Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:1387

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
01-03-2018
Datum publicatie
09-04-2018
Zaaknummer
C/02/341913 / KG RK 18-158
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Bij verlof conservatoir beslag i.v.m. terugvordering bijstand o.g.v. art. 58 lid 1 Participatiewet geldt, in lijn met HR 3 oktober 2003, NJ 2004/557 (Ontvanger/Heemhorst), als procedure in de hoofdzaak de beslissing tot terugvordering en niet pas het dwangbevel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/369
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Middelburg

zaaknummer / rekestnummer: C/02/341913 / KG RK 18-158

Beschikking van 1 maart 2018

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

[verzoekster] ,

zetelend te Vlissingen,

verzoekster,

advocaat mr. J. Verbeeke te Rotterdam

en

[belanghebbende] ,

wonende te [postcode] Vlissingen, aan de [adres] ,

belanghebbende.

Partijen zullen verder [verzoekster] en [belanghebbende] worden genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift

  • -

    telefonisch horen van verzoekster.

2 De beoordeling

2.1.

[verzoekster] verzoekt verlof tot het ten laste van [belanghebbende] leggen van conservatoir derdenbeslag onder de Coöperatieve Rabobank U.A., gevestigd te Utrecht, mede kantoorhoudende te (4381 EW) Vlissingen aan het adres Lange Zelke 1 op één of meerdere op naam van [belanghebbende] staande bankrekeningen, onder meer doch niet uitsluitend, op rekeningnummer [rekeningnummer]

2.2.

Voor de aan het verzoek ten grondslag gelegde stellingen en de ter onderbouwing daarvan in het geding gebrachte bewijsstukken verwijst de voorzieningenrechter naar het aangehechte beslagrekest.

2.3.

[verzoekster] stelt belang te hebben bij verlenging van de termijn als bedoeld in artikel 700 lid 3 Rv tot 10 weken na beslaglegging, althans tot een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen (verlengde) termijn. [verzoekster] stelt daartoe het navolgende. [verzoekster] is voornemens om het recht op bijstand over de periode december 2013 tot en met februari 2016 te herzien op grond van artikel 54 lid 3 Participatiewet en om tot terugvordering van de ten onrechte verstrekte bijstand over de periode van december 2013 tot en met februari 2016 over te gaan op grond van artikel 58 lid 1 Participatiewet en de “Beleidsregels terug- en invordering en verhaal”. Gelet op de toepasselijkheid van de artikelen 4:87 en 4:112 e.v. AWB met betrekking tot de aanmaning en invordering bij dwangbevel is het niet mogelijk om onmiddellijk na de bekendmaking van het terugvorderingsbesluit tot tenuitvoerlegging over te gaan. Ingevolge voormelde bepalingen dient [verzoekster] , alvorens het dwangbevel uit te vaardigen, [belanghebbende] na bekendmaking van het besluit tot terugvordering een betalingstermijn van zes weken te geven en vervolgens een aanmaningstermijn van twee weken.

2.4.

De voorzieningenrechter overweegt ten aanzien van het verzoek tot verlenging van de termijn als bedoeld in artikel 700 lid 3 Rv als volgt. Kennelijk ligt aan dit verzoek ten grondslag dat het dwangbevel, met de uitvaardiging waarvan het besluit tot terugvordering ten uitvoer gelegd kan worden, niet eerder uitgevaardigd kan worden dan nadat de in voormelde rechtsoverweging vermelde termijnen zijn verstreken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het niet het dwangbevel is dat aangemerkt moet worden als de hoofdzaak. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt. Als hoofdzaak moet worden aangemerkt een procedure die leidt tot een voor tenuitvoerlegging vatbare (in de regel: rechterlijke) beslissing in een procedure waarin toetsing plaatsvindt van de gegrondheid en de omvang van het door de beslaglegger ingeroepen vorderingsrecht. Het instellen van een eis ziet niet alleen op het uitbrengen van een dagvaarding of het indienen van een verzoekschrift. De voorzieningenrechter is, onder verwijzing naar HR 3 oktober 2003, NJ 2004/557 (Ontvanger/Heemhorst) van oordeel dat in het onderhavige geval het bekendmaken aan [belanghebbende] van het terugvorderingsbesluit, ter verzekering tot voldoening waarvan het door [verzoekster] gelegde beslag strekt, moet worden aangemerkt als “eis in de hoofdzaak” als bedoeld in artikel 700 lid 3 Rv. In de na bekendmaking van het terugvorderingsbesluit voor belanghebbende openstaande bestuursrechtelijke procedure wordt de aan het beslag ten grondslag gelegde vordering rechterlijk getoetst waarmee de belangen van [belanghebbende] en van derden (de Rabobank) voldoende zijn gediend. De datum van bekendmaking van het terugvorderingsbesluit heeft te gelden als datum voor het instellen van de eis in de hoofdzaak aan de hand waarvan kan worden bepaald of het tijdig, binnen de door de voorzieningenrechter gegeven termijn ex art. 700 lid 3, aan belanghebbende bekend is gemaakt.

2.5.

Gelet op hetgeen vorenstaand is overwogen ziet de rechtbank geen aanleiding voor verlenging van de termijn als bedoeld in artikel 700 lid 3 Rb. De voorzieningenrechter zal, nu het verzoek overigens voldoet aan de daaraan te stellen eisen, het verzochte verlof verlenen met begroting van de vordering op € 41.407,60 en met bepaling van de termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak op 14 dagen na het beslag.

3 De beslissing

De voorzieningenrechter

3.1.

verleent [verzoekster] verlof tot het ten laste van [belanghebbende] leggen van conservatoir derdenbeslag onder de Coöperatieve Rabobank U.A., gevestigd te Utrecht, mede kantoorhoudende te (4381 EW) Vlissingen aan het adres Lange Zelke 1 op één of meerdere op naam van [belanghebbende] staande bankrekeningen, onder meer doch niet uitsluitend, op rekeningnummer [rekeningnummer] ,

3.2.

begroot de vordering, vermeerderd met rente en kosten, voorlopig op een bedrag van € 41.407,60 (zegge: eenenveertigduizendvierhonderdzeveneuro en zestig eurocent);

3.3.

bepaalt de termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak op 14 (zegge: veertien) dagen na het beslag,

3.4.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.K. van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2018.1

MdB.

1 type: coll: