Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:1253

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
08-02-2018
Datum publicatie
02-03-2018
Zaaknummer
64460765 OV VERZ 17-9287 en 6446080 OV VERZ 17-9288
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek van zoon tot instelling beschermingsbewind en tot instellen mentorschap over zijn moeder. Kantonrechter wijst het (gewijzigde) verzoek af. Zie uitvoerige motivering van afwijzing door kantonrechter wat betreft bestaande zelfredzaamheid van moeder alsmede de aanwezigheid van een levenstestament.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0071
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster III Insolventie en kanton beheerszaken

Bergen op Zoom

zaak/rolnr.: 6446076 OV VERZ 17-9287 en 6446080 OV VERZ 17-9288

beschikking d.d. 8 februari 2018 op een verzoek tot instelling van een meerderjarigenbewind en een mentorschap

van

[verzoeker] ,

bijgestaan door [naam en gegevens advocaat] , hierna te noemen: de zoon ( van rechthebbende).

1 Het procesverloop

1.1

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

a. het op 6 november 2017 door de griffie van de rechtbank ontvangen verzoekschrift (met bijlagen);

b. de op 19 december 2017 ontvangen wijziging van het verzoek afkomstig van voornoemde

[advocaat verzoeker] ;

c. de op 20 december 2017 ontvangen reactie d.d. 19 december 2017 van [advocaat rechthebbende] , met bijlage;

d. het proces-verbaal van de griffier met betrekking tot het verhandelde op de terechtzitting van donderdag 21 december 2017, alsmede de tijdens de zitting overgelegde stukken;

e. de op 29 december 2017 ontvangen reactie van [advocaat verzoeker] op de ter zitting van

21 december 2017 overgelegde stukken (medische verklaring, levenstestament en brief van de dochter van rechthebbende);

f. de op 15 januari 2018 ontvangen reactie van [advocaat rechthebbende] , namens [de dochter] hierna te noemen: de dochter (van rechthebbende), op de stukken van [advocaat verzoeker] ;

g. de op 17 januari 2018 ontvangen brief d.d. 17 januari 2018 van [advocaat verzoeker] ;

h. de op 17 januari 2018 ontvangen brief d.d. 13 januari 2018, met bijlagen, afkomstig van [rechthebbende] ;

i. de op 23 januari 2018 ontvangen brief d.d. 22 januari 2018 van [advocaat rechthebbende] ;

j. de op 30 januari 2018 ontvangen reactie van [advocaat verzoeker] ;

k. de brief d.d. 2 februari 2018, ingekomen ter griffie op 5 februari 2018, van

[rechthebbende] , zijnde een reactie op de brief d.d. 30 januari 2018 van [advocaat verzoeker] .

1.2

De inhoud van deze stukken geldt hier als ingelast. De kantonrechter stelt vast dat alle betrokken partijen uitgebreid in de gelegenheid zijn gesteld om hun standpunten met betrekking tot het onderhavige (gewijzigde) verzoek kenbaar te maken.

2 Het verzoek

Het (gewijzigde) verzoek strekt tot de instelling van een bewind over de goederen van en tot instelling van een mentorschap over [rechthebbende] .

Primair verzoekt de zoon om [bewindvoerder/mentor A] , dan wel [bewindvoerder/mentor B] , te benoemen tot bewindvoerder en/of mentor over rechthebbende, dan wel een andere in goede justitie te benoemen onafhankelijke bewindvoerder en/of mentor.

De beide in het primaire verzoek opgenomen onafhankelijke bewindvoerders/mentoren hebben aangegeven bereid en bevoegd te zijn om in het kader van de verzochte wettelijke maatregelen ten behoeve van rechthebbende op te treden als bewindvoerder en/of mentor.

Subsidiair, indien en voor zover de rechtbank oordeelt dat een bewindvoerder en een mentor uit het eigen netwerk van rechthebbende de voorkeur heeft, verzoekt de zoon om hem te benoemen tot bewindvoerder en/of mentor over rechthebbende (zijn moeder).

3 De feiten en achtergronden

3.1

Rechthebbende, thans 79 jaar, heeft twee meerderjarige kinderen, te weten: de eerder genoemde zoon en dochter.

3.2

Tussen de zoon en de dochter van rechthebbende bestaat een verstoorde familierelatie.

3.3

Op 6 november 2017 is het onderhavige verzoekschrift d.d. 30 oktober 2017, afkomstig van de zoon van rechthebbende, ter griffie ingekomen.

3.4

Bij brief d.d. 19 december 2017 wordt namens verzoeker het eerdere verzoek gewijzigd, zoals hierboven weergegeven onder 2. Het verzoek.

3.5

Op 19 december 2017 heeft rechthebbende ten overstaan van (toegevoegd) [de notaris] , haar eerder gegeven algemene volmacht (levenstestament) van

20 oktober 2016 herroepen en heeft zij een nieuwe algemene volmacht verleend aan haar dochter. Dit levenstestament luidt -voor zover hier van belang- als volgt:

“De verschenen persoon (lees: rechthebbende) verklaart als volgt:

Met dit levenstestament wil ik mede voorzien in de situatie dat ik om wat voor reden dan ook niet meer zelf kan handelen. Ik tref daartoe de volgende maatregelen:

Ik geef een algemene volmacht om mijn vermogensrechtelijke en andere zakelijke belangen te behartigen (onder I tot en met IV). Ik heb aanwijzingen ter zake de uitvoering van de volmacht geformuleerd.

Ik wijs een gevolmachtigde aan om mij te vertegenwoordigen bij het nemen van geneeskundige behandelbeslissingen, inclusief verplegen en verzorgen en ik heb wilsverklaringen geformuleerd.(V). Deze wilsverklaringen laat ik aan mijn medisch dossier toevoegen.

Ik tref deze maatregelen om te voorkomen dat ik onder curatele wordt gesteld, dat over mijn goederen beschermingsbewind of ten behoeve van mij mentorschap wordt ingesteld. Ook als ik wilsonbekwaam word, dat wil zeggen niet meer in staat ben tot een redelijke waardering van mijn belangen, blijft dit levenstestament met de daarin opgenomen volmachten gelden. Ik ben mij ervan bewust dat ik dan niet meer in staat zal zijn om mijn gevolmachtigde rekening en verantwoording te vragen of de volmacht in te trekken. Het is mijn uitdrukkelijke bedoeling dat de wensen die ik in dit levenstestament heb neergelegd, ter kennis worden gebracht aan de personen of instanties, zoals de rechterlijke macht, die bevoegd zijn beslissingen te nemen over mijn persoon en goederen.”

3.6

Op 21 december 2017 heeft de mondelinge behandeling van het gewijzigde verzoek plaatsgevonden. Daarna zijn partijen nog in de gelegenheid geweest op hun standpunten nader schriftelijk toe te lichten.

4 Motivering van de beslissing.

4.1

De zoon heeft bij verzoekschrift aangevoerd dat rechthebbende (zijn moeder) als gevolg van haar lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is om ten volle haar vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen.

Hij voert daartoe de volgende feiten aan. “Mijn moeder is niet in staat zelf haar financiële zaken (belasting, bankzaken, etc.) te regelen. Dit blijkt uit het feit dat zij vergeetachtig is in dusdanige mate dat zij niet meer weet wat zij de dag ervoor heeft gezegd. Daarnaast kan zij niet mee met de digitalisering van deze tijd.” Volgens verzoeker heeft zijn moeder zelf haar (financiële of niet-financiële) zaken geregeld, dit werd door haar echtgenoot gedaan. Hierdoor is zij niet bekend met zelf zaken regelen.

4.2

Rechthebbende heeft ter zitting van 21 december 2017 desgevraagd nadrukkelijk betwist dat zij zelf niet meer in staat zou zijn om haar eigen belangen behoorlijk waar te nemen. Zij verwijst verder kortheidshalve naar de inhoud van haar levenstestament dat zij recent bij de notaris heeft doen opstellen, en naar de daarin ten behoeve van haar getroffen voorzieningen.

4.3

De dochter van rechthebbende verwijst ter zitting naar de inhoud van haar schriftelijke reactie d.d. 19 december 2017 welke als bijlage door [advocaat rechthebbende] bij diens brief van

19 december 2017 is gevoegd. Zij geeft hierin een uitvoerige reactie op de door haar broer bij verzoekschrift aangevoerde feiten. Volgens de dochter heeft haar moeder nog een uitstekend geheugen en gaat zij alleen soms twijfelen als haar zoon haar “steeds weer andere verhalen op haar mouw spelt.” Om dit te staven heeft haar moeder op 19 december 2017 een test laten uitvoeren bij haar huisarts. Haar moeder heeft volgens de dochter gewoon goed gescoord op deze test. De dochter benadrukt dat het instellen van de verzochte maatregelen het recht van haar moeder op zelfbeschikking doet afnemen. Het enkele feit, dat de echtgenoot van haar moeder de financiële zaken regelde, betekent volgens haar niet dat haar moeder dit niet zelf zou hebben gekund. De werkzaamheden worden nu eenmaal verdeeld tussen man en vrouw. Ook haar zorgbelangen kan haar moeder volgens de dochter nog goed zelf waarnemen.

4.4

In de brief d.d. 30 januari 2018 wordt namens de zoon betwist dat zijn moeder/rechthebbende nog volledig in staat is om haar vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Volgens hem is rechthebbende al jarenlang niet in staat om haar administratie te voeren en haar financiën te beheren. Zij is hiervoor volgens hem afhankelijk van derden. Voorts zou er sprake zijn van beïnvloeding van zijn moeder door zijn zus/haar dochter. De in allerijl opgemaakte algemene volmacht (levenstestament) zou volgens hem niet nodig zijn geweest indien rechthebbende nog daadwerkelijk haar belangen zou kunnen waarnemen. Hij betwist verder de uitkomst van de test bij de huisarts. Ook worden door hem -zo begrijpt de kantonrechter- vraagtekens geplaatst bij de wijze van totstandkoming van het levenstestament.

Tijdens de zitting van 21 december 2017 zou zijn moeder door de aanwezigheid van haar dochter ook niet in vrijheid hebben kunnen verklaren. Samengevat concludeert de zoon dat rechthebbende als gevolg van haar geestelijke toestand niet in staat is tot behoorlijke waarneming van haar belangen. De bij levenstestament getroffen voorziening biedt volgens hem onvoldoende bescherming.

4.5

In haar brief van 2 februari 2018, ingekomen 5 februari 2018, volhardt rechthebbende bij haar standpunt dat zij zelf nog goed in staat is om te bepalen wat zij wel of niet wil. Zij wil daarom geen mentorschap en ook geen onderbewindstelling.

4.6

In het kader van de behandeling van dit verzoekschrift is inmiddels door of namens belanghebbenden (rechthebbende, zoon en dochter) veel gezegd en nog meer geschreven.

Uit de stukken en de behandeling ter terechtzitting is naar het oordeel van de kantonrechter echter niet aannemelijk geworden dat de rechthebbende als gevolg van de lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet (meer) in staat is zelf ten volle haar belangen van vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke aard behoorlijk waar te nemen,

reden waarom de kantonrechter het verzoek hierna zal afwijzen.

Door of namens verzoeker is geen medische verklaring overgelegd, waaruit een dergelijke lichamelijke of geestelijke toestand zou kunnen blijken. Juist rechthebbende heeft ter staving van haar verweer stukken van haar huisarts overgelegd die eerder leiden tot een tegenover- gestelde conclusie dan door verzoeker gesteld. Namelijk dat rechthebbende nog prima zelf haar belangen kan behartigen ook al heeft zij bij enkele financiële zaken wat hulp nodig.

Zij blijkt ook prima in staat om zich op een passende wijze te laten bijstaan op financieel gebied. Het enkele feit, dat rechthebbende in het verleden de afhandeling van financiële zaken aan haar toenmalige echtgenoot heeft overgelaten, maakt ook niet dat zij nu niet voldoende zelfredzaam zou zijn op dat gebied. Voor het doen van administratie en/of belastingaangiftes kan altijd iemand worden ingehuurd. Verder is niet gebleken dat rechthebbende niet meer in staat zou zijn om haar eigen zorg te regelen. Voorts heeft rechthebbende met haar recent opgestelde levenstestament een prima voorziening getroffen, mocht zij in de toekomst toch wilsonbekwaam worden. De kantonrechter verwijst kortheidshalve naar de inhoud van dit testament. De kantonrechter heeft geen enkele reden te twijfelen aan de deugdelijke totstandkoming van dit levenstestament. De kantonrechter is van oordeel, dat rechthebbende -mede gelet om haar leeftijd- ter zitting en ook in haar handgeschreven brieven blijk heeft gegeven, dat zij nog steeds prima voor zichzelf kan opkomen en dat zij nog steeds voldoende zelfredzaam blijkt te zijn.

5 De beslissing

De kantonrechter:

wijst het (gewijzigde) verzoek tot de instelling van een bewind over de goederen van en tot instelling van een mentorschap over rechthebbende af.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.E.M. Verjans, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 februari 2018.

Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld:

door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Het beroepschrift moet door tussenkomst van een advocaat worden ingediend bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.