Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:1620

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
15-03-2018
Datum publicatie
23-03-2018
Zaaknummer
awb 17_3212
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wachtgeld defensie. Eiser is het niet eens met de uitwerking van de financiële voorzieningen voor het AOW-gat. Hij heeft een inkomensoverzicht gekregen, maar de uitbetaling komt niet overeen met de in dat inkomensoverzicht genoemde bedragen. De rechtbank legt in de uitspraak uit waarom het bedrag van de nabetaling klopt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 17/3212 AW

uitspraak van 15 maart 2018 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], te [woonplaats eiser], eiser,

gemachtigde: mr. W.P.J.M. van Gestel,

en

de staatssecretaris van Defensie, als rechtsopvolger van de minister van Defensie, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 14 maart 2017 (bestreden besluit) van verweerder inzake de toekenning van een wachtgelduitkering.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 23 februari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.R. Stolwijk.

Overwegingen

1. Eiser was werkzaam als burgerlijk ambtenaar bij het ministerie van Defensie. Aan hem is met ingang van 1 januari 2010 eervol ontslag verleend wegens overtolligheid. Eiser heeft een aanvraag ingediend om wachtgeld, op grond van het Wachtgeldbesluit burgerlijke ambtenaren defensie (Wachtgeldbesluit).

Bij besluit van 11 januari 2010 heeft verweerder aan eiser wachtgeld toegekend. Eiser is geboren op [geboortedatum eiser]. Het wachtgeld is toegekend tot 1 november 2015 (eiser is dan [leeftijd eiser]).

2. Eiser heeft op 25 september 2015 gevraagd om herziening van het besluit van 11 januari 2010. Dit omdat de AOW-leeftijd inmiddels is verhoogd en eiser hierdoor wordt geconfronteerd met een AOW-gat over de periode van 15 oktober 2015 tot 15 april 2016. Volgens eiser dient hij wachtgeld te ontvangen tot hij de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt.

3. Verweerder heeft het herzieningsverzoek aangemerkt als een bezwaarschrift, gericht tegen het besluit van 11 januari 2010. Bij besluit van 8 december 2015 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit laatste besluit.

4. Op 1 oktober 2015 is in werking getreden de ‘Voorlopige voorziening tegemoetkoming inkomensderving als gevolg van ophoging AOW-leeftijd’ (Voorlopige voorziening). Op grond van deze Voorlopige voorziening ontvangt eiser sinds zijn 65e jaar een maandelijkse tegemoetkoming die gelijk is aan de bruto AOW-uitkering inclusief vakantiegeld, die voor hem zou hebben gegolden als daarop aanspraak zou hebben bestaan.

5. Bij uitspraak van 15 juli 2016 heeft deze rechtbank geoordeeld dat het besluit van 8 december 2015 een primair besluit is, waartegen eerst bezwaar open staat (ECLI:NL:RBZWB:2016:4511). De rechtbank heeft het beroepschrift daarom als bezwaarschrift doorgezonden naar verweerder.

6. Bij het bestreden besluit heeft verweerder op het bezwaarschrift beslist en bepaald dat:

  • -

    aan eiser een uitkering wordt toegekend voor de periode vanaf dat de wachtgelduitkering is gestopt (65 jaar) totdat hij de AOW-leeftijd heeft bereikt. Dit betreft een maandelijkse bruto uitkering die een netto uitkering oplevert, die even hoog is als de netto AOW-uitkering inclusief vakantiegeld (‘tegemoetkoming AOW-uitkering’);

  • -

    eiser een bruto compensatie ontvangt in verband met het feit dat hij zijn ouderdomspensioen mogelijk vervroegd heeft laten ingaan bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. Eiser krijgt deze financiële compensatie ongeacht of hij zijn pensioen daadwerkelijk eerder heeft laten ingaan (‘pensioencompensatie’);

  • -

    eiser recht heeft op een bruto aanvulling als het totaalbedrag van de uitkering, de compensatie en het ABP-pensioen netto minder bedraagt dan 90% van zijn gerechtvaardigde aanspraak. De gerechtvaardigde aanspraak is het bedrag van de gecombineerde netto pensioen- en AOW-uitkeringen die bij 65 jaar zouden zijn uitgekeerd als ware de AOW-leeftijd en pensioenleeftijd nog steeds 65 jaar (‘aanvullende 90% maatregel’).

7. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat onvoldoende inzichtelijk is wat de financiële compensatie precies inhoudt.

8. Verweerder heeft in beroep een inkomensoverzicht aan eiser verstrekt. Met het inkomensoverzicht heeft verweerder geprobeerd om inzichtelijk te maken wat de financiële gevolgen zijn van het bestreden besluit. Bij het inkomensoverzicht is uitgegaan van de situatie dat eiser zijn pensioen op zijn 65e verjaardag in heeft laten gaan.

Geschil

9. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in zijn uitspraak van 26 april 2017 de financiële compensatie voor het AOW-gat (de tegemoetkoming AOW-uitkering, de pensioencompensatie en de aanvullende 90% maatregel) toereikend geacht (ECLI:NL:CRVB:2017:1473).

10. Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat zijn beroep niet is gericht tegen de financiële voorzieningen op zich, maar tegen de uitwerking ervan. Eiser heeft in december 2017 een netto nabetaling ontvangen van € 2.605,73; dit is inclusief het reguliere ouderdomspensioen van € 807,62. Het bedrag aan nabetaling over zes maanden bedraagt dan € 1.798,11 netto; dit is € 299,68 netto per maand. Eiser heeft over die zes maanden een netto uitkering van € 667,54 ontvangen. Hij heeft dus in totaal € 967,22 netto per maand ontvangen (€ 667,54 plus € 299,68). Dit bedrag komt niet overeen met het bedrag wat genoemd is in het inkomensoverzicht. In het inkomensoverzicht staat dat eiser een netto maandinkomen zou krijgen van € 1.436,94. Eiser heeft dus netto € 469,72 minder ontvangen dan in het inkomensoverzicht staat vermeld (€ 1.436,94 min € 967,22). Eiser wil graag een verklaring voor dit verschil.

Beoordeling rechtbank

11. Door het verhogen van de AOW-leeftijd, is er voor eiser een AOW-gat ontstaan. Verweerder is met een regeling gekomen om eiser financieel te compenseren voor dit AOW-gat. Deze financiële compensatie bestaat uit drie componenten: de tegemoetkoming AOW-uitkering, de pensioencompensatie en de aanvullende 90% maatregel. Volgens de CRvB is deze financiële compensatie toereikend.

12. Het gaat in deze zaak dus alleen om de vraag of eiser deze drie componenten ook daadwerkelijk heeft gekregen. Met andere woorden: klopt het bedrag van de nabetaling?

13. Uit de betaalspecificatie van december 2017 blijkt dat het bedrag van de nabetaling bruto € 2.367,50 bedraagt. Dit is € 394,58 bruto per maand.

14. In het inkomensoverzicht staat dat eiser recht zou hebben op de tegemoetkoming AOW-uitkering (€ 1.007,38 bruto), de pensioencompensatie (€ 64,75 bruto) en de aanvullende 90% maatregel (€ 138,52 bruto). Als gevolg van de Voorlopige voorziening heeft eiser echter al een bedrag van € 818,24 bruto ontvangen ter compensatie van het AOW-gat.

Uitgaande van het inkomensoverzicht zou eiser dan recht hebben op een nabetaling van de tegemoetkoming AOW-uitkering van € 189,14 bruto (€ 1.007,38 min € 818,24), de pensioencompensatie van € 64,75 bruto en de aanvullende 90% maatregel van € 138,52 bruto. Dit is in totaal een bruto maandbedrag van € 392,41.

15. Kortom, volgens het inkomensoverzicht zou eiser als compensatie € 392,41 bruto per maand moeten krijgen en volgens de betalingsspecificatie van december 2017 heeft hij

€ 394,58 bruto per maand gekregen. Naar het oordeel van de rechtbank klopt het bedrag van de nabetaling dan ook.

16. Eiser heeft erop gewezen dat op het inkomensoverzicht staat dat hij een totaal netto maandinkomen zou krijgen van € 1.436,94. Volgens eiser heeft hij dit bedrag echter niet gekregen. Dat klopt. Bij het inkomensoverzicht is uitgegaan van het scenario dat eiser zijn ouderdomspensioen eerder zou laten ingaan. Als hij zijn pensioen eerder had laten ingaan, dan had hij per maand ook een (bruto) bedrag van € 1.028,45 aan pensioen ontvangen. Ter zitting is gebleken dat eiser ervoor heeft gekozen om zijn pensioen niet eerder te laten ingaan. Eiser hoefde zijn pensioen ook niet eerder te laten ingaan. Dit heeft echter tot gevolg dat hij, over de desbetreffende zes maanden, per maand dus minder geld heeft gekregen. De financiële compensatie van verweerder houdt alleen in dat eiser de drie genoemde componenten krijgt. Die heeft hij ook gekregen. De financiële compensatie houdt niet in dat eiser een vergoeding krijgt ter hoogte van zijn pensioen, als hij ervoor kiest om zijn pensioen niet eerder te laten ingaan.

Conclusie

17. De rechtbank is van oordeel dat uit het bestreden besluit niet blijkt wat de financiële compensatie feitelijk voor eiser zou betekenen. Het bestreden besluit is daarom niet voldoende gemotiveerd. Ook het inkomensoverzicht heeft eiser geen duidelijkheid verschaft, omdat in het inkomensoverzicht ten onrechte is uitgegaan van de situatie dat eiser zijn ouderdomspensioen naar voren had gehaald. Ten tijde van het opstellen van het inkomensoverzicht had bij verweerder bekend kunnen zijn dat deze situatie niet op eiser van toepassing was. Het motiveringsgebrek passeert de rechtbank met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), nu aannemelijk is dat eiser daardoor niet is benadeeld.

18. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

19. De rechtbank zal vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb verweerder opdragen het griffierecht aan eiser te vergoeden. Daarnaast zal de rechtbank verweerder veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, voorzitter, en mr. D. van Kralingen en mr. W. Toekoen, leden, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.