat hij gevolg zou geven aan de beslissing van zijn ouders om terug te keren naar Nederland, zijn door hem niet gesteld en de rechtbank ook niet gebleken. De rechtbank ziet onder deze omstandigheden geen aanleiding om de hogere kosten van zijn verblijf in [buitenland] af te wentelen op de ouders. Daarentegen acht de rechtbank het verblijf van de jongmeerderjarige in [buitenland] voor de bepaling van de hoogte van de onderhoudsbijdrage niet geheel zonder betekenis. Als door de ouders voldoende gemotiveerd en onderbouwd gesteld en door de jongmeerderjarige onvoldoende bestreden, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de kosten van levensonderhoud in [buitenland] lager zijn dan die in Nederland. Wat dit verschil in kosten van levensonderhoud betreft, zal de rechtbank in navolging van de ouders aansluiting zoeken bij de zogeheten ‘Big Mac index’. Aan de hand van deze, door ‘The Economist’ ontworpen, methode kan een indicatie worden verkregen van het verschil in prijspeil tussen de verschillende landen. De methode gaat ervan uit dat een Big Mac in elk land afgezet tegen het aldaar geldend prijspeil ongeveer even duur moet zijn zodat er aan de hand van die vergelijking kan worden aangegeven wat de waarde (gezien vanuit de levensstandaard) van een Nederlands bedrag is als je dat in een ander land besteedt. De ouders hebben aan de hand van deze ‘Bic Mac index’ gesteld dat het levenspeil in [buitenland] ongeveer 60% bedraagt van het levenspeil in Nederland. De rechtbank is zich ervan bewust dat een dergelijk percentage slechts indicatief is, maar nu de jongmeerderjarige dit percentage op zichzelf niet heeft bestreden en de rechtbank een zodanige aanpassing aan het lagere levenspeil in [buitenland] ook niet onredelijk voorkomt, zal de rechtbank de na te melden, op de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen gebaseerde, behoefte corrigeren met dit percentage.

4.8

De ouders hebben de behoefte van de jongmeerderjarige in 2015 berekend op een bedrag van € 732,00. Nu deze berekening door de jongmeerderjarige niet is bestreden, zal ook de rechtbank van dit bedrag uitgaan. Gecorrigeerd met het hiervoor genoemde percentage betekent dit dat de behoefte van de jongmeerderjarige in 2015 gesteld dient te worden op een bedrag van € 439,00 en, na indexatie, op een bedrag van € 445,00 in 2016.

4.9

Uit de door de ouders overgelegde berekening van hun draagkracht volgt dat hun draagkracht hoger is dan voormelde behoefte, zodat de bijdrage van de ouders in de kosten van verzorging en opvoeding van de jongmeerderjarige kan worden gesteld op:

- in de periode van 19 juli 2015 tot 1 januari 2016: € 439,00 per maand, en

- in de periode van 1 januari 2016 tot 2 september 2016: € 445,00 per maand.

4.10

Het beroep van de ouders op artikel 1:399 BW dient te worden verworpen, nu de in dit artikel opgenomen mogelijkheid van matiging van de verplichting tot levensonderhoud niet geldt in het geval de onderhoudsverplichting betrekking heeft op de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen.

De periode vanaf 2 september 2016

4.11

In deze periode was de jongmeerderjarige meerderjarig. Uit de overgelegde processtukken en het verhandelde ter zitting volgt dat hij (ook) in deze periode verbleef in [buitenland] alwaar hij woonde in het huis van de ouders van zijn vriendin.

4.12

Partijen verschillen allereerst van mening over de wijze waarop de behoefte van de jongmeerderjarige in deze periode dient te worden berekend. Volgens de jongmeerderjarige dient zijn behoefte te worden gebaseerd op zijn werkelijke lasten. Door hem zijn in dit kader overgelegd een huurcontract en een kostgangersovereenkomst, waaruit, samengevat, volgt dat hij een slaapkamer en badkamer huurt in de woning van de ouders van zijn vriendin voor een bedrag van € 315,00 per maand, dat hij daarnaast een bedrag van € 107,00 aan deze ouders dient te voldoen als vergoeding voor gas, elektra, water, alsmede een bedrag van € 582,00 als vergoeding voor “diensten” als, onder meer, eten en drinken, kleding, hobby’s, verzorging, huiswerkbegeleiding, schoonmaken en medische kosten. De jongmeerderjarige becijfert zijn behoefte op het totaal van deze bedragen, zijnde een bedrag van € 1.004,00. De ouders hebben zich op het standpunt gesteld dat – ook – in deze periode de behoefte dient te worden gebaseerd op de tabellen van het Nibud als gehanteerd door de Expertgroep Alimentatienormen bij de bepaling van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van een minderjarige.

4.13

De rechtbank acht het, anders dan de ouders, in de onderhavige situatie niet passend om voor de berekening van de behoefte uit gaan van de tabellen van het Nibud. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de meerderjarigheid en het uitwonend zijn van de jongmeerderjarige kosten met zich brengen die niet zijn verdisconteerd in de Nibud tabellen, zoals ziektekosten en de huur van woonruimte. De rechtbank overweegt dat voor de vaststelling van de behoefte van (meestal studerende) jongmeerderjarigen nog geen maatstaven zijn ontwikkeld. Voor het bepalen van de behoefte van jongmeerderjarigen wordt doorgaans om die reden, overeenkomstig meerbedoelde richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen, aansluiting gezocht bij de WSF-norm voor uitwonende studenten in het hoger respectievelijk middelbaar onderwijs. De rechtbank acht de WSF-norm in het onderhavige geval echter minder passend, nu de jongmeerderjarige geen reguliere studie volgt, geen recht heeft op studiefinanciering en bovendien zowel de jongmeerderjarige als de ouders zich verzetten tegen toepassing van deze norm. De rechtbank zal voor de berekening van de behoefte van de jongmeerderjarige in het navolgende dan ook uitgaan van de door de jongmeerderjarige gestelde werkelijke lasten.

4.14

Daarbij stelt de rechtbank voorop dat de enkele omstandigheid dat de jongmeerderjarige voor een bedrag van € 1.004,00 per maand verplichtingen is aangegaan op zichzelf onvoldoende is om zijn behoefte op dit bedrag te stellen. Immers, hieruit volgt zonder nadere toelichting van de jongmeerderjarige, die ontbreekt, op zichzelf niet reeds dat deze – door de ouders bestreden – kosten in vergelijking met een gemiddeld persoon in dezelfde situatie ook redelijk zijn. De rechtbank zal als referentiekader aansluiting zoeken bij het Nibud-studenten onderzoek 2017 om te bezien of de lasten die de jongmeerderjarige aanvoert redelijk zijn (https://www.nibud.nl/consumenten/wat-kost-studeren). Gelet op de omvang van het onderzoek en de onderzochte uitgaven, geeft dit onderzoek naar het oordeel van de rechtbank een reëel beeld van wat redelijke uitgaven van studenten op kamers zijn. In dit onderzoek wordt uitgegaan van een huurprijs van € 415,00 en van een bedrag van € 569,00 voor boodschappen, vervoer, ontspanning en sport, kleding, zorgverzekering en telefoon, derhalve van een totaal bedrag van € 984,00. De rechtbank zal bij de bepaling van de hoogte van de behoefte van de jongmeerderjarige aanknopen bij laatstgenoemd bedrag, nu door de jongmeerderjarige onvoldoende is gesteld waarom in zijn geval deze lasten in redelijkheid hoger dienen te worden gesteld, dan wel dat van andere lasten dient te worden uitgegaan.

4.15

De rechtbank ziet verder aanleiding ook dit bedrag te corrigeren in verband met de lagere kosten van levensonderhoud in [buitenland] , zodat de behoefte van de jongmeerderjarige per 2 september 2016 dient te worden gesteld op een bedrag van € 590,00 (60% x 984,00) per maand en – na indexatie – op een bedrag van € 602,00 en € 611,00 in respectievelijk 2017 en 2018.

4.16

Uit de door de ouders overgelegde berekening van hun draagkracht volgt dat hun draagkracht in deze periodes hoger is dan voormelde behoefte, zodat de bijdrage van de ouders in de kosten van levensonderhoud en studie van de jongmeerderjarige vanaf 2 september 2016 kan worden gesteld op voornoemde bedragen.

4.17

De rechtbank ziet in de door de ouders gestelde omstandigheden onvoldoende aanleiding om deze verplichting van de ouders jegens de jongmeerderjarige te matigen op de voet van artikel 1:399 BW. Daarbij overweegt de rechtbank dat de enkele weigering van een jongmeerderjarig kind om contact met zijn ouders te hebben niet zodanig grievend is dat dit een grond voor matiging oplevert. Ook de omstandigheid dat de relatie tussen de ouders en de jongmeerderjarige ernstig is verstoord, maakt naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf niet dat de onderhoudsverplichting dient te worden gematigd. Gesteld noch gebleken is dat de jongmeerderjarige, in de periode dat hij meerderjarig was, zich zodanig grievend heeft uitgelaten over of jegens zijn ouders dat verstrekking van levensonderhoud door de ouders niet of niet ten volle kan worden gevergd. De rechtbank acht verder ook de omstandigheid dat de ouders het kennelijk oneens zijn met de wijze waarop de jongmeerderjarige zijn leven inricht onvoldoende voor een geslaagd beroep op matiging. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de meerderjarigheid van de jongmeerderjarige als uitgangspunt juist mee dat hij vanaf dat moment bevoegd is om zijn leven in te richten zoals hij dat wenst. De rechtbank acht de keuze van de jongmeerderjarige om met zijn vriendin in [buitenland] te gaan wonen bij de ouders van laatstgenoemde daarenboven niet zo bijzonder onredelijk of onverantwoord dat op dit uitgangspunt een uitzondering dient te worden gemaakt. De rechtbank gaat eveneens voorbij aan de stelling van de ouders dat gematigd dient te worden, omdat, zo begrijpt de rechtbank, de jongmeerderjarige niet of niet serieus studeert, dan wel een studiekeuze heeft gemaakt waarmee zij niet kunnen instemmen. Hoewel, zo volgt uit de behandeling van het wetsvoorstel tot verlaging van de meerderjarigheidsleeftijd, het voorstelbaar is dat artikel 1:399 BW tot toepassing kan komen in gevallen waarin ouders een studie zouden dienen te bekostigen welke hun meerderjarige kind zelf heeft gekozen, doch met welke keuze zij het zozeer oneens zijn, dat een bijdrage in de kosten van studie van hen in redelijkheid niet kan worden gevergd (MvA, Tweede Kamer, zitting 1980-1981, 15417, nr. 5, p. 12), doet zich deze situatie naar het oordeel van de rechtbank niet voor, reeds omdat de jongmeerderjarige geen bijdrage verzoekt in de kosten van studie. Voor zover de ouders nog hebben beoogd te stellen dat een jongmeerderjarige alleen aanspraak kan maken op een uitkering tot levensonderhoud, indien een studie wordt gevolgd, dient deze stelling eveneens te worden verworpen nu zij geen steun vindt in het recht. (Hof ’s-Hertogenbosch, 25 oktober 2000, ECLI:NL:GHSHE:2000:BL4577).

4.18

Het vorenstaande brengt mee de bijdrage van de ouders in de kosten van levensonderhoud en studie van de jongmeerderjarige vanaf 2 september 2016 kan worden gesteld op een bedrag van € 590,00 en – na indexatie – op een bedrag van € 602,00 en € 611,00 in respectievelijk 2017 en 2018.

Uitvoerbaar bij voorraad

4.19

De jongmeerderjarige heeft verzocht de te wijzen beschikking – voor zover mogelijk – uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De ouders hebben zich hiertegen verweerd. Nu de ouders – zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen – gehouden zijn om aan de jongmeerderjarige een bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud te voldoen, heeft de jongmeerderjarige belang bij de door hem verzochte uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Aan de orde is de vraag of het belang van de jongmeerderjarige bij de door hem verzochte uitvoerbaarverklaring bij voorraad groter is dan het belang van de ouders om de beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Bij een dergelijke beoordeling dienen de belangen van partijen te worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval.

4.20

Tegenover genoemd belang van de jongmeerderjarige hebben de ouders, voor het eerst ter zitting, in algemene bewoordingen aangevoerd dat het geld dat naar de jongmeerderjarige gaat, mede in verband met zijn verblijf in [buitenland] , nagenoeg niet is terug te krijgen.

4.21

De rechtbank is van oordeel dat genoemde belangenafweging in het voordeel van de jongmeerderjarige dient uit te vallen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking de bijzondere aard van de onderhavige betalingsverplichting, te weten de wettelijke verplichting van ouders om te voorzien in de kosten van levensonderhoud van hun jongmeerderjarig kind, de behoefte van de jongmeerderjarige aan een dergelijke bijdrage, de omstandigheid dat de ouders reeds vanaf 19 juli 2015 niet aan deze verplichting voldoen, en voorts dat gesteld noch gebleken is dat de ouders onvoldoende middelen hebben om deze (achterstallige) bijdrage te voldoen. Tegenover deze omstandigheden legt het door de ouders gestelde – weinig geconcretiseerde – restitutierisico onvoldoende gewicht in de schaal. Ook de omstandigheid dat de jongmeerderjarige in [buitenland] woont en dat dientengevolge de eventuele terugbetaling van de betaalde onderhoudsbijdrage mogelijk extra kosten met zich brengt, acht de rechtbank zowel op zichzelf als in verband met het gestelde restitutierisico onvoldoende zwaarwegend om af te zien van het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de onderhavige beschikking. Dit brengt mee dat dit deel van het verzoek zal worden toegewezen.

Zelfstandig verzoek ouders

4.22

De ouders hebben verzocht voor recht te verklaren dat zij gedurende de periode van augustus 2015 tot en met februari 2016 een totaalbedrag aan bijdragen in de kosten van de jongmeerderjarige hebben voldaan van € 1.850,00 met het verzoek te bepalen dat het bedrag van € 1.850,00 zal worden verrekend met eventueel over genoemde periode door de ouders aan de jongmeerderjarige verschuldigde onderhoudsbijdragen.

4.23

De jongmeerderjarige heeft zich op het standpunt gesteld dat de ouders onvoldoende belang hebben bij de verzochte verklaring voor recht. Door hem is erkend dat de ouders genoemd bedrag aan hem hebben voldaan. Door hem is niet bestreden dat deze betaling plaatsvond ten titel van het voldoen door de ouders aan hun verplichting te voorzien in de kosten van levensonderhoud van de jongmeerderjarige. De jongmeerderjarige heeft, tot slot, opgemerkt dat “met deze betalingen rekening dient te worden gehouden” indien door de rechtbank een onderhoudsbijdrage wordt vastgesteld.

4.24

De rechtbank overweegt dat een verklaring voor recht enkel kan dienen tot het op bindende wijze vaststellen van een rechtsverhouding of het preciseren van haar inhoud jegens de andere onmiddellijk betrokkene(n) bij deze rechtsverhouding (vgl. HR 22 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993: ZC0833). Vooropgesteld wordt dat, wanneer een verklaring voor recht wordt gevorderd, de eiser/verzoeker zijn belang bij die vordering moet aantonen. Er moeten bijzondere omstandigheden zijn gesteld of gebleken die het wenselijk maken dat de aanspraken van eiser door een verklaring voor recht worden veiliggesteld (Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 24 februari 2015, ECLI:NL:GHSCHE:2015:600). Waar de jongmeerderjarige heeft erkend dat door de ouders een bedrag van € 1.850,00 ten titel van alimentatie heeft betaald en voorts niet betwist dat, zo begrijpt de rechtbank, dit bedrag in mindering strekt op de door de rechtbank vast te stellen onderhoudsbijdrage van de ouders, hebben de ouders zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onvoldoende belang bij de verzochte verklaring voor recht. Dit brengt mee dat het verzoek dient te worden afgewezen.

Proceskosten

4.25

De rechtbank zal, gelet op de aard van de procedure, de proceskosten tussen partijen compenseren zo dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.26

Het meer of anders verzochte zal worden afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank:

bepaalt de door de ouders aan de jongmeerderjarige te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding, althans levensonderhoud van de jongmeerderjarige:

  • -

    vanaf 19 juli 2015 tot 1 januari 2016 op € 439,00;

  • -

    vanaf 1 september 2016 tot 2 september 2016 op € 445,00;

  • -

    vanaf 2 september 2016 tot 1 januari 2017 op € 590,00;

  • -

    vanaf 1 januari 2017 tot 1 januari 2018 op € 602,00;

  • -

    vanaf 1 januari 2018 op € 611,00;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gewezen door mr. H.W.P.J. Hopmans, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2018, in tegenwoordigheid van R. de Pooter, griffier.

1RdP

1 Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, kan – uitsluitend door een advocaat – hoger beroep tegen deze beschikking worden ingesteld, zulks door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, en door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.