Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:1545

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
28-02-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 10041
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Auto met buitenlands kenteken van in Nederland in brp ingeschreven persoon. Naheffing MRB. Beroep op vrijstelling voor tijdelijk verblijf faalt omdat belanghebbende volgens richtlijn 83/182/EEG haar gewone verblijfplaats in Nederland had.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/640
Viditax (FutD), 21-03-2018
FutD 2018-0860
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 16/10041

uitspraak van 28 februari 2018

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats] (Roemenië),

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 22 april 2026 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (hierna: MRB) van € 949 en de boetebeschikking van eveneens € 949 (aanslagnummer [aanslagnummer].Y.4.90001).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2018 te Breda. De inspecteur heeft zich laten vertegenwoordigen door [verweerder]. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 5 januari 2018 naar het adres [adres] te [woonplaats] (Roemenië), onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Belanghebbende is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen.

De uitnodiging voor de zitting is niet terugontvangen en uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 9 januari 2018 op genoemd adres is bezorgd. Een bewijsstuk dat belanghebbende voor de ontvangst van de brief heeft getekend, ontbreekt. De rechtbank is van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op de juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden. Daartoe overweegt de rechtbank dat belanghebbende geen domicilie in Nederland heeft gekozen, zodat correspondentie naar het door belanghebbende opgegeven adres in Roemenië moet worden verzonden. Belanghebbende is na het indienen van het beroepschrift per aangetekende post verzocht om het griffierecht te voldoen. De rechtbank neemt aan dat deze brief belanghebbende heeft bereikt, aangezien zij het griffierecht heeft voldaan. PostNL heeft voor de bezorging van die brief een afleverbericht afgegeven. De uitnodiging voor de zitting is op dezelfde wijze verzonden en PostNL heeft ook hiervan een afleverbericht afgegeven. Op grond van het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat belanghebbende van de uitnodiging voor de zitting kennis heeft kunnen nemen en vindt zij geen aanleiding de mondelinge behandeling van de zaak te verdagen.

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1.

Belanghebbende stond in de basisregistratie personen (hierna: brp) in de periode van 3 april 2007 tot en met 3 januari 2012 en van 10 september 2012 tot en met 21 april 2016 ingeschreven op adressen in achtereenvolgens [plaats X], [plaats Y] en [plaats X]. In die brp staat als haar woonplaats voor de periode 22 april tot 26 mei 2016 vermeld: “Roemenië” en vanaf 26 mei 2016: “[adres] (…) [woonplaats] RO”.

2.2.

Belanghebbende is gehuwd met [A], met wie zij samen een kind heeft. De echtgenoot en het kind wonen in Nederland.

2.3.

Vanaf 11 december 2013 is [A], de eigenaar geworden van een personenauto, merk Volkswagen (hierna: de auto). Op dat moment had de auto nog een Nederlands kenteken. De auto is op 1 september 2014 geëxporteerd. Op 2 oktober 2014 is het Roemeens kenteken [kenteken] voor de auto afgegeven en het kenteken is op die datum op naam van [A] gesteld.

2.4.

Op 8 april 2015 is geconstateerd dat met de auto in Nederland gebruik van de weg is gemaakt zonder dat er voor de auto motorrijtuigenbelasting in Nederland is afgedragen. Op het moment van deze constatering was belanghebbende de bestuurder van de auto. Blijkens het van deze controle opgemaakte controleformulier heeft belanghebbende verklaard dat zij in Nederland ingeschreven staat in de brp, zij in Nederland een echtgenoot en kind heeft, een huurwoning heeft, in Nederland belastingaangifte doet, en inkomsten geniet als poetsvrouw. Ook heeft zij blijkens dat formulier verklaard “Ik denk dat ik in Nederland wil blijven”.

2.5.

Naar aanleiding van voormelde constatering heeft de inspecteur bij brief van 14 januari 2016, gericht aan het Nederlandse adres van belanghebbende, aangekondigd een naheffingsaanslag MRB met boete op te leggen.

2.6.

Bij brief van 8 februari 2016, die blijkens het briefhoofd is verzonden vanuit [plaats X], heeft belanghebbende gereageerd op deze aankondiging. Daarin heeft zij onder meer geschreven: “U bent ervan uitgegaan dat periode in Nederland woon. Ik ben wel ingeschreven in de Basisregistratie samen met mijn man [A]. Maar hij woont alleen in Nederland die avond ik was bij hem ik ben op vakantie. Ik woont in Roemenië”.

2.7.

Met dagtekening 24 februari 2016 is aan belanghebbende op grond van artikel 34 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de Wet MRB) een naheffingsaanslag MRB opgelegd van € 949, berekend over het tijdvak 2 oktober 2014 tot en met 7 april 2015. Tevens is een verzuimboete van € 949 opgelegd.

2.8.

De inspecteur heeft de in 2.6 vermelde brief, die door hem op 10 februari 2016 werd ontvangen, aangemerkt als een bezwaarschrift. Bij de bestreden uitspraak op bezwaar, gedagtekend 22 april 2016, heeft hij de naheffingsaanslag MRB en de boetebeschikking gehandhaafd.

2.9.

Belanghebbende heeft op de uitspraak op bezwaar gereageerd bij een brief die (vermoedelijk onjuist) is gedateerd op 20 april 2016 en blijkens het briefhoofd is verzonden vanuit [plaats X]. In die brief staat onder meer het volgende:

“Op d.d. 22 april 2016 ontving ik van u een brief waarin u het bezwaar tegen mijn naheffingsaanslag ontvankelijk hebt verklaard. In deze brief staat dat ik ben ingeschreven als gevestigd persoon in Nederland. Dit is echter niet juist. Een aantal jaar geleden heb ik wel in Nederland gewerkt. Toen ben ik ingeschreven bij de gemeente waar ik werkte, maar omdat ik als Roemeense geen kennis had van de Nederlandse wetgeving heb ik me niet meer uit laten schrijven toen ik terug ging naar Roemenië.

Vorig jaar in 2015 was ik vanuit Roemenië met mijn Roemeense auto op vakantie in Nederland. Mijn echtgenoot werkte toen wel in Nederland en hij heeft ook een auto met een Nederlands kenteken waarover hij wegenbelasting betaald.

Nu denk ik dat alles een misverstand is, omdat ik nog steeds ingeschreven stond in Nederland. Deze inschrijving ga ik nu uiteraard zo snel mogelijk ongedaan maken.

Hopelijk wilt u deze naheffingsaanslag laten vervallen, want ik werkte in 2015 echt niet in Nederland. Ik was alleen maar op bezoek in Nederland bij mijn echtgenoot”.

2.10.

De inspecteur heeft de in 2.9 vermelde brief in eerste instantie aangemerkt als een verzoek om herziening. Bij brief aan belanghebbende van 13 mei 2016, gericht aan het adres te [plaats X], heeft hij onder meer het volgende geschreven:

“U stelt dat u op de controledatum niet in Nederland woonde, maar hier op vakantie was. Op de controledatum stond u echter nog in Nederland ingeschreven. Pas vanaf 22 april 2016 staat u niet meer ingeschreven in Nederland (…) maar in Roemenië. U heeft uw stelling met geen enkel bewijsstuk onderbouwd. Ik heb daarom geen aanleiding gevonden de naheffingsaanslag/boetebeschikking ambtshalve te herzien”.

2.11.

In reactie daarop heeft belanghebbende aan de inspecteur een door een beëdigd tolk/vertaler in het Nederlands vertaald, op 23 augustus 2016 gedagtekend “Getuigschrift” met een stempel van de gemeente [Z] in de provincie [woonplaats] en handtekeningen van een tweetal functionarissen toegezonden, waarin

“wordt bevestigd dat

  • -

    [belanghebbende] in het landbouwregister van com. [Z], provincie [woonplaats] ingeschreven staat bij vol. 8, tip 1, positie 6 als eigenaar van een in [Z] (…), [adres] gelegen onroerend goed type woning en

  • -

    [belanghebbende] in 2014, 2015 en 2016 op het bovenstaande adres woonachtig was.”

2.12.

De inspecteur heeft bij brief van 15 december 2016 kopieën van de in 2.9 en 2.11 vermelde brieven van belanghebbende aan de rechtbank gezonden en verzocht deze correspondentie als beroepschrift in behandeling te nemen.

2.13.

Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag MRB en de boetebeschikking terecht zijn opgelegd.

2.14.

Ter zake van het houden van een motorrijtuig - zoals een personenauto - wordt MRB geheven (artikel 1, eerste lid van de Wet MRB). De belasting wordt geheven van degene die het motorrijtuig houdt (artikel 6 van de Wet MRB). Indien een motorrijtuig in het buitenland is geregistreerd, wordt het gehouden door degene die het motorrijtuig in Nederland feitelijk ter beschikking heeft (artikel 7, eerste lid, van de Wet MRB). De houder wordt in dat geval geacht zijn hoofdverblijf in Nederland te hebben indien hij in Nederland als ingezetene is ingeschreven in de brp (artikel 7, derde lid, van de Wet MRB).

2.15.

Op grond van artikel 34, eerste lid, van de Wet MRB kan de belasting worden nageheven bij constatering van gebruik van de weg met een motorrijtuig waarvoor geen kenteken is opgegeven en de belasting geheel of gedeeltelijk niet is betaald. Voor de toepassing van dit lid wordt een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig aangemerkt als een motorrijtuig waarvoor geen kenteken is afgegeven.

2.16.

De inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende de auto in Nederland feitelijk ter beschikking had. Belanghebbende heeft dat niet betwist. Op grond hiervan, en mede gelet op de verklaring van belanghebbende dat haar man een andere auto, met Nederlands kenteken, ter beschikking heeft (zie 2.9), is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur op dit punt heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast.

2.17.

Nu voorts vaststaat dat belanghebbende ten tijde van de constatering van het gebruik van de weg in Nederland als ingezetene stond ingeschreven in de brp, is uitgaande van de in 2.14 en 2.15 vermelde bepalingen uit de Wet MRB de naheffingsaanslag terecht opgelegd. Niet gesteld of gebleken is dat de naheffingsaanslag MRB onjuist is berekend.

2.18.

Belanghebbende betwist de naheffingsaanslag op grond dat zij in Roemenië woont en op het moment van de controle met haar auto met Roemeens kenteken slechts op vakantie was in Nederland. Belanghebbende erkent dat zij in de brp ingeschreven is geweest omdat zij een aantal jaar geleden in Nederland heeft gewerkt. Ten onrechte heeft zij zich niet laten uitschrijven. Als bewijs dat zij in Roemenië woont, heeft zij het in 2.11 vermelde “Getuigschrift” overgelegd, waaruit volgens belanghebbende blijkt dat zij in Roemenië een woning bezit waar zij in de jaren 2014, 2015 en 2016 woonde.

2.19.

De inspecteur heeft betwist dat belanghebbende op het tijdstip van de controle in Roemenië woonde. Hij heeft daartoe gewezen op de in het controleformulier opgenomen verklaringen van belanghebbende (zie 2.4) en daaraan toegevoegd dat van belanghebbende een aangifte inkomstenbelasting/premieheffing volksverzekeringen voor het jaar 2014 is ontvangen. De inspecteur concludeert uit een en ander dat belanghebbende in ieder geval tot aan haar uitschrijving uit de Nederlandse brp op 22 april 2016 in Nederland woonde.

2.20.

De rechtbank verstaat het beroep van belanghebbende als een beroep op de richtlijn 83/182/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij de tijdelijke invoer van bepaalde vervoermiddelen binnen de Gemeenschap (hierna: de richtlijn). Artikel 3 van die richtlijn houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“Een vrijstelling (…) wordt verleend voor een al dan niet onderbroken duur van niet meer dan zes maanden per tijdvak van twaalf maanden bij de tijdelijke invoer van personenauto’s (…) onder de volgende voorwaarden: (a) de particulier die deze goederen invoert dient: (aa) zijn gewone verblijfplaats te hebben in een andere Lid-Staat dan die van de tijdelijke invoer (…)”.

Ingevolge artikel 7 van de richtlijn wordt voor toepassing van de richtlijn onder ‘gewone verblijfplaats’ verstaan de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar wegens persoonlijke en beroepsmatige bindingen waaruit nauwe banden tussen hemzelf en de plaats waar hij woont blijken. De gewone verblijfplaats van iemand die zijn beroepsmatige bindingen op een andere plaats heeft dan zijn persoonlijke bindingen en daardoor afwisselend verblijft op verschillende plaatsen gelegen in twee of meer Lid-Staten wordt evenwel geacht zich op dezelfde plaats te bevinden als zijn persoonlijke bindingen, op voorwaarde dat hij daar op geregelde tijden terugkeert.

2.21.

Op grond van de door de inspecteur bijgebrachte bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende in ieder geval op het moment van de constatering van het gebruik van de weg in Nederland haar gewone verblijfplaats in de zin van de richtlijn in Nederland had. Op grond van de verklaringen van belanghebbende op het controleformulier en haar Nederlandse belastingaangifte is immers aannemelijk dat zij (sterke) persoonlijke en beroepsmatige bindingen met Nederland had. De door belanghebbende aangevoerde bewijsmiddelen doen hieraan onvoldoende af. De rechtbank acht op grond van het in 2.11 vermelde “Getuigschrift” wel aannemelijk dat belanghebbende de beschikking had over een woning in Roemenië. Met betrekking tot persoonlijke en beroepsmatige bindingen in Roemenië valt uit dat “Getuigschrift” echter niets af te leiden. De rechtbank laat voorts meewegen dat belanghebbende de in 2.6 en 2.9 vermelde brieven heeft verzonden vanuit [plaats X], dat zij zich pas op 22 april 2016 heeft laten uitschrijven uit de Nederlandse brp, dat het “Getuigschrift” dateert van 23 augustus 2016 en dat daaruit niet blijkt dat zij eerder dan op die datum was ingeschreven in het aldaar vermelde landbouwregister. Aan de stelling van belanghebbende dat zij ten tijde van de controle “op vakantie was” in Nederland, gaat de rechtbank voorbij nu deze stelling haaks staat op hetgeen zij tijdens de controle heeft verklaard en verder niet onderbouwd is.

2.22.

Gelet op het voorgaande had belanghebbende haar gewone verblijfplaats in Nederland. Ook na toetsing aan de richtlijn blijft de conclusie dat de inspecteur de naheffingsaanslag MRB terecht aan belanghebbende heeft opgelegd.

2.23.

Ter zake de boetebeschikking wordt als volgt overwogen. Op grond van artikel 37 van de Wet MRB, in samenhang met artikel 67c van de AWR, en het bepaalde in paragraaf 34 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst, kan de inspecteur, indien de belastingplichtige de verschuldigde belasting ingeval van een in het buitenland gekentekend motorrijtuig niet heeft betaald, een verzuimboete opleggen van ten hoogste 100% en een maximum van € 5.278.

2.24.

Bij het opleggen van verzuimboeten wordt geen onderscheid gemaakt in de mate van schuld of nalatigheid. Bij wijze van uitzondering hierop blijft een boete achterwege bij afwezigheid van alle schuld (avas).

2.25.

In dit geval is geen sprake van avas. Niet alleen is het verhaal van belanghebbende onvoldoende aannemelijk, maar ook is niet aannemelijk geworden het bestaan van andere feiten of omstandigheden die kunnen leiden tot het oordeel dat elke schuld bij belanghebbende ontbreekt. Ook bestaat voor matiging van de boete geen grond. De opgelegde boete is, gelet op de aard van de overtreding en de omstandigheden van het geval, passend en uit een oogpunt van normhandhaving geboden.

2.26.

Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond verklaard.

Deze uitspraak is gedaan op 28 februari 2018 door mr. J. den Boer, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. E.C.A. de Kort, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.