Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:1318

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
06-03-2018
Datum publicatie
06-03-2018
Zaaknummer
02/800192-17 en 02/665250-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag. Zware mishandeling wordt gevolgd door duw van het balkon. Tbs met voorwaarden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0224
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummers: 02/800192-17 en 02/665250-17

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 maart 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

verblijvende te [adres]

raadsvrouw mr. A.T. Bol, advocaat te Rotterdam

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 februari 2018, waarbij de officier van justitie, mr. Snoeks, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is in de zaak met parketnummer 02/800192-17 gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht ter zake dat

in de zaak met parketnummer 02/800192-17

hij op of omstreeks 16 maart 2017 te Zevenbergen, gemeente Moerdijk,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer 1]

- bij de keel/hals heeft vastgepakt en/of gedurende enige tijd (krachtig) in

die keel/hals heeft geknepen, en/of

- meermalen, althans eenmaal, met een (hard) voorwerp en/of met één of meer

(tot vuist gebalde) hand(en) in het gezicht, althans tegen het hoofd en/of

(het) overig(e) lichaam(sdelen) heeft geslagen en/of gestompt,

- meermalen, althans eenmaal, een kopstoot heeft gegeven, en/of

- in de neus heeft gebeten, en/of

- met één of meer vinger(s) in het (linker)oog heeft geprikt en/of geduwd

en/of aan het oog heeft getrokken, althans heeft getracht het (linker)oog te

verwijderen, en/of

- van het balkon (van de woning/appartement [adres] gelegen op de 3e

verdieping) heeft geduwd/gegooid,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 16 maart 2017 te Zevenbergen, gemeente Moerdijk,

aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten

- neurotrauma (bloeding onder schedeldak links, kneuzingen van hersenweefsel

in achterhoofd rechts en voorhoofd links) en/of

- bovenkaakfractuur en/of

- neusfractuur en/of

- oogkas fractuur en/of

- jukbeen fractuur en/of

- huidverwondingen aangezicht en/of

- beschadiging van beide ogen (linkeroog niet meer functioneel) en/of

- meerdere ribfracturen en/of

- gekneusde longen en/of

- heiligbeen fractuur en/of

- darmbeen fractuur en/of

- breuken lendenwervel 3 en 4,

heeft toegebracht door die [slachtoffer 1]

- bij de keel/hals vast te pakken en/of gedurende enige tijd (krachtig) in

die keel/hals te knijpen, en/of

- meermalen, althans eenmaal, met een (hard) voorwerp en/of met één of meer

(tot vuist gebalde) hand(en) in het gezicht, althans tegen het hoofd en/of

(het) overig(e) lichaam(sdelen) te slaan en/of stompen,

- meermalen, althans eenmaal, een kopstoot te geven, en/of

- in de neus te bijten, en/of

- met één of meer vinger(s) in het (linker)oog te prikken en/of duwen

en/of aan het oog te trekken, althans heeft getracht bij die [slachtoffer 1] het

(linker)oog te verwijderen, en/of

- van het balkon (van de woning/appartement [adres] gelegen op de 3e

verdieping) te duwen/gooien.

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

in de zaak met parketnummer 02/665250-17

hij op of omstreeks 25 februari 2017 te Zevenbergen, gemeente Moerdijk

[slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2]

- te duwen op/tegen het lichaam en/of

- te slaan en/of te stompen op/tegen de kaak, althans in/op het gezicht,

ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] letsel en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte hetgeen hem onder parketnummer 02/800192-17 primair en 02/665250-17 is tenlastegelegd, heeft begaan.

In de zaak onder eerstgenoemd parketnummer baseert zij zich kort samengevat, op bevindingen van verbalisanten, op sporenonderzoek, op verklaringen van getuigen en op de verklaring van verdachte.

In de zaak met parketnummer 02/800192-17 baseert zij zich op bevindingen van verbalisanten, op de aangifte van [slachtoffer 2] , een verklaring van een getuige en op de verklaring van verdachte zelf.

4.2

Het standpunt van de verdediging

In de zaak met parketnummer 02/800192-17 is door de verdediging geen bewijsverweer gevoerd.

In de zaak met parketnummer 02/665250-17 is aangevoerd dat verdachte aangever [slachtoffer 2] enkel van zich af heeft geduwd. Op basis van de aangifte en de verklaring van de beveiliger kan echter naar de opvatting van de verdediging wettig en overtuigen bewezen verklaard worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

In de zaak met parketnummer 02/800192-17

Op donderdagavond, 16 maart 2017 kort na 22.00 uur liep getuige [getuige 2] bij het appartementencomplex gelegen aan de [adres] in Zevenbergen1. In de bosschage zag zij een persoon liggen. Aanvankelijk dacht zij dat deze persoon een wit shirt droeg maar later zag zij dat het een ontbloot bovenlichaam was. Zij besloot naar huis te gaan om haar telefoon te halen om de politie te informeren.

Een van de inmiddels gearriveerde verbalisanten zag dat het een vrouw betrof2. Aanvankelijk kon hij het gezicht van de vrouw niet goed zien. Toen een collega de handen van de vrouw voor haar gezicht weghaalde zag zij hoe ernstig het letsel was. Een gedeelte van het gezicht, waaronder haar linkeroog en het bovenste gedeelte van haar neus waren geheel onherkenbaar. Ook het bovengebit van de vrouw was niet meer intact. Door een van de omstanders werd de verbalisant gewezen op het derde balkon recht boven de locatie waar de vrouw lag. Zowel aan de bovenzijde als onderzijde van het balkon zag hij een donkere substantie zitten welke rood van kleur was. Nadat het slachtoffer met een ambulance was afgevoerd, zijn verbalisanten het appartementencomplex ingegaan. Vanaf de tweede verdieping waren rode vlekken, in de vorm van voetstappen op de vloer van de trappenhal te zien. De voetstappen waren dusdanig herkenbaar dat te zien was dat deze van blote voeten afkomstig waren. De voetstappen leidden de verbalisant naar de derde verdieping naar het appartement met huisnummer [huisnummer] , zijnde de woning van het slachtoffer mevrouw

[slachtoffer 1] . De verbalisant is de voetafdrukken terug naar beneden gevolgd. De voetstappen hielden op bij de voordeur van het appartement met huisnummer [huisnummer] , gelegen op de tweede verdieping. Op dit adres werd kort hierna verdachte aangehouden.

In de woning van het slachtoffer aan de [adres] heeft een sporenonderzoek plaatsgevonden3. Geconcludeerd is onder meer dat op het bankstel in de woonkamer meerdere geweldsinwerkingen hebben plaatsgevonden. Vervolgens is een veegspoorpatroon van bloed waargenomen op de vloer van de woonkamer via de slaapkamer naar het balkon. Gesteldis verder dat het bebloed object of lichaam over de stenen balustrade, onder de metalen buis, is verplaatst en naar beneden is gegooid dan wel gevallen. Zowel op de vloer van het balkon, als de vloer van de slaapkamer, de woonkamer met open keuken, en van de hal werden met bloed gezette voetsporen aangetroffen. De voeten waren vermoedelijk bedekt met een sok. In de woonkamer was de looprichting van de voetsporen naar de wasbak in de keuken waarna deze vervolgens via de hal, galerij en trappenhuis naar de tweede verdieping van het wooncomplex gingen.

Ook in de woning van verdachte aan de [adres] heeft een sporenonderzoek plaatsgevonden4. In de gang van de woning werden diverse afrukpatronen van bloed aangetroffen. In de badkamer werden diverse kledingstukken aangetroffen, waaronder een zwarte sok en een wit shirt met daarop bloed. Dit bloed is bemonsterd. Door het Nederlands Forensisch Instituut is geconcludeerd dat zowel de sok als het shirt bloed bevat welk bloed overeenkomt met het DNA-profiel van slachtoffer [slachtoffer 1]5. De kans dat dit bloed van een ander dan van [slachtoffer 1] afkomstig is, is kleiner dan 1 op 1 miljard.

Verdachte is diverse keren door de politie gehoord. Tijdens zijn derde verhoor heeft verdachte verklaard dat hij die avond met mevrouw [slachtoffer 1] is gaan eten6. Na het eten zijn ze teruggelopen naar het appartementencomplex. Thuisgekomen trof verdachte zijn moeder bij hem aan die kort daarna is vertrokken. Bij hem kwam de gedachte op dat het die avond klaar was met hem, dat hij zou worden uitgeschakeld, “stekkers eruit, het is klaar. [verdachte] is afgeschreven vanavond”. Verdachte is vervolgens naar boven gegaan naar mevrouw [slachtoffer 1] .

Verdachte verklaarde: “Toen dacht ik van ‘oke, Shut down’. Nu moet ik het doen. Nu, als ik het nu niet doe, gebeurt het nooit meer, niemand. Toen heb ik het gedaan. En ik kan details vertellen. (…) Ik heb haar eerst proberen te kussen. Ik denk van ‘nou oke, dan moeten we maar liefde bedrijven ofzo’. (…) Ik raakte haar aan en dat was niet fijn. Zoenen was niet fijn. (…) Werd ik heel erg, hoe moet ik dat zeggen, ik voel gewoon die, hoe moet ik dat zeggen. Die pure…geen angst. Maar gewoon puur ‘evil’. Gewoon kwaad. (…) Gewoon zo zwart, zo donker. Toen dacht ik van: oke, dan is het nu ..dan moet ik dat weghalen. Toen heb ik haar eerst gewurgd. Toen heb ik haar geslagen. Hard, een kopstoot gegeven. Ik kan het me niet precies herinneren maar volgens mij heb ik haar oog eruit getrokken. Toen van de bank af gesleept, naar het balkon getrokken en naar beneden. (…)

Gewoon bij haar keel gepakt en gewoon... dicht proberen te knijpen. (…) ik ging haar wurgen en er gebeurde vrij weinig eigenlijk. (…) Ik denk van ja, dit is niet helemaal precies zoals ik denk dat dat zou moet gaan. Een beetje lucht er uit zo en een beetje scheetjes laten. Weet ik veel hoe dat precies ging. Ik denk van er gebeurt niks weet je wel, ga eruit, ga eruit, ga eruit, ze ging er niet uit. Ik denk dat ik het wel anderhalve minuut, echt wel hard. (…)

Gewoon op een meloen slaan. … gewoon slaan. En toen nog steeds niks. Toen dacht ik “what the fuck” is dit. Gewoon van ga, ga, ga weg. Een paar kopstoten gegeven (…) Toen volgens mij in haar oog geprikt of eruit getrokken of volgens mij in haar neus gebeten. Ga, ga, rot op gewoon (…) ze blijft gewoon nog steeds leven. Toen van de bank af en toen euh… balkon.. gesleept en... viel ze drie hoog naar beneden.. Zeg maar geduwd gesleept getrokken.”

Verdachte heeft ter zitting aangegeven bij deze verklaring te blijven7.

Forensisch GGD-arts Van Waterschoot heeft een beschrijving gegeven van het door mevrouw [slachtoffer 1] opgelopen letsel en geconcludeerd dat de zeer ernstige letsels zijn veroorzaakt door de op 16 maart ondergane mishandeling en de daarop volgende val van een hoogte.8. In het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam, alwaar het slachtoffer is behandeld, zijn de volgende letsels geconstateerd. Een bloeding onder het schedeldak links (subduraal hematoom), kneuzingen van hersenweefsel in zowel het achterhoofd als het voorhoofd. Daarnaast was sprake van diverse fracturen, te weten van de bovenkaak, de neus, de oogkas, jukbeen, meerdere ribfracturen, bekken en breuken in de lendenwervels. Verder werden beide ogen beschadigd, het linkeroog zodanig dat dit niet meer functioneel is.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat het verdachte is geweest die op 16 maart 2017 getracht heeft mevrouw [slachtoffer 1] van het leven te beroven.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte hier ook opzet op heeft gehad. Uit de hierna nader te bespreken deskundigenrapporten blijkt dat het delictgedrag van verdachte direct voortkwam uit een psychotische stoornis en in mindere mate uit een persoonlijkheidsstoornis. Als gevolg van de psychotische stoornis was er bij verdachte sprake van een ernstig gestoord realiteitsbesef, ernstige oordeels- en kritiekstoornissen en decorumverlies. Hij was gefocust op en gepreoccupeerd door het slachtoffer. Toen hij aandacht en persoonlijk contact met haar zocht voelde hij zich vanuit zijn paranoïde waan steeds meer bedreigd in zijn autonomie en kreeg hij het gevoel dat zij macht over hem zou krijgen en dat hij volledig aan haar overgeleverd was. Toen hij werd afgewezen was verdachte ten diepste gekrenkt en vertegenwoordigde het slachtoffer voor hem het grote kwaad, de vijand die hem zou uitschakelen en vanuit zijn paranoïde psychotische angst en agressie kwam verdachte er toe om het slachtoffer te vernietigen.

De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad het hebben van een ernstige geestelijke stoornis slechts dan aan een bewezenverklaring van opzet in de weg staat indien het verdachte ten tijde van zijn handelen aan ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen ervan heeft ontbroken. Volgens vaste jurisprudentie zal hiervan slechts bij hoge uitzondering sprake kunnen zijn.

Verdachte verkeerde, zoals door de rechtbank hiervoor vastgesteld, die bewuste avond kennelijk in een toestand dat zijn gedachten in beslag werden genomen door het idee dat hij getest werd en dat zijn bestaan in het geding was; hij zou die avond worden uitgeschakeld en zijn bovenbuurvrouw was de vertegenwoordiger van de bron, kracht ofwel organisatie die daarvoor stond. En vanuit die toestand heeft verdachte geprobeerd haar uit te schakelen.

De handelingen die verdachte heeft verricht waren qua uiterlijke verschijningsvorm ook geheel gericht op het gevolg, namelijk het doden van mevrouw [slachtoffer 1] . Dit opzet op dit gevolg komt ook nadrukkelijk naar voren in de hiervoor weergegeven verklaring van verdachte, waarin hij herhaaldelijk spreekt over het (moeten) doden van mevrouw [slachtoffer 1] en zijn poging(en) daartoe. Dat verdachte enig realiteitsbesef had volgt naar het oordeel van de rechtbank ook uit het feit dat hij ter plaatse zijn handen heeft gewassen en bij thuiskomst kleding heeft natgemaakt en geprobeerd in brand te steken.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat verdachte tenminste enig besef had van de draagwijdte en de mogelijke gevolgen van zijn handelen. De door de Hoge Raad aangegeven uitzonderingssituatie dat het verdachte aan elk besef hieromtrent heeft ontbroken kan, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet worden aangenomen. Nu verdachte enig inzicht heeft gehad in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen ervan, hoe minimaal ook, acht de rechtbank het opzet van verdachte op de dood van mevrouw [slachtoffer 1] en daarmee de doodslag wettig en overtuigend bewezen.

In de zaak met parketnummer 02/665250-17

Op 25 februari 2017 stond aangever [slachtoffer 2] bij de ingang van café [naam café] in Zevenbergen9. Ook verdachte was daar aanwezig. Aangever zag en voelde dat verdachte met zijn rechter vuist opzettelijk en met kracht tegen zijn linker wang sloeg. Aangever voelde gelijk pijn. Een van de aanwezige beveiligingsmedewerkers, de getuige [getuige 1] , heeft verklaard dat hij gezien heeft dat de korte jongen de lange jongen 3 vuistslagen in het gezicht gaf10. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij [slachtoffer 2] bij zijn middel heeft gepakt en hem heeft weggeduwd. Ook verklaart hij dat [slachtoffer 2] zeker 2 meter is11. Later heeft verdachte daar nog aan toegevoegd dat hij een aantal tikken heeft uitgedeeld12.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen verklaard kan worden dat verdachte op 25 februari 2017 aangever [slachtoffer 2] heeft mishandeld.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

in de zaak met parketnummer 02/800192-17

primair

hij op of omstreeks 16 maart 2017 te Zevenbergen, gemeente Moerdijk,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer 1]

- bij de keel/hals heeft vastgepakt en/of gedurende enige tijd (krachtig) in

die keel/hals heeft geknepen en/of

- meermalen, althans eenmaal, met een (hard) voorwerp en/of met één of meer

(tot vuist gebalde) hand(en) in het gezicht, althans tegen het hoofd en/of

(het) overig(e) lichaam(sdelen) heeft geslagen en/of gestompt,

- meermalen althans eenmaal, een kopstoot heeft gegeven en/of

- in de neus heeft gebeten en/of

- met één of meer vinger(s) in het (linker)oog heeft geprikt en/of geduwd

en/of aan het oog heeft getrokken althans heeft getracht het (linker)oog te

verwijderen, en/of

- van het balkon (van de woning/appartement [adres] gelegen op de 3e

verdieping) heeft geduwd/gegooid,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

in de zaak met parketnummer 02/665250-17

hij op of omstreeks 25 februari 2017 te Zevenbergen, gemeente Moerdijk

[slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2]

- te duwen op/tegen het lichaam en/of

- te slaan en/of te stompen op/tegen de kaak, althans in/op het gezicht,

ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] letsel en/of pijn heeft ondervonden;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte strafbaar is.

In de zaak met parketnummer 02/800192-17 overweegt de rechtbank hieromtrent het volgende.

Verdachte is onderzocht door psycholoog Nys en psychiater Van Weers. Gerapporteerd is dat verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de zin van ongespecificeerde schizofreniespectrum of andere psychotische stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis met gemengde cluster-B trekken. Beide deskundigen zijn van mening dat hiervan ook sprake was ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde feit op 16 maart 2017. Deze stoornissen hebben zijn gedragskeuzes en gedragingen beïnvloed. Zoals hiervoor ook al aangegeven kwam het gedrag van verdachte direct voort uit de psychotische stoornis en in mindere mate uit de persoonlijkheidsstoornis. Beide deskundigen zijn op grond van hun bevindingen tot de conclusie gekomen dat hetgeen verdachte is tenlastegelegd hem niet kan worden toegerekend.

Zowel de officier van justitie als de verdediging hebben de rechtbank verzocht om verdachte ontoerekeningsvatbaar te verklaren en verdachte vervolgens te ontslaan van alle rechtsvervolging.

De rechtbank is op grond van hetgeen door de deskundigen is overwogen van oordeel dat verdachte ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit op 16 maart 2017 ontoerekeningsvatbaar was. Dit leidt ertoe dat verdachte in zoverre niet strafbaar is.

De rechtbank zal daarom verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging.

In de zaak met parketnummer 02/665250-17 heeft de verdediging zich eveneens op het standpunt gesteld dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is te achten.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de hiervoor aangehaalde deskundigenrapporten onvoldoende aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat verdachte ten tijde van het plegen van dit tenlastegelegde feit, te weten op 25 februari 2017, volledig ontoerekeningsvatbaar was. Ongetwijfeld zal op laatstgenoemde datum de psychotische stoornis bij verdachte al in ontwikkeling geweest zijn, echter de rechtbank is niet gebleken dat het gedrag van verdachte op die datum direct en volledig voortkwam uit die stoornis. Dat volgt ook geenszins uit de verklaring van verdachte zelf over die avond. Gelet hierop en nu ook niet anderszins is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit, is verdachte strafbaar voor zover het betreft de mishandeling op 25 februari 2017.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) onder de voorwaarden zoals die staan benoemd in het maatregelenrapport van de Reclassering van 9 november 2017. Daarbij is gevorderd, met name gelet op het gevaarscriterium en het hoge recidivegevaar, te bepalen dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Daarnaast vordert de officier van justitie voor zover het de mishandeling betreft een taakstraf voor de duur van 40 uren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat een behandeling in een vrijwillig kader dan wel de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis ook tot de mogelijkheden behoort als passende reactie. Nu de deskundigen echter een tbs met voorwaarden adviseren en verdachte heeft aangegeven zijn medewerking te willen verlenen aan de voorgestelde voorwaarden, lijkt een tbs met voorwaarden de meest voor de hand liggende weg om voort te gaan.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Nadat verdachte en het slachtoffer, mevrouw [slachtoffer 1] , op 16 maart 2017 in een restaurant hebben gegeten zijn zij naar hun appartementencomplex gegaan. Kort na thuiskomst is het gruwelijk misgegaan. Verdachte is op enig moment naar het appartement van het slachtoffer gegaan alwaar hij geprobeerd heeft haar om het leven te brengen. Het recht op leven, het meest fundamentele recht dat er bestaat, is het slachtoffer bijna ontnomen. In haar woning, een omgeving waar eenieder zich juist veilig zou moeten voelen, heeft verdachte het slachtoffer verschrikkelijk toegetakeld. Hij heeft de keel van het slachtoffer dichtgeknepen, haar kopstoten en krachtige vuistslagen gegeven en geprobeerd bij haar een oog uit te trekken. Toen het alsmaar niet lukte haar te doden heeft verdachte het slachtoffer uiteindelijk door haar woning naar het balkon gesleept en haar vanaf het balkon, gelegen op de derde verdieping, naar beneden gegooid. Het is een nauwelijks voorstelbaar dat mevrouw [slachtoffer 1] dit alles heeft overleefd. Het slachtoffer heeft zwaar letsel opgelopen. Uit de voorhanden zijnde medische informatie blijkt dat zij vele fracturen heeft opgelopen en dat zij een van haar ogen moet missen. Ook zal zij nog herstellende operaties moeten ondergaan, enkel als gevolg van het enorme geweld dat verdachte op haar heeft toegepast. De rest van haar leven zal mevrouw [slachtoffer 1] nog dagelijks geconfronteerd worden met hetgeen verdachte haar heeft aangedaan.

Dit alles heeft een enorme, blijvende impact op het leven van mevrouw [slachtoffer 1] en haar directe omgeving. Dit blijkt ook uit de ter zitting door haar dochters voorgelezen slachtofferverklaring. De pijn die zij voelt is onbeschrijfelijk. Nadat zij uit haar coma was ontwaakt, stortte zij volledig in. Na een maanden durende revalidatie keerde zij terug naar haar appartement, terug naar het “normale leven”, terwijl ze zich alles behalve normaal voelde en zwaar gehandicapt was. Als mevrouw [slachtoffer 1] in de spiegel kijkt, ziet ze een gezicht dat niet van haar is, zo heeft verdachte haar toegetakeld.

Zo’n gewelddadig incident brengt een schok in de samenleving teweeg en de dader mag op weinig mededogen rekenen. In beginsel dient een dergelijk feit dan ook te worden bestraft. In deze zaak evenwel komt de rechtbank niet toe aan het opleggen van een straf omdat vanwege de vastgestelde stoornissen bij verdachte hem geen verwijt kan en mag worden gemaakt. Ten aanzien van deze poging tot doodslag heeft de rechtbank hiervoor al overwogen dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is. Dit doet niet af aan de ernst of gruwelijkheid van hetgeen heeft plaatsgevonden.

Nu verdachte geen verwijt kan worden gemaakt en dus niet strafbaar is voor dit feit en hij voor dit feit zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of aan verdachte een maatregel moet worden opgelegd zoals is gevorderd door de officier van justitie.

Met betrekking tot het incident dat enkele weken voor deze poging tot doodslag heeft plaatsgevonden overweegt de rechtbank dat verdachte zich hiermee ook nog schuldig heeft gemaakt aan een mishandeling. De rechtbank acht een taakstraf voor de duur van 40 uur passend voor de door verdachte gepleegde mishandeling op 25 februari 2017.

6.4

De oplegging van een maatregel

Uit de hiervoor al aangehaalde rapporten van de deskundigen blijkt dat verdachte al eerder psychische klachten heeft gehad. In 2010 is hij, nadat hij in een psychotische toestand mensen had bedreigd en vernielingen had aangericht, opgenomen geweest in een psychiatrisch ziekenhuis. Na behandeling verdwenen de psychotische symptomen waarna verdere behandeling niet noodzakelijk werd geacht. In de loop van februari 2017 begon verdachte in toenemende mate weer last te krijgen van gevoelens van angsten, paranoïde wanen, beïnvloedingswanen, betrekkingsideeën en de somatische waan aan een hartafwijking te lijden. Debet hieraan is de biologisch bepaalde verhoogde kwetsbaarheid van verdachte, in combinatie met toenemende stress waaraan hij onderhevig was in zijn werk. Ten tijde van het bewezenverklaarde feit was verdachte fysiek en psychisch sterk uitgeput door zijn werk. Signalen uit zijn omgeving dat hij het kalmer aan moest doen werden door hem genegeerd.

Zoals hiervoor al aangegeven oordelen beide deskundigen dat verdachte lijdt aan een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis en een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met gemengde cluster B kenmerken. Daarnaast is sprake van een partiële dissociatieve amnesie.

De kans op herhaling op vergelijkbaar delinquent gedrag wordt als hoog ingeschat indien verdachte niet behandeld wordt voor zijn stoornissen. Er zijn sterkte aanwijzingen dat er bij hem sprake is van een grote stressgevoeligheid, zowel genetisch bepaald alsmede het gevolg van vroege traumatisering. Aangezien verdachte psychisch kwetsbaar en snel gekrenkt is en zijn frustratietolerantie en agressieregulatie gebrekkig zijn en hij over beperkte copingvaardigheden beschikt kan dit er toe leiden dat verdachte in stressvolle omstandigheden, waarin zijn zelfgevoel sterk onder druk komt te staan, (pre)psychotisch kan decompenseren met als gevolg heftige agressieve reacties.

Door zorgintensieve behandeling en begeleiding is de bij verdachte gediagnostiseerde psychopathologie beïnvloedbaar. Inmiddels wordt verdachte behandeld met een antipsychoticum ter voorkoming van een nieuwe psychotische episode. Voortzetting van deze behandeling is aangewezen. De behandeling van verdachte dient er op gericht te zijn de psychotische kwetsbaarheid te verminderen en hem te leren om beter met zijn kwetsbaarheid om te gaan zodat hij vroegtijdig de symptomen onderkent en tijdig bereid is om hulp in te roepen. Daarnaast is behandeling van zijn persoonlijkheidsstoornis noodzakelijk om zodoende zijn copingvaardigheden te versterken. De ontwikkeling van een meer realistisch zelfbeeld, probleeminzicht en ziekte-inzicht zijn noodzakelijk.

In het meest gunstige geval zal de behandelduur ongeveer 2 jaar in beslag nemen. Behandeling dient in eerste instantie klinisch plaats te vinden in een voorziening in de forensische psychiatrie waarna de behandeling ambulant voortgezet kan worden.

Beide deskundigen hebben aangegeven dat een tbs-kader meer behandelmogelijkheden biedt dan een plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht. Ook zal de behandelduur de maximale termijn van een zogenoemde artikel 37 plaatsing overschrijden. Een tbs met voorwaarden biedt naar de opvatting van de deskundigen voldoende garanties voor een succesvol verloop en biedt voldoende waarborgen voor effectieve behandeling en veiligheid voor de samenleving op langere termijn. Hierbij wordt onder meer in aanmerking genomen de bereidheid bij verdachte tot klinische behandeling.

Gelet op de inhoud van de rapporten, de ernst van het feit en het strafblad van verdachte is de rechtbank van oordeel dat een tbs noodzakelijk is. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat voldaan wordt aan de eisen die de wet daaraan stelt, te weten:

- bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van het feit een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens;

- op het gepleegde misdrijf is een gevangenisstraf van vier jaren of meer gesteld;

- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist die maatregel.

Gelet op hetgeen de deskundigen in hun rapport daarover hebben vermeld met betrekking tot de waarborg die het opleggen van tbs met voorwaarden biedt, acht de rechtbank oplegging van dwangverpleging thans niet nodig. Volstaan kan worden met het opleggen van de voorwaarden zoals hierna vermeld en geformuleerd door de Reclassering in haar rapport van 9 november 2017.

Verdachte heeft zich bereid verklaard tot naleving van die voorwaarden.

De rechtbank zal tevens bevelen dat de tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert in de zaak met parketnummer 02/800192-17 een schadevergoeding van € 53.785,25. De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezenverklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de vordering zal worden toegewezen nu deze vordering ook niet is betwist.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Door de verdediging is verzocht deze maatregel niet op te leggen omdat onduidelijk is hoe lang de klinische behandeling nog voortduurt. Ook is onduidelijk wanneer verdachte weer over inkomen uit arbeid zal kunnen gaan beschikken.

Aan het doel en de strekking van de schadevergoedingsmaatregel ligt de gedachte ten grondslag het slachtoffer de inning van het verschuldigde uit handen te nemen. Juist in deze zaak acht de rechtbank dat van belang. De rechtbank is van oordeel dat het belang van het slachtoffer in deze dient te prevaleren. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel wel op te leggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 22c, 22d, 24c, 36f, 37a, 38, 38a, 45, 57, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

in de zaak met parketnummer 02/800192-17:

primair: poging tot doodslag

in de zaak met parketnummer 02/665250-17:

mishandeling;

- verklaart dat verdachte in de zaak met parketnummer 02/800192-17 niet strafbaar is en ontslaat verdachte in zoverre van alle rechtsvervolging;

- verklaart verdachte strafbaar voor het overige bewezen verklaarde;

In de zaak met parketnummer 02/800192-17

Maatregel

- gelast de terbeschikkingstelling van verdachte en stelt daarbij als voorwaarden:

* dat verdachte zich uiterlijk op 9 maart 2018 zal melden bij Reclassering Nederland regio Zuidwest via telefoonnummer 088-8041301 en zich daarna zal blijven melden, zo lang en zo frequent als de reclassering noodzakelijk acht;

* dat verdachte zich zal laten opnemen in Forensische Psychiatrisch Kliniek

De Kijvelanden, althans een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van het NIFP-IFZ, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling zullen worden gegeven, ook als dit inhoudt het innemen van voorgeschreven medicatie;

* dat verdachte aansluitend aan zijn klinische opname meewerkt aan ambulante behandeling door een Forensisch Psychiatrische Polikliniek of een soortgelijke instelling en zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van de behandeling worden gegeven, indien de reclassering dit geïndiceerd acht;

* dat verdachte aansluitend aan zijn klinische opname zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang indien de reclassering dit geïndiceerd acht waarbij verdachte zich dient te houden aan het (dag-) programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zulks zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* dat verdachte zich zal onthouden van het gebruik van alcohol en drugs en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek;

* dat verdachte op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] , thans wonende te [adres] ;

* dat verdachte zich zal houden aan de volgende, zijn gedrag betreffende, voorwaarden:

- verdachte verleent zijn medewerking aan mentorschap/bewindvoering, indien

geïndiceerd door de reclassering;

- verdachte maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit;

- verdachte begeeft zich niet zonder toestemming buiten de Europese landsgrenzen

van Nederland. Verdachte overlegt hierover vooraf met de reclassering, waarna het Openbaar Ministerie beslist;

- verdachte verleent medewerking aan het verstrekken van een actuele foto aan de

reclassering ten behoeve van eventuele opsporing;

- verdachte werkt, indien de reclassering dit nodig acht, mee aan een time-out in een

forensische psychiatrisch centrum voor de duur van maximaal 7 weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal 7 weken, tot maximaal 14 weken per jaar;

- verdachte verleent medewerking aan reclasseringstoezicht; deze medewerking houdt onder andere, maar niet uitsluitend, in:

- medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of het ter inzage aanbieden van een geldig identiteitsbewijs (als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht) ten behoeve van het vaststellen van de identiteit;

- zich melden op afspraken bij de reclassering, zo vaak de reclassering dat nodig acht;

- zich houden aan de voorschriften en aanwijzingen van de reclassering, die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te bewegen tot het naleven van de voorwaarden;

- medewerking verlenen aan huisbezoeken;

- inzicht geven aan de reclassering over de voortgang van begeleiding of behandeling door andere instellingen/hulpverleners;

- niet verhuizen of van adres veranderen zonder toestemming van de reclassering;

- medewerking verlenen aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met verdachte, als dat van belang is voor het toezicht en de 3 partijenovereenkomst op te stellen in samenspraak met 3RO en GGZ;

- draagt Reclassering Nederland op verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van de voorwaarden;

- beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is;

In de zaak met parketnummer 02/665250-17

Straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 40 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 20 dagen;

Benadeelde partij in de zaak met parketnummer 02/800192-17

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 53.785,25, waarvan € 3.785,25 ter zake van materiële schade en € 50.000,= ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 16 maart 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil; (BP.06)

- legt in de zaak met parketnummer 02/800192-17 aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , € 53.785,25 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf 16 maart 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 297 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd; (BP.04)

Voorlopige hechtenis

- beveelt de opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. Dekker, voorzitter, mr. Goossens en mr. Schnitzler, rechters, in tegenwoordigheid van Van den Goorbergh, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 6 maart 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2017043665 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 22 (hierna te noemen proces-verbaal 1) of een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer ZB2R017042, onderzoek Cervelo, van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 613 (hierna te noemen proces-verbaal 2) of een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer 201706559, onderzoek Cervelo, van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, Forensische Opsporing, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 322 (hierna te noemen proces-verbaal 3) Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , pagina 306 van proces-verbaal 2.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 358 van proces-verbaal 2.

3 Het proces-verbaal van bevindingen sporenonderzoek, pagina 24 van proces-verbaal 3.

4 Het proces-verbaal van bevindingen sporenonderzoek, pagina 36 van proces-verbaal 3.

5 Het deskundigenrapport van het NFI, pagina 104 van proces-verbaal 3.

6 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, pagina 592 van proces-verbaal 2.

7 De verklaring van verdachte ter zitting van 20 februari 2018.

8 Het geschrift, inhoudende een rapport van GGD-arts Van Waterschoot d.d. 12 oktober 2017 met letselbeschrijving.

9 Het proces-verbaal van aangifte, pagina 15 van proces-verbaal 1.

10 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , pagina 17 van proces-verbaal 1.

11 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 21 van proces-verbaal 1.

12 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 589 van proces-verbaal 2.