Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:147

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
09-01-2018
Datum publicatie
15-01-2018
Zaaknummer
AWB 17_5905
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

LFNP. Aanwijzing als herplaatsingskandidaat zonder herplaatsingsaanbod. Eiser heeft bij de belangstellingsregistratie een voorkeursfunctie genoemd. Dit betreft een verticale functie in een ander team. Er is ten onrechte niet onderzocht of deze functie (of een eventuele andere verticale functie) passend is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 17/5905 AW

uitspraak van 9 januari 2018 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], te [woonplaats eiser], eiser,

gemachtigde: mr. F. IJsendorn,

en

de korpschef van politie, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 12 juli 2017 (bestreden besluit) van de korpschef inzake de aanwijzing als herplaatsingskandidaat zonder herplaatsingsaanbod.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 15 december 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M. Arts.

Overwegingen

1. Naar aanleiding van een grootschalige reorganisatie bij de politie vond op 1 januari 2012 de overgang naar het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) plaats. Bij die overgang zijn de functies waarin politieambtenaren formeel waren aangesteld, omgezet in LFNP-functies. De LFNP-functie waarin een politieambtenaar op 1 januari 2012 is aangesteld, wordt in beginsel aangemerkt als oorspronkelijke functie en is de startpositie ten behoeve van functievergelijking in het kader van de reorganisatie. Op basis van de functievergelijking kan een politieambtenaar in een vergelijkbare of uitwisselbare functie terugkeren in de nieuwe organisatie. Indien blijkt dat geen vergelijkbare of inwisselbare functies aanwezig zijn in de nieuwe organisatie, kan een politieambtenaar worden aangewezen als herplaatsingskandidaat.

2. Eiser heeft per 1 januari 2012 de LFNP-functie van Bedrijfsvoeringspecialist A, schaal 9, met Tilburg als plaats van tewerkstelling.

3. De korpschef heeft eiser bij brief van 27 november 2014 alvast geïnformeerd over het resultaat van de functievergelijking. Volgens de korpschef komt de combinatie van eisers werkzaamheden in de nieuwe politieorganisatie niet terug binnen één team, maar is deze ondergebracht bij verschillende, meer gespecialiseerde teams. Daarom wordt eiser mogelijk herplaatsingskandidaat.

4. Eiser heeft in een belangstellingsregistratie zijn voorkeur uitgesproken voor de functie van Bedrijfsvoeringspecialist B, schaal 10, met Middelburg als plaats van tewerkstelling (voorkeur 1), dan wel de functie van Gespecialiseerd Medewerker C, schaal 9, met Middelburg als plaats van tewerkstelling (voorkeur 2).

5. De plaatsingsadviescommissie (PAC) heeft de korpschef geadviseerd om eiser te plaatsen op een functie buiten de door eiser uitgebrachte voorkeuren, te weten de functie van Medewerker Techniek D, schaal 9, met Rotterdam als plaats van tewerkstelling.

6. Bij brief van 1 december 2015 heeft de korpschef aan eiser laten weten dat hij van plan is om eiser aan te wijzen als herplaatsingskandidaat en vervolgens te herplaatsen in de functie van Medewerker Techniek D, schaal 9, met Rotterdam als plaats van tewerkstelling. Eiser heeft een reactie gegeven op dit voornemen.

7. De PAC heeft de korpschef vervolgens geadviseerd om eiser (1) niet te plaatsen op de functie van Medewerker Techniek D te Rotterdam, (2) niet te plaatsen op de functies van zijn voorkeur, en (3) definitief aan te wijzen als herplaatsingskandidaat.

8. Bij besluit van 10 juni 2016 (primair besluit) heeft de korpschef besloten om eiser per 1 juli 2016 aan te wijzen als herplaatsingskandidaat, en hem nog niet te herplaatsen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

9. Bij het bestreden besluit heeft de korpschef het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De korpschef is daarbij afgeweken van het advies van de Bezwaaradviescommissie HRM.

Standpunt korpschef (bestreden besluit)

10. De korpschef stelt zich in het bestreden besluit, kort samengevat, op het standpunt dat met de aanwijzing als herplaatsingskandidaat zonder herplaatsingsaanbod is voldaan aan de plaatsingsregels.

Standpunt eiser (beroepsgronden)

11. Eiser voert in beroep, samengevat, het volgende aan. De korpschef had met het primaire besluit moeten onderzoeken of voor eiser gekomen kon worden tot een aanbod voor een passende functie. Het is onbegrijpelijk waarom de voorkeuren die eiser heeft geuit, nog niet zijn beoordeeld op passendheid.

Toepassing plaatsingsregels

12. Tussen partijen is niet in geschil dat eisers werkzaamheden in de nieuwe politieorganisatie niet binnen één team terugkomen. Eiser kon dus niet direct geplaatst worden in een bepaalde functie. De PAC heeft daarom gekeken of er een passende functie voor eiser beschikbaar is. Daarbij is eiser in de gelegenheid gesteld om zijn belangstelling voor bepaalde functies kenbaar te maken. Eiser heeft in de belangstellingsregistratie zijn voorkeur uitgesproken voor een schaal 10-functie (eerste voorkeur) en een schaal 9-functie (tweede voorkeur).

13. In geschil is of de korpschef de plaatsingsregels op juiste wijze heeft toegepast.

14. Bij herplaatsing gelden - voor zover hier van belang - de volgende regels:

  • -

    Herplaatsing geschiedt eerst horizontaal in het team waarbinnen het taakgebied van de betreffende medewerker terugkeert (dit is het team in de nieuwe formatie waarin wel het taakgebied terugkeert, maar niet de LFNP-functie in de formatie is opgenomen);

  • -

    Als daar geen passende horizontale functies beschikbaar zijn, moet gekeken worden of er geen verticale passende functies zijn in het team waarin het taakgebied terugkeerde;

  • -

    Als ook dat niet het geval is, kan vervolgens worden onderzocht of er in andere teams horizontale functies zijn (op basis van artikel 8, derde lid, van de Regeling landelijk sociaal statuut politie (LSS));

  • -

    Als sluitstuk kan dan gekeken worden naar verticale functies in een ander team.

15. Partijen zijn het erover eens dat er geen sprake is van passende (horizontale of verticale) functies binnen het team waarin het taakgebied van eiser terugkeert.

Dit betekent dat eerst moet worden gekeken of er een passende horizontale functie is in een ander team. De PAC heeft in eerste instantie de functie van Medewerker Techniek D te Rotterdam passend geacht. Tussen partijen is niet langer in geschil dat deze functie vanwege de reistijd niet passend is. Volgens de PAC zijn er geen andere passende functies binnen het ICT-domein. Eiser kon bovendien niet geplaatst worden op de functie van zijn tweede voorkeur, omdat daar al een overbezetting was van 500%. Ook dit is niet langer in geschil.

16. Eiser heeft bij de belangstellingsregistratie ook een eerste voorkeursfunctie genoemd. Dit betreft een schaal 10-functie en is dus een verticale functie. De PAC heeft deze functie in eerste instantie buiten beschouwing gelaten, omdat er functies beschikbaar zouden zijn op eisers eigen schaalniveau (schaal 9).

De rechtbank stelt vast dat de PAC in het plaatsingsadvies van 10 juni 2016 tot de conclusie komt dat er geen passende horizontale functies beschikbaar zijn, in ieder geval niet binnen het ICT-domein. Naar het oordeel van de rechtbank had vervolgens onderzocht moeten worden of de functie van eerste voorkeur of eventueel een andere verticale functie passend is. Dit is ten onrechte niet gebeurd, zodat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid (artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht).

Het beroep zal dan ook gegrond worden verklaard en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen.

17. De korpschef heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de PAC inmiddels is opgeheven, en dat het Landelijk mobiliteitscentrum (LMC) op dit moment is aangewezen om te adviseren over het doen van een nieuw aanbod aan herplaatsingskandidaten. De korpschef heeft ter zitting aangevoerd dat het LMC inmiddels onderzoek heeft gedaan naar de passendheid van de eerste voorkeursfunctie en dat deze functie niet passend is geacht door het LMC.

Eiser heeft betwist dat dit onderzoek heeft plaatsgevonden. In het dossier bevinden zich ook geen stukken ter ondersteuning van dit standpunt van de korpschef. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Het is immers niet duidelijk of het onderzoek naar de passendheid van de functie daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Daarnaast zal – indien er sprake is van een passende functie – door de korpschef beoordeeld moeten worden of eiser met inachtneming van de regelgeving geplaatst kan worden op deze functie. Het is dus onzeker hoe lang dit allemaal gaat duren. De korpschef zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

18. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed.

19. De rechtbank zal de korpschef veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt de korpschef op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt de korpschef op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt de korpschef in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Karsten-Badal, voorzitter, en mr. D. van Kralingen en mr. S.A.M.L. van de Sande, leden, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.