Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:1340

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
23-02-2018
Datum publicatie
06-03-2018
Zaaknummer
BRE 18/1022
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bevel tot sluiting van de woning aan de Amethistdijk 35 te Roosendaal en gebiedsverbod voor één van de bewoners. De beschieting van de woning van verzoekers aan de Amethistdijk 35 te Roosendaal was een verstoring van de openbare orde. De voorzieningenrechter betwijfelt echter of de burgemeester bevoegd was om op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet over te gaan tot sluiting van de woning. Dit aspect zal in de bodemprocedure aan de orde moeten komen en daarom zal nu op basis van een belangenafweging op het verzoek om schorsing beslist worden. In die belangenafweging komt groot gewicht toe aan algemeen belang dat is gelegen in de bescherming van de openbare orde. Door de terugkeer van verzoekers naar hun woning zal het veiligheidsgevoel van met name de omwonenden worden aangetast. Maar door cameratoezicht en verscherpt toezicht door de politie is de kans op herhaling in de Amethistdijk afgenomen terwijl niet uitgesloten kan worden dat verzoekers op of nabij hun alternatieve woonadres of elders in Roosendaal beschoten zullen worden. Dit maakt dat het belang van verzoekers om met hun kinderen terug te kunnen keren naar hun eigen woning zwaarwegender dan het algemeen belang bij bescherming van de openbare orde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 18/1022 WET VV en 18/1023 WET VV

uitspraak van 2 maart 2018 van de voorzieningenrechter in de zaken tussen

1. [naam verzoekers]te [woonplaats verzoekers], verzoekers sub 1;

2. [naam verzoeker]te [woonplaats verzoeker], verzoeker sub 2,

gemachtigde: mr. M.J. Crombach

en

de burgemeester van de gemeente Roosendaal, verweerder.

Procesverloop

Verzoekers sub 1 hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder van 21 februari 2018 inzake het bevel tot sluiting van de woning aan de [adres verzoekers] te [woonplaats verzoekers] voor de duur van vier weken (hierna: het sluitingsbevel).

Verzoeker sub 2 heeft tevens bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder van 21 februari 2018 inzake het bevel om zich te verwijderen en verwijderd te houden van de woning aan de [adres verzoekers] te [woonplaats verzoekers] en een nader aangeduid gebied rondom deze woning voor de duur van vier weken (hierna: het gebiedsverbod).

Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 2 maart 2018. Verzoekers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde mr. M.J. Crombach. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.J.P.G. Roozendaal.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

In de nacht van zaterdag op zondag 18 februari 2018 werd omstreeks 00:33 uur geschoten op de woning aan de [adres verzoekers] te [woonplaats verzoekers]. Er zijn drie kogels aangetroffen. De kogelgaten zaten in de brievenbus en het raam/rolluik van de woning. Verzoeker [naam verzoeker] was op moment in de woonkamer, die zich achter het raam (met rolluik) aan de voorzijde van de woning bevindt. Er is niemand gewond geraakt.

Verzoeker [naam verzoeker] heeft bij de politie aangegeven dat hij [naam betrokkene] er van verdenkt de schoten te hebben gelost. Hij was op 15 februari 2018 vrijgekomen nadat hij in bewaring was gesteld op verdenking van poging tot moord dan wel doodslag van [naam betrokkene]. Dit schietincident vond op 5 december 2017 plaats in dezelfde wijk [naam wijk].

Verweerder heeft zich, onder verwijzing naar de bestuurlijke rapportage van de politie van 20 februari 2018, op het standpunt gesteld dat sprake is van gevaarzetting voor de bewoners van de woning en omwonenden, aantasting van het veiligheidsgevoel van wijkbewoners en – mede gelet op het eerdere schietincident – grote kans op herhaling. Verweerder vreest dat de aanwezigheid van verzoeker sub 2 en zijn familie in de woning wederom zal leiden tot een ernstige verstoring van de openbare orde en heeft daarom het sluitingsbevel en het gebiedsverbod opgelegd. Daarbij heeft hij aangegeven dat hij zich er van bewust is dat hiermee een inbreuk wordt gemaakt op het grondwettelijk beschermde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, maar dat het algemeen belang dat gediend is met de bescherming van de openbare orde en veiligheid in de buurt in dit geval zwaarder weegt.

Aan verzoekers en hun kinderen is vervangende woonruimte aangeboden in een hotel in [woonplaats verzoekers].

2. Verzoekers betwisten niet dat door het schietincident een verstoring van de openbare orde is ingetreden, maar zij betwisten wel dat sprake is van ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde indien de woning niet gesloten wordt. Volgens verzoekers blijkt uit niets dat er sprake is van concrete dreiging tegen hen en/of tegen hun woning. Daarnaast hebben zij aangevoerd dat verweerder minder zware maatregelen had kunnen treffen. Verzoekers menen dat zij onevenredig zwaar getroffen worden door met name de sluiting van hun woning. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht het sluitingsbevel te schorsen. Ter zitting heeft verzoeker sub 2 aangegeven dat hij er op zich geen probleem mee heeft om zich aan het gebiedsverbod te houden, maar dat hij niettemin ook schorsing van dit besluit wil omdat hij anders zijn gezin niet zou kunnen bezoeken.

3.1

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van de bestreden besluiten een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van de bestreden besluiten voor verzoekers een onevenredig nadeel met zich zouden brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van die besluiten te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

3.2

Ingevolge artikel 172, eerste lid, van de Gemeentewet is de burgemeester belast met de handhaving van de openbare orde.

Artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet bepaalt dat de burgemeester bevoegd is bij de verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk te achten zijn voor de handhaving van de openbare orde.

In artikel 10, eerste lid, van de Grondwet is bepaald dat ieder, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht heeft op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.

4.1

De voorzieningenrechter stelt voorop dat met de beschieting van de woning van verzoekers aan de [adres verzoekers] te [woonplaats verzoekers] zonder meer sprake was van een verstoring van de openbare orde. Dat wordt als zodanig ook niet betwist door verzoekers.

4.2

De voorzieningenrechter begrijpt dat verweerder zich genoodzaakt zag om op te treden, dat hij voor rust en veiligheid in de straat en in de wijk heeft willen zorgen door het treffen van de beide maatregelen en dat hij daarmee ook het belang van verzoekers voor ogen had. De voorzieningenrechter heeft echter ernstige twijfels over de bevoegdheid van verweerder om op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet over te gaan tot sluiting van de woning. Het betreft een voor verzoekers zeer verstrekkende maatregel met ingrijpende gevolgen. Met de sluiting van de woning wordt door verweerder een inbreuk gemaakt op een grondwettelijk beschermd recht. Artikel 10, eerste lid, van de Grondwet laat toe dat bij of krachtens een wet een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer gemaakt kan worden, maar artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet opent niet expliciet de mogelijkheid om een dergelijke inbreuk te maken ter handhaving van de openbare orde. In dit verband verwijst de voorzieningenrechter naar rechtsoverweging 6 van de uitspraak van 30 januari 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:540, en de daar genoemde wetsgeschiedenis.

4.3

De onderhavige voorlopige voorzieningprocedure leent zich niet voor de beantwoording van de vraag of verweerder bevoegd was om de woning te sluiten op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit aspect in de bodemprocedure aan de orde zal moeten komen en zal op basis van een belangenafweging op het verzoek om schorsing van het sluitingsbevel beslissen. Omdat verweerder bij zijn beslissing op de bezwaren zal moeten heroverwegen met inachtneming van alle nieuwe feiten en omstandigheden, gaat het voor de voorzieningenrechter om de vraag of in de huidige situatie nog sprake is van verstoring van de openbare orde dan wel ernstige vrees daarvoor.

5.1

Verweerder heeft in het sluitingsbevel verwezen naar de bestuurlijke rapportage van de politie van 20 februari 2018. Daarin is – voor zover hier van belang – aangegeven dat zowel op 5 december 2017 als op 18 februari 2018 een schietincident heeft plaatsgevonden in dezelfde wijk, waardoor het veiligheidsgevoel van de wijkbewoners en van alle inwoners van [plaats van incident] is aangetast. En omdat bij beide schietincidenten vermoedelijk dezelfde personen betrokken waren, acht de politie de kans op herhaling van soortgelijke feiten groot.

Voorts heeft verweerder er op gewezen dat verzoekers en hun kinderen door de woningsluiting niet dakloos zijn geworden omdat zij zijn ondergebracht in een hotel in [woonplaats verzoekers].

5.2

Verzoekers hebben betoogd dat een nieuw schietincident niet kan worden voorkomen door elders in [woonplaats verzoekers] te gaan wonen omdat zij herkend kunnen worden. De kans op herhaling is volgens verzoekers minder groot als ze terug mogen naar hun eigen woning omdat verweerder eveneens op 21 februari 2018 cameratoezicht en verscherpt toezicht door de politie heeft ingesteld voor de gebieden [naam wijkgebied], [naam wijkgebied] en [naam wijkgebied]. Daar komt bij dat zij de woonsituatie in het hotel niet ideaal achten, met name niet voor hun kinderen. Verzoekers willen liever terug naar hun eigen woning.

5.3

De voorzieningenrechter is van oordeel dat aan het recht van verzoekers op eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer doorslaggevend gewicht toekomt. De voorzieningenrechter ziet er niet aan voorbij dat door de terugkeer van verzoekers naar hun woning het veiligheidsgevoel van met name de omwonenden zal worden aangetast en dat een zwaarwegend algemeen belang is gelegen in de bescherming van de openbare orde. Maar de voorzieningenrechter kan verzoekers volgen in hun stelling dat door cameratoezicht en verscherpt toezicht door de politie de kans op herhaling nabij hun woning is afgenomen terwijl niet uitgesloten kan worden dat verzoekers op of nabij hun alternatieve woonadres of elders in [woonplaats verzoekers] beschoten zullen worden. Dit maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat aan het algemene belang dat gericht is op de bescherming van de openbare orde en veiligheid in de wijk [naam wijk], minder gewicht toekomt dan aan het belang van verzoekers om met hun kinderen terug te kunnen keren naar hun eigen woning.

5.4

Dit leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het sluitingsbevel geschorst dient te worden.

6. Gegeven deze uitkomst ligt het in de rede om ook het gebiedsverbod te schorsen aangezien het anders voor verzoeker sub 2 niet mogelijk zou zijn om zich bij zijn gezin te voegen.

7. Omdat de voorzieningenrechter de verzoeken toewijst, dient verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht te vergoeden. De voorzieningenrechter zal voorts verweerder veroordelen in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,-- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    schorst zowel het sluitingsbevel als het gebiedsverbod tot zes weken na de bekendmaking van de beslissingen op bezwaar;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,-- aan verzoekers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 1.002,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2018.

P.H.M. Verdonschot, griffier C.A.F. van Ginneken, voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.