Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:1591

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
15-02-2018
Datum publicatie
21-10-2020
Zaaknummer
AWB - 16 _ 9478
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:1586, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voor deze uitspraak is momenteel geen samenvatting beschikbaar. Deze uitspraak is op verzoek openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2020/3062
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 16/9478

uitspraak van 15 februari 2018

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 21 oktober 2016 op het bezwaar van belanghebbende tegen de afwijzing van het verzoek tot ambtshalve vermindering van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over het jaar 2010.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2018 te Tilburg. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende zijn echtgenote, vergezeld van zijn gemachtigde, mr. [gemachtigde] verbonden aan [kantoor] te Amsterdam, vergezeld van de financieel adviseur van belanghebbende, [adviseur 1] , en namens de inspecteur, drs. [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en

[inspecteur 3] .

1 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende exploiteerde in het onderhavige jaar een coffeeshop in [woonplaats] in de vorm van een eenmanszaak, handelend onder de naam “ [coffeeshop] ” (hierna: de coffeeshop).

2.2.

Hoewel daartoe te zijn uitgenodigd, herinnerd en aangemaand heeft belanghebbende geen aangifte IB/PVV over 2010 gedaan.

2.3.

Met dagtekening 13 juli 2012 heeft de inspecteur belanghebbende medegedeeld dat de aanslag IB/PVV 2010 ambtshalve aan belanghebbende zal worden opgelegd en dat gelijktijdig een verzuimboete ingevolge artikel 67a van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (hierna: AWR) zal worden opgelegd.

2.4.

Met dagtekening 12 september 2012 heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2010 ambtshalve opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.000.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.661 en daarbij gelijktijdig een verzuimboete opgelegd en heffingsrente aan belanghebbende in rekening gebracht.

2.5.

Met dagtekening 26 mei 2014 heeft belanghebbende de aangifte IB/PVV 2010 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 791.685 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.427.

2.6.1.

De inspecteur heeft de in 2.5 genoemde aangifte aangemerkt als bezwaarschrift. Naar aanleiding van dit bezwaarschrift, alsmede naar aanleiding van de bezwaarschriften over de jaren 2009 en 2011, heeft de inspecteur op 21 januari 2015 een boekenonderzoek (hierna: het onderzoek) bij belanghebbende ingesteld. Doel van het onderzoek was feiten en gegevens te verzamelen ten behoeve van de beoordeling van de ingediende bezwaarschriften over de jaren 2009 tot en met 2011. In het naar aanleiding hiervan opgesteld rapport is onder meer het volgende opgenomen:

“Gebeld met de voormalige adviseur de heer [adviseur 2] en gevraagd naar ontbrekende administratie (…)

Gevraagd hoe hij de omzet heeft bepaald. De heer [adviseur 2] verklaart dat hij maandelijks overzichten uit het kassasysteem kreeg aangeleverd. De omzet heeft hij dus met maandbedragen in de financiële administratie geboekt. (…)

Ik vraag hoe de heer [adviseur 2] de inkopen heeft bepaald. De heer [adviseur 2] verklaart dat dit niet aan de hand van primaire bescheiden is gegaan maar op basis van de formule 60% x verkopen = inkopen. In overleg met de heer [belanghebbende] geen 50% gehanteerd. Dit omdat men i.v.m. concurrentie geen brutowinstpercentage van 100% van de inkopen haalt. (…)”.

2.6.2.

Het onderzoeksrapport vermeldt dat, uitgaande van de door belanghebbende aangegeven bedragen, de aanwezige kassa-overzichten en een gehanteerd brutowinstpercentage van 100%, het belastbaar inkomen uit werk en woning voor 2010 dient uit te komen op € 1.014.831.

2.7.

Op 14 juli 2015 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden.

2.8.

Belanghebbende heeft een tegenonderzoek laten uitvoeren door [A] (hierna: het tegenonderzoek). De conclusie uit het tegenonderzoek is dat de inspecteur van onjuiste inkoopprijzen van softdrugs is uitgegaan, dat bij het bepalen van de winst uit onderneming dient te worden uitgegaan van een brutowinstpercentage van 89% in plaats van 100% en dat de belastbare winst uit onderneming dientengevolge te hoog is vastgesteld. Volgens de conclusie van het tegenonderzoek dient het belastbare inkomen uit werk en woning over 2010 met € 70.445 te worden gecorrigeerd.

2.9.

De inspecteur heeft op 29 juli 2015 uitspraak op bezwaar gedaan en daarbij belanghebbendes bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard, het bezwaar behandeld als een verzoek om ambtshalve vermindering en het verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen. In zijn brief van 24 november 2015 heeft de inspecteur aan belanghebbende te kennen gegeven dat het tegenonderzoek voor hem geen aanleiding vormt om ambtshalve alsnog anders te beslissen.

2.10.

Deze rechtbank heeft het op 7 september 2015 tegen de in 2.9 genoemde uitspraak op bezwaar ingestelde beroep, gelet op artikel 6:15 van de Awb, mede aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de eveneens in 2.9 genoemde afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering. Met dagtekening 21 oktober 2016 heeft de inspecteur op dit bezwaar beslist en het bezwaar ongegrond verklaard. Hiertegen richt zich het beroep.

2.11.

Tussen partijen is in geschil of de inspecteur de bezwaren tegen de beslissingen op de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV en de gelijktijdig vastgestelde boete- en heffingsrentebeschikkingen over het jaar 2010 terecht ongegrond heeft verklaard.

Aanslag IB/PVV

2.12.

Vast staat dat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast (artikel 27e van de AWR) en dat belanghebbende niet heeft aangetoond dat de aanslag – zoals die luidt na de uitspraak op bezwaar – te hoog is. Wat partijen verdeeld houdt is of de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag van een redelijke schatting is uitgegaan.

2.13.

Belanghebbende stelt dat hij met het door hem ingestelde tegenonderzoek heeft aangetoond dat de schatting van de inspecteur niet redelijk is. Volgens hem heeft de inspecteur te lichtvaardig gehandeld door de bevindingen uit het tegenonderzoek zonder afdoende motivering terzijde te schuiven. De rechtbank overweegt als volgt. Bij het opleggen van de onderhavige aanslag is de inspecteur bij het bepalen van de hoogte van de aanslag uitgegaan van een brutowinstpercentage van 100% zoals dat is vermeld in het rapport [rapport] . Naar het oordeel van de rechtbank is dit gehanteerde brutowinstpercentage niet onredelijk. Dit vindt ook tot op zekere hoogte steun in het door belanghebbende ingestelde tegenonderzoek, waarin de inkoopwaarde van de omzet van softdrugs is becijferd op 53,04% van die omzet. De schatting van de inspecteur, waarbij de inkopen 50% vormen van de omzet, is ook tegen deze achtergrond niet onredelijk. Dat de inspecteur voor de berekening van de inkoopwaarde/brutowinstmarge niet gedifferentieerd heeft tussen softdrugs en overige omzet, maakt de schatting niet onredelijk, reeds gelet op de relatief beperkte ‘overige omzet’ waarvan ook belanghebbende uitgaat (0,5% van de totale omzet). Anders dan belanghebbende meent, is de inspecteur niet gehouden de bevindingen uit het door belanghebbende uitgevoerde tegenonderzoek in zijn schatting te betrekken dan wel deze bevindingen gemotiveerd terzijde te schuiven. De verwijzing van belanghebbende naar de uitspraak van rechtbank Gelderland (ECLI:NL:RBGEL:2013:CA1892) maakt dit niet anders, nu in die uitspraak de bewijspositie van de inspecteur een andere was dan in casu. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Datzelfde geldt ter zake van de heffingsrente, waartegen belanghebbende geen afzonderlijke gronden heeft aangevoerd.

Boete

2.14.1.

Ingevolge artikel 67a, eerste lid van de AWR is er sprake van een verzuim ter zake waarvan de inspecteur, gelijktijdig bij de vaststelling van de aanslag, een bestuurlijke boete van ten hoogste € 4.920 kan opleggen “indien de belastingplichtige de aangifte voor een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven niet, dan wel niet binnen de ingevolge artikel 9, derde lid, gestelde termijn heeft gedaan”.

2.14.2.

Op grond van paragraaf 21, tweede lid van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (hierna BBBB) legt de inspecteur ter zake van een aangifteverzuim een verzuimboete op van € 226. Ingevolge paragraaf 21, lid 6b van het BBBB kan de inspecteur, in uitzonderlijke gevallen een verzuimboete tot het wettelijk maximum opleggen. Van een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld sprake zijn indien belanghebbende stelselmatig in verzuim is. Op grond van paragraaf 21, vierde lid van het BBBB is slechts sprake van een verzuim, indien belanghebbende de aangifte niet binnen een door de inspecteur gestelde termijn heeft gedaan en hij geen gevolg heeft gegeven aan een aanmaning van de inspecteur.

2.14.3.

De verzuimboete heeft tot doel een gebod tot nakoming van fiscale verplichtingen in te scherpen. Voor het opleggen van een dergelijke boete is niet vereist dat er sprake is van opzet of grove schuld. Alleen bij een pleitbaar standpunt (paragraaf 4 van het BBBB) of bij afwezigheid van alle schuld (avas) dient oplegging van een boete achterwege te blijven. Van avas is sprake indien belanghebbende alle in de gegeven omstandigheden van hem in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om te bewerkstelligen dat tijdig aangifte werd gedaan (vgl. HR 15 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7184). De bewijslast ter zake ligt bij belanghebbende.

2.14.4.

De rechtbank stelt voorop dat vaststaat dat belanghebbende, ook na daartoe te zijn aangemaand, de aangifte IB/PVV over het jaar 2010 niet heeft gedaan. Eveneens staat vast dat belanghebbende heeft verzuimd (tijdig) aangifte IB/PVV over de jaren 2004 tot en met 2009 te doen. Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende dan ook stelselmatig in verzuim en is de verzuimboete dan ook terecht aan belanghebbende opgelegd tot het maximumbedrag van € 4.920. De rechtbank acht deze boete passend en geboden gelet op het stelselmatige karakter van het verzuim aan de aangifteverplichting te voldoen. Anders dan belanghebbende, is de rechtbank van oordeel dat het enkele feit dat in het onderhavige geval een jarenlange discussie gaande was tussen belanghebbende en de Belastingdienst over de te belasten inkomsten niet kan leiden tot een pleitbaar standpunt dan wel tot verzachtende omstandigheden die nopen tot matiging van de boete. Belanghebbende had immers aangifte kunnen doen zoals dat hem juist voorkwam, maar heeft ervoor gekozen om in het geheel geen aangifte te doen. Ook het tijdsverloop sinds de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering geeft geen aanleiding voor een vermindering van de boete, reeds omdat de redelijke termijn in casu niet is overschreden.

Tot slot

2.15.

Al het overige door belanghebbende gestelde kan niet tot een ander oordeel leiden.

2.16.

Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.

2.17.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 15 februari 2018 door mr. drs. M.H. van Schaik, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. van Ooijen, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.