Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:1118

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
20-02-2018
Datum publicatie
27-02-2018
Zaaknummer
5934916
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

verzoek ex art. 4:194a BW – kennis van de schuld? – misbruik van procesbevoegdheid? – geen rechtens te beschermen belang van de schuldeisers.

Vijf van de zes erfgenamen, kleinkinderen van erflaatster, hebben zuiver aanvaard wanneer de executeur een brief ontvangt met een vordering op basis van een onderhandse akte van geldlening van bijna 60 jaar geleden (1958). De hoofdsom bedraagt € 10.210 en de rente (6 %) ruim € 309.500. De vordering wordt betwist. Een bodemprocedure is aanhangig. De vijf erfgenamen die zuiver hebben aanvaard vragen machtiging om alsnog beneficiair te aanvaarden. De schuldeiseres stellen dat de schuld in de familie bekend was en gemakkelijk uit de nalatenschap voldaan kan worden.

De stelling dat de schuld “in de familie bekend was” en dus ook wel bij de erfgenamen, is te vaag. Nu deze stelling ter zitting niet nader is toegelicht wordt daaraan voorbij gegaan.

Ter zitting blijkt dat twee erfgenamen zich benadeeld voelen en de schuldeisers, familieleden, hen via hun gepretendeerde vordering willen compenseren. Het verweer wordt verworpen op de grond dat de schuldeisers geen rechtens te respecteren belang hebben bij een mogelijkheid tot verhaal op privévermogen van de verzoekers. De machtiging wordt verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2018-0049
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster I Civiele kantonzaken

Zittingsplaats: Middelburg

zaak/rolnr.: 5934916 / 17-5144

beschikking van de kantonrechter d.d. 20 februari 2018

op een verzoek op grond van artikel 4:194a van het Burgerlijk Wetboek.

Het verzoek betreft de nalatenschap van:

[A] ,

laatstelijk gewoond hebbende te [adres A] ,

overleden te [woonplaats] op [datum] ,

verder te noemen: erflaatster.

Erflaatster heeft haar kleinkinderen tot erfgenaam benoemd en tot testamentair bewindvoerder aangesteld haar dochters:

[B] ,

en

[C] .

De beide bewindvoerders zijn in de procedure verschenen.

Het verzoekschrift is ingediend door mr. [Q] , notaris te [plaats] , namens

de erfgenamen:

[F] , wonende te [woonplaats F] ,

[G] , wonende te [woonplaats G] ,

[H] , wonende te [woonplaats H] ,

thans met gemachtigde mr. P.H. Pijpelink, advocaat te Terneuzen,

en

[I] , wonende te [woonplaats I] ,

procederend in persoon,

gezamenlijk te noemen: verzoekers,

Belanghebbende is de erfgenaam:

[J] , wonende te [woonplaats J] ,

procederend in persoon,

Belanghebbenden, die een vordering op de nalatenschap pretenderen, zijn:

[X] , wonende te [woonplaats, land] ,

en [Y] , wonende te [woonplaats, land] ,

gezamenlijk te noemen: verweerders,

gemachtigde: mr. R.M.A. Lensen, advocaat te Terneuzen.

het verloop van de procedure

1.1.

Op 13 april 2017 is het verzoekschrift met bijlagen ter griffie ontvangen. Er is een behandeling gepland ter zitting van 1 augustus 2016, die is uitgesteld naar de zitting van 5 september 2017.

Ter zitting van 5 september 2017 zijn notaris [Q] en [partner B] , echtgenoot van [B] , verschenen, maar zonder verzoekers. Voorts zijn verschenen [Y] (verder: [Y] ) en zijn gemachtigde mr. Lensen. Mr. Lensen heeft ter zitting een verweerschrift ingediend namens verweerders.

Omdat het verweerschrift niet bekend was en verzoekers niet zelf aanwezig waren is de zitting aanstonds verdaagd. Aan het einde van de zitting heeft [Y] verzocht de volgende zitting te combineren met de comparitie na antwoord in de bodemzaak.

1.2.

Op 12 september 2017 heeft mr. Pijpelink zich gesteld als de gemachtigde van drie van de vier verzoekers. Er is een zittingsdatum van 5 november 2017 aan partijen opgegeven. Mr. Lensen heeft op 23 oktober 2017 per fax een beslagexploot met bijlagen toegezonden. Verzoekster [I] , procederend in persoon, heeft bij brief, ontvangen op 3 november 2017, verzocht de executeur te ontslaan en daarbij diverse bescheiden gevoegd.

1.3.

De zitting van 5 november 2017 is in overleg met de gemachtigden uitgesteld naar de zitting van 23 januari 2018 te 13.30 uur. Een gelijktijdige behandeling van de comparitie na antwoord in de bodemzaak met de behandeling van het verzoekschrift in deze zaak was niet mogelijk. Wel zijn de behandelingen op dezelfde dag gepland om kosten en moeite voor alle betrokkenen te beperken. Omdat de comparitie na antwoord minder tijd vergde dan verwacht, is de behandeling van deze zaak vervroegd naar 12.00 uur, opnieuw om het belang van de betrokkenen te dienen. Niettemin is de heer [Y] , die zelf om een gecombineerde behandeling had gevraagd en die op 23 januari 2018 aanwezig was tijdens de comparitie na antwoord in de bodemzaak, uit het gerechtsgebouw vertrokken voordat de behandeling om 12.00 uur begon.

1.4.

Ter zitting van 23 januari 2018 zijn alle verzoekers verschenen, alsook [J] en de beide gemachtigden. Voorts zijn ter zitting verschenen de beide testamentaire bewindvoerders. De zaak is behandeld en uitspraak is bepaald op heden.

het verzoek en de beoordeling

procesbevoegdheid

2.1

Erflaatster heeft in haar testament bepaald dat hetgeen haar kleinkinderen uit haar nalatenschap verkrijgen onder bewind wordt gesteld met de benoeming van [B] als bewindvoerder over de erfdelen van [F] , [I] en [J] en [C] als bewindvoerder over de erfdelen van [G] en [H] .

2.2.

Als gevolg van het door erflaatster bij testament ingestelde bewind zijn de erfgenamen processueel onbekwaam, voor zover het om hun erfdeel gaat, en kan slechts de bewindvoerder als formele procespartij optreden (artikel 1:441 BW). De bij testament benoemde bewindvoerders zijn ter zitting in de procedure verschenen. Reeds per fax d.d. 22 januari 2018 is het verzoekschrift aangevuld in die zin dat [B] in hoedanigheid optreedt als procesvertegenwoordiger. Zij heeft dat ter zitting aan de kantonrechter bevestigd. Ook [C] heeft ter zitting desgevraagd meegedeeld dat zij in hoedanigheid in deze procedure optreedt als procesvertegenwoordiger. Gelet op het arrest van de Hoge Raad d.d. 7 maart 2014 (ECLI:NL:HR:2014:525) is een en ander voldoende. Wat hun erfdelen betreft zijn de erfgenamen in deze procedure rechtsgeldig vertegenwoordigd. Wat hun privévermogen betreft behoeven zij in deze procedure geen vertegenwoordiging.

feiten

3.1.

Verzoekers en belanghebbende [J] zijn de erfgenamen van de nalatenschap. Verzoekers hebben de nalatenschap in januari 2017 zuiver aanvaard. Erflaatster heeft [B] benoemd tot executeur. Zij heeft haar benoeming aanvaard. De vereffening van de nalatenschap is niet voltooid.

3.2.

Bij aangetekende brief d.d. 22 februari 2017 verzonden aan de executeur heeft mr. Lensen meegedeeld dat verweerders een vordering op de nalatenschap hebben ad € 319.778,41. Daartoe is aangevoerd:

De echtgenoot van erflaatster heeft in 1958 fl. 22.500,00, ofwel € 10.210,05, van wijlen de heer [Z] geleend voor onbepaalde tijd. Deze lening is neergelegd in een onderhandse akte van 24 januari 1958. Overeengekomen werd een rente van 6% per jaar. Op basis van het toen geldende huwelijksvermogensrecht zijn beide echtgenoten aansprakelijk voor de daaruit voortvloeiende verplichtingen. De contractuele rente over de periode van 23 januari 1958 tot en met 2 maart 2017 bedraagt € 309.568,36.

3.3.

Op 15 maart 2017 heeft [J] verklaard de nalatenschap beneficiair te aanvaarden.

boedelbeschrijving

4. Bij het verzoekschrift is als bijlage 4 een overzicht van de financiële gegevens van de nalatenschap overgelegd. Nu de nalatenschap door één van de erfgenamen beneficiair is aanvaard, dient dit overzicht op grond van artikel 4:211, lid 3, BW, als boedelbeschrijving ter inzage te worden gelegd. Aangezien uit het boedelregister niet blijkt van een boedelnotaris (notaris [Q] is ingeschreven als betrokken notaris) zal de boedelbeschrijving ter griffie ter inzage gelegd worden.

het verzoek en het verweer

5.1.

Verzoekers hebben verzocht om hen op grond van art. 4:194a BW machtiging te verlenen de nalatenschap alsnog beneficiair te aanvaarden. Daartoe hebben zij aangevoerd dat zij na de zuivere aanvaarding van de nalatenschap bekend zijn geworden met een (door hen betwiste) schuld van de nalatenschap, zoals vermeld in de brief van 22 februari 2017 van mr. Lensen. Voorts hebben zij gesteld dat de betwiste schuld niet in haar geheel uit hun erfdeel en de legaten voldaan kan worden.

5.2.

In het verweerschrift is de vordering op de nalatenschap toegelicht en melding gemaakt van de bodemprocedure bij deze rechtbank door verweerders voor de vordering ingesteld tegen de erfgenamen. Primair is aan het verzoek tegengeworpen dat het niet binnen drie maanden na de ontdekking van de schuld is gedaan, zodat het verzoek niet ontvankelijk is. Subsidiair is geconcludeerd dat het verzoek ongegrond is. Daartoe is aangevoerd dat de schuld aan verweerders binnen de familie, waaronder de erfgenamen, reeds bekend was, zodat niet kan worden gesproken van een onverwachte schuld die ontdekt zou zijn. Verweerders bieden bewijs aan van het feit dat de erfgenamen met de vordering van verweerders bekend waren toen zij de nalatenschap zuiver aanvaard hebben. Verweerders bieden aan alle erfgenamen en hun bewindvoerders als getuigen te doen horen.

Verweerders betwisten voorts dat hun vordering niet in haar geheel uit het erfdeel van ieder van de erfgenamen zou kunnen worden voldaan. Zij stellen dat het actief van de nalatenschap belangrijk meer beloopt dan het bedrag van € 396.840,- als opgenomen in bijlage 4 bij het verzoekschrift.

onbekendheid?

6. Het is niet voldoende om te stellen dat de schuld “in de familie bekend was” en dus ook wel bij de erfgenamen. Het gaat hier om een akte van geldlening uit 1958, thans zestig jaren geleden. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan niet zomaar worden aangenomen dat de huidige generatie, de derde sinds de geldlening, nog van die geldlening zou weten, indien die thans nog zou bestaan. Ter zitting is daarom gevraagd om een toelichting van de vage stelling dat de schuld “in de familie bekend was”. Verzoekers hebben dat ter zitting stellig tegengesproken. De gemachtigde van de verweerders kon geen toelichting geven anders dan met gemeenplaatsen. [Y] was kort voor de behandeling ter zitting uit het gerechtsgebouw vertrokken. Dat gedrag komt voor zijn rekening en risico. De vage stelling dat de schuld “in de familie bekend was” is ondanks de gelegenheid daarvoor niet voldoende toegelicht. De vage stelling is niet toereikend om tot bewijslevering te kunnen worden toegelaten. Aan het bewijsaanbod wordt daarom voorbij gegaan.

misbruik van procesrecht?

7.1.

Ter zitting heeft mr. Pijpelink aangevoerd dat verweerders misbruik maken van hun recht om te procederen omdat zij een ander doel nastreven dan zij voorgeven. Verweerders zijn volgens mr. Pijpelink van mening dat de erfgenamen [I] en [J] zijn benadeeld en wensen hen via een vordering op de nalatenschap te compenseren met een bedrag van € 150.000.

7.2.

Erflaatster heeft haar dochters legaten van vruchtgebruik vermaakt, maar haar zoon [D] onterfd. De kinderen van [D] , [I] en [J] , hebben niet hun vader, maar hun tante [B] als bewindvoerder. Laatstgenoemde heeft het vruchtgebruik van de onroerende zaak aan [adres] met inbreng tegen (slechts) de WOZ-waarde. Dan speelt er nog een kwestie met een andere onroerende zaak, waarover in België wordt geprocedeerd. Ter zitting hebben [I] en [J] beiden verklaard dat zij zich door een en ander benadeeld voelen. [J] heeft ter zitting meegedeeld dat zij zich daarom heeft gewend tot haar verwant (in de 5e graad) [Y] en hem over een en ander heeft ingelicht.

7.3.

Ter zitting kwam voorts naar voren dat er na de comparitie na antwoord in de bodemzaak tussen partijen is onderhandeld. Hoewel mr. Lensen heeft geprotesteerd dat de wederpartij geen volledig beeld schetst, heeft hij toch niet weersproken dat [Y] bereid was genoegen te nemen met een veel lager bedrag dan € 150.000. Ter zitting heeft [J] meegedeeld dat mr. Lensen de dag ervoor aan verzoekers een schikkingsvoorstel heeft gedaan ad € 13.000,- en dat zij en haar zuster [I] met dat bedrag genoegen hadden willen nemen.

7.4.

Mr. Lensen heeft betwist dat verweerders misbruik van procesrecht maken met het argument dat het aan hen is om te bepalen wat zij wensen te doen met het geld van de vordering op de nalatenschap.

7.5.

Een bevoegdheid kan worden misbruikt door haar uit te oefenen met een ander doel dan waarvoor zij is verleend (art.3:13 lid 2 BW). Het is de vraag of de gepretendeerde vordering van verweerders op de nalatenschap een bevoegdheid met een bepaald doel is als bedoeld in art. 3:13 BW. De kantonrechter laat hier in het midden of verweerders misbruik van procesrecht maken, nu een beslissing daaromtrent voor deze zaak niet nodig is.

bescherming privévermogen

8.1.

Artikel 4:194a lid 2 BW is ingevoerd bij de wet van 8 juni 2016 tot wijziging van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek teneinde erfgenamen beter te beschermen tegen schulden van de erflater. Indien is voldaan aan de voorwaarden van deze nieuwe regeling, wordt de erfgenaam ontheven van zijn verplichting de schuld uit zijn eigen vermogen te voldoen doordat de erfgenaam alsnog beneficiair mag aanvaarden (lid 1), althans door een specifieke ontheffing (lid 2). Met deze uitzondering op de hoofdregel krijgt de erfgenaam die zuiver aanvaard heeft, alsnog de mogelijkheid om zijn privévermogen te beschermen tegen onverwachte schulden (MvT, Kamerstukken II 2014/15, 34224, 3, p. 6).

8.2.

De inzet van deze procedure is dus of het privévermogen van verzoekers beschermd moet worden. Dat is eerst aan de orde wanneer de activa van de nalatenschap onvoldoende zijn voor de voldoening van de schulden, inclusief de betwiste schuld aan verweerders. Verzoekers hebben gesteld dat dat het geval is, maar verweerders hebben dat betwist. Zij hebben daarvoor de volgende argumenten aangevoerd. De incasso van de vorderingen van de nalatenschap op [I] en [J] is niet problematisch. De inboedel is te laag gewaardeerd vanwege de aanwezigheid van waardevolle kunstwerken. Het actief van de nalatenschap beloopt belangrijk meer dan € 396.840,- De schuld aan verweerders ad € 319.778,41 kan daaruit zonder meer voldaan worden.

8.3.

Gelet op dit standpunt van verweerders rijst de vraag waarom zij zich verzetten tegen het verzoek. Als hun vordering zonder meer uit de nalatenschap voldaan kan worden, kan het hen onverschillig zijn of die op het privévermogen van verzoekers verhaald zou mogen worden. Ter zitting is duidelijk geworden wat verweerders beweegt. In hun visie zijn [I] en [J] benadeeld. Met gerechtelijke procedures in Nederland en in België willen zij bereiken dat [I] en [J] gecompenseerd worden. Blijkens het schikkingsvoorstel van 22 januari 2018 achten zij een bedrag van € 13.000,- daartoe wel voldoende. [I] en [J] willen daarmee genoegen nemen.

8.4.

Gelet op een en ander hebben verweerders geen rechtens te respecteren belang bij de mogelijkheid van verhaal op privévermogen van verzoekers. Volgens hen kan hun gepretendeerde vordering zonder meer uit de nalatenschap voldaan worden. Het is zonneklaar dat een compensatie van € 150.000, zoals aanvankelijk door hen verlangd, zonder meer uit de nalatenschap voldaan zou kunnen worden. Maar gelet op bijlage 4 bij het verzoekschrift is het niet uit te sluiten dat de gepretendeerde vordering van verweerders niet volledig uit de nalatenschap voldaan zal kunnen worden. Verzoekers hebben dus wel een belang bij de verzochte machtiging teneinde hun privévermogen te beschermen.

conclusies

9. Aangezien onbewezen blijft dat de schuld reeds bekend was bij verzoekers, wordt vastgesteld dat het een onverwachte schuld is, waarvan verzoekers eerst door de aangetekende brief d.d. 22 februari 2017 op de hoogte kwamen. Het verzoekschrift is op 13 april 2017, dus tijdig, ingediend. Voorts hebben verweerders geen rechtens te respecteren belang bij een mogelijkheid van verhaal op privévermogen van verzoekers. Hun verweer wordt daarom verworpen. De verzochte machtiging zal worden verleend. De formaliteiten voor beneficiaire aanvaarding moeten in acht worden genomen, ook met het oog op het boedelregister.

behandeling verzoek ontslag executeur

10. Op 3 november 2017 is het verzoek van [I] ontvangen om de huidige executeur te ontslaan en een onafhankelijke executeur te benoemen. De executeur, alle erfgenamen en bewindvoerders zullen worden uitgenodigd voor een mondelinge behandeling van dit verzoek op een nader te bepalen datum en tijdstip. Zij dienen daarvoor binnen drie weken na heden hun verhinderdata toe te zenden aan de griffie. De kantonrechter merkt hierover nu reeds op dat het ontslag slechts kan worden verleend indien daarvoor gewichtige redenen aanwezig zijn. Dit zal tijdens de mondelinge behandeling worden besproken.

De beslissing

De kantonrechter:

- verleent aan de bewindvoerders machtiging om namens verzoekers de nalatenschap van erflaatster alsnog beneficiair te aanvaarden;

- verstaat dat de beneficiaire aanvaarding dient te worden gerealiseerd door middel van het afleggen van een daartoe strekkende verklaring (al dan niet bij volmacht) ter griffie van de rechtbank van de laatste woonplaats van erflaatster onder het overleggen van een afschrift van deze beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.J.M. Klarenbeek, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 februari 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.