Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:1084

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-02-2018
Datum publicatie
22-02-2018
Zaaknummer
LURIS nummer: UTL-I 2015042244
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitleveringsverzoek van Marokko

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

LURIS nummer: UTL-I 2015042244

op de vordering ex artikel 23 van de Uitleveringswet (UW) van de officier van justitie in het arrondissement Zeeland-West-Brabant van 3 juli 2017, onder meer strekkende tot het in behandeling nemen van het verzoek van het Koninkrijk Marokko tot uitlevering van:

[voor en achternaam] ,

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) in 1965,

ingeschreven in de basisregistratie personen en verblijvend op het adres

[verblijfadres] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De rechtbank heeft op 8 december 2017 met gesloten deuren een regiezitting gehouden. Op deze zitting zijn aanwezig geweest de opgeëiste persoon, zijn raadslieden mr. A.M. Seebregts en mr. I.N. Weski, beiden advocaat te Rotterdam, en de officier van justitie mr. Y. van Setten.

De rechtbank heeft op 29 januari 2018 met gesloten deuren het uitleveringsverzoek inhoudelijk behandeld. Op deze zitting zijn aanwezig geweest de opgeëiste persoon, voornoemde raadslieden en de officier van justitie.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat zijn personalia als bovengenoemd juist zijn en dat hij de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit heeft.

3 Verzoek tot uitlevering

De uitlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht ter fine van strafvervolging ter zake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals omschreven in:

- de ‘Samenvatting van de feiten’ die als bijlage is gevoegd bij het door de rechter-commissaris bij de vierde onderzoekskamer van het gerechtshof Casablanca opgestelde verzoek om uitlevering van 16 juni 2015;

- de brief van deze rechter-commissaris van 21 juli 2017.

Op de beoordeling van de toelaatbaarheid van het uitleveringsverzoek zijn van toepassing:

- a. het op 20 december 1988 te Wenen tot stand gekomen Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen (Trb. 1989, 97);

- b. het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad (Trb. 2001, 68);

- c. het op 31 december 1957 te Parijs tot stand gekomen Europees Verdrag betreffende uitlevering (Trb. 1965, 9) (EUV) en

- d. de Uitleveringswet.

4 Genoegzaamheid van de stukken

4.1

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft primair betoogd dat de uitlevering ontoelaatbaar is wegens ongenoegzaamheid van de stukken.

Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de Marokkaanse autoriteiten om opheldering te vragen over de exact tegen de opgeëiste persoon geformuleerde beschuldigingen wat betreft tijd, plaats, onderliggende kwalificatie en strafbedreiging.

4.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de stukken genoegzaam zijn.

4.3

Oordeel van de rechtbank

Op grond van artikel 12, tweede lid, EUV moeten bij het uitleveringsverzoek worden overgelegd:

(a) het origineel of een authentiek afschrift, hetzij van een voor tenuitvoerlegging vatbare veroordeling, hetzij van een bevel tot aanhouding of van een andere akte die dezelfde kracht heeft, opgemaakt in de vorm voorgeschreven door de wet van de verzoekende Partij;

(b) een overzicht van de feiten waarvoor uitlevering wordt verzocht. De tijd en plaats, waarop de feiten begaan zijn, hun wettelijke omschrijving en de verwijzing naar de toepasselijke wetsbepalingen dienen zo nauwkeurig mogelijk te worden vermeld; en

(c) een afschrift van de toepasselijke wetsbepalingen of, indien zulks niet mogelijk is, een verklaring aangaande het toepasselijke recht, alsmede een zo nauwkeurig mogelijk signalement van de opgeëiste persoon, en alle andere inlichtingen die van belang zijn om zijn identiteit en nationaliteit vast te stellen.

Artikel 18, derde lid, UW bevat vergelijkbare voorschriften.

Uit de ‘Samenvatting van de feiten’, zoals aangevuld in de brief van 21 juli 2017 en uit de overgelegde wetsbepalingen, blijkt dat de Marokkaanse autoriteiten de opgeëiste persoon verdenken van betrokkenheid bij:

- ‘ ‘criminele bendevorming’ (‘gespecialiseerd in de internationale handel in verdovende middelen’), naar Marokkaans recht strafbaar gesteld bij de artikelen 293 en 294 van het Wetboek van Strafrecht in samenhang met de artikelen 1, 2 en 5 van het Decreet van 21 mei 1974 inzake de beteugeling van drugsverslaving en het voorkomen van drugsafhankelijkheid;

- ‘ ‘internationale handel in verdovende middelen’, naar Marokkaans recht strafbaar gesteld bij de artikelen 1 en 2 van het Decreet van 21 mei 1974 en

- ‘ ‘omkoping’, naar Marokkaans recht strafbaar gesteld bij de artikelen 248 en 251 van het Wetboek van Strafrecht,

in de periode vanaf 2007 tot en met 3 mei 2010 in Marokko, Spanje en Nederland.

De betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de ‘criminele bendevorming’ en de ‘internationale handel in verdovende middelen’ zou er onder meer in hebben bestaan dat hij in het kader van een netwerk dat zich bezig hield met de smokkel van verdovende middelen in – ten minste – zes gespecificeerde gevallen van smokkel van grote hoeveelheden cannabis:

- de aankoop van de cannabis heeft gefinancierd;

- de cannabis heeft laten vervoeren;

- de cannabis met door hem gekochte boten vanuit Marokko naar Spanje heeft laten smokkelen en

met uitzondering van de hoeveelheid cannabis die het onderwerp vormde van de derde smokkeloperatie (die in Spanje in beslag is genomen door de Guardia Civil) en de hoeveelheid cannabis die het onderwerp vormde van de vijfde smokkeloperatie (die op zee overboord is gegooid tijdens een achtervolging door de Spaanse kustwacht):

- de cannabis in Spanje in ontvangst heeft genomen of door een ander of anderen in ontvangst heeft laten nemen;

- zorg heeft gedragen voor de aflevering en verdere distributie van de cannabis in Europa;

- een percentage van 75% van de winst van de smokkel heeft ontvangen.

De betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de omkoping zou erin hebben bestaan dat hij:

- opdracht heeft gegeven aan een mededader om aan drie gespecificeerde personen die hoorden tot de Veiligheidsdienst of de Forces Auxiliaires steekpenningen te betalen en

- persoonlijk contact heeft opgenomen met het hoofd van het Veiligheidsdistrict Nador en met hem is overeengekomen een bedrag aan steekpenningen te betalen.

Mede in aanmerking genomen dat het uitleveringsverzoek strekt tot strafvervolging, is het in de ‘Samenvatting van de feiten’ en de brief van 21 juli 217 opgenomen overzicht van de feiten voldoende duidelijk en nauwkeurig om op basis daarvan te beoordelen of aan de voorwaarden voor uitlevering – in het bijzonder de voorwaarde van dubbele strafbaarheid – is voldaan.

Het overzicht van de feiten voldoet dan ook aan de eisen die artikel 12, tweede lid, aanhef en onder b, EUV en artikel 18, derde lid, aanhef en onder b, UW daaraan stellen.

De tekst van de hiervoor bedoelde Marokkaanse wetsbepalingen is deels gevoegd bij het verzoek om uitlevering van 16 juni 2015 en deels weergegeven in de brief van 21 juli 2017.

De rechtbank volgt de raadsvrouw niet in haar opvatting dat eerder artikel 4 van het Decreet van 21 mei 1974 van toepassing zou zijn dan de artikelen 1 en 2.

Anders dan de raadsvrouw heeft aangevoerd, heeft artikel 1 van het Decreet van 21 mei 1974 niet alleen betrekking op de invoer van verdovende middelen, maar ook op de handel in verdovende middelen en heeft artikel 2 van dat decreet – volgens de Franse vertaling en de brief van 21 juli 2017 – niet alleen betrekking op de productie van verdovende middelen, maar ook op het vervoeren en uitvoeren van verdovende middelen.

Nog daargelaten dat het niet aan de uitleveringsrechter is om te treden in de beoordeling van de juistheid van het oordeel van de Marokkaanse rechter dat het feit ‘internationale handel in verdovende middelen’ naar Marokkaanse recht strafbaar is gesteld in de artikelen 1 en 2 van het Decreet van 21 mei 1974, bevat het hierboven samengevatte overzicht van de feiten elementen die zonder meer als het handelen in en het vervoeren en uitvoeren van verdovende middelen kunnen worden aangemerkt.

In zoverre voldoen de overgelegde wetsbepalingen dus aan de eisen die artikel 12, tweede lid, aanhef en onder c, EUV en artikel 18, derde lid, aanhef en onder c, UW daaraan stellen.

De rechtbank verwerpt dan ook het primaire verweer en wijst het subsidiaire verzoek af.

Ambtshalve merkt de rechtbank op dat:

- a) zich bij de stukken niet het origineel of een authentiek afschrift bevindt van het door de rechter-commissaris bij de vierde onderzoekskamer van het gerechtshof Casablanca uitgevaardigde internationale aanhoudingsbevel van 19 mei 2015;

- b) de Marokkaanse strafbaarstelling van deelneming niet is overgelegd, terwijl uit het overzicht van feiten blijkt dat de opgeëiste persoon zich in deelneming met anderen schuldig zou hebben gemaakt aan ‘internationale handel in verdovende middelen’ en ‘omkoping’;

- c) de Marokkaanse bepaling waaruit blijkt dat cannabis een verdovend middel is als bedoeld in de artikelen 1 en 2 van het Decreet van 21 mei 1974 niet is overgelegd, maar dat zulks geen gevolgen heeft voor de toelaatbaarheid van de uitlevering. Het onder 3 onder a bedoelde verdrag verplicht Marokko immers tot het strafbaar stellen van gedragingen met betrekking tot cannabis als de gedragingen waarvoor de uitlevering is verzocht. Bovendien heeft een Marokkaanse rechter de aanhouding van de opgeëiste persoon bevolen voor zulke gedragingen (vgl. conclusie A-G Aben, ECLI:NL:PHR:2018:91, punt 10).

De rechtbank zal hierna onder 9 bepalen welke gevolgen moeten worden verbonden aan de constateringen onder a) en b).

5 Dubbele strafbaarheid

De feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht zijn naar Marokkaans recht strafbaar en daarvoor kan telkens een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste één jaar worden opgelegd, terwijl die feiten naar Nederlands recht als eenzelfde inbreuk op de Nederlandse rechtsorde strafbaar zijn en daarvoor telkens een vrijheidsstraf van ten minste één jaar kan worden opgelegd.

Naar Nederlands recht zijn deze feiten strafbaar gesteld bij:

- artikel 11b van de Opiumwet;

- artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1, vijfde lid, 3 en 11, tweede, derde en vierde lid, van de Opiumwet en

- de artikelen 47 en 177 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze feiten zijn feiten als bedoeld in artikel 51a, tweede lid, UW, waarvoor ingevolge de hiervoor onder 3 onder a en b bedoelde verdragen kan worden uitgeleverd aan een partij bij die verdragen, zoals het Koninkrijk Marokko.

6 Verjaring van het recht tot strafvervolging

6.1

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair betoogd dat de uitlevering ontoelaatbaar is, omdat het recht tot strafvervolging naar Marokkaans recht is verjaard.

Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de Marokkaanse autoriteiten om opheldering te vragen.

6.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van verjaring van het recht tot strafvervolging naar het recht van Marokko.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Op grond van artikel 10 EUV wordt de uitlevering niet toegestaan, indien volgens de wet van de verzoekende staat het recht tot strafvervolging is verjaard.

In de brief van 21 juli 2017 is meegedeeld dat:

- de toepasselijke verjaringstermijnen worden onderbroken wanneer de gerechtelijke autoriteiten de berechting van de zaak van medeverdachten ter hand nemen;

- van een dergelijke onderbreking in deze zaak sprake is, omdat de berechting van de medeverdachten [mededader 1] , [mededader 2] en [mededader 3] ter hand is genomen, maar nog niet definitief is afgerond.

De rechtbank concludeert daarom dat niet is gebleken dat het recht tot strafvervolging naar Marokkaans recht door verjaring is vervallen.

De rechtbank verwerpt dan ook het primaire verweer en wijst het subsidiaire verzoek af.

7 Politiek delict

7.1

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft op de zitting van 8 december 2017 betoogd dat de uitlevering ontoelaatbaar is, omdat uitleveringsverzoek politiek is gemotiveerd en het materieel dus om feiten van politieke aard gaat.

7.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van politieke delicten.

7.3

Oordeel van de rechtbank

Op grond van artikel 3, eerste lid, EUV wordt de uitlevering niet toegestaan, indien het strafbare feit waarvoor zij wordt verzocht, door de aangezochte staat als een politiek delict of als een met een dergelijk delict samenhangend feit wordt beschouwd.

Artikel 11, eerste lid, UW bevat een vergelijkbaar voorschrift.

De hiervoor onder 4.3 bedoelde feiten kunnen niet worden beschouwd als zogenoemde absolute, complexe, connexe of relatieve politieke delicten. De stelling dat het uitleveringsverzoek politiek gemotiveerd is, brengt – wat daarvan ook zij – niet mee dat deze feiten politieke delicten opleveren in de zin van artikel 3, eerste lid, EUV en artikel 11, eerste lid, UW.

De gestelde politieke motivatie van het uitleveringsverzoek zou van belang kunnen zijn voor de toepassing van artikel 3, tweede lid, EUV en artikel 10, eerste lid, UW, maar deze weigeringsgronden staan niet ter beoordeling van de uitleveringsrechter.

De rechtbank verwerpt dan ook het verweer.

8 Dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM

8.1

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de uitlevering ontoelaatbaar is, omdat sprake is van een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM. Hij heeft daartoe, samengevat, het volgende aangevoerd.

Er is sprake van een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM, nu sprake is van een ‘real risk of admission at the applicants (re)trial of evidence obtained by torture of third persons’ als bedoeld in EHRM 17 januari 2012, 8139/09 (Othman (Abu Qatada)/Verenigd Koninkrijk). De door de Marokkaanse autoriteiten gegeven garanties zijn in dit geval onvoldoende om die dreiging van een flagrante schending weg te nemen. Er is in Marokko geen sprake van een effectief rechtsmiddel tegen die dreigende flagrante schending.

Voor het geval dat de rechtbank zou oordelen dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de verklaringen die naar alle waarschijnlijkheid zullen worden gebruikt in het strafproces tegen de opgeëiste persoon door marteling zijn verkregen, heeft de raadsman verzocht nader onderzoek daarnaar te gelasten.

8.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, voor zover al aannemelijk is dat verklaring van derden verkregen zijn door marteling, niet is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering ter zake van die schending geen rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM te dienste zal staan.

8.3

Oordeel van de rechtbank

8.3.1

Inleiding

Het verweer spitst zich toe op de voor de opgeëiste persoon belastende bekentenissen die de medeverdachten [mededader 2] en [mededader 3] in mei 2010 hebben afgelegd en die zouden zijn verkregen door handelingen die in strijd zijn met artikel 3 EVRM.

8.3.2

Toetsingskader

Nu het uitleveringsverzoek niet is gebaseerd op een uitleveringsverdrag (vgl. HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, r.o. 3.5), brengt de bevoegdheidsverdeling tussen de uitleveringsrechter en de minister van Justitie en Veiligheid mee dat de uitleveringsrechter op grond van zijn toetsing aan art. 6 EVRM de uitlevering slechts ontoelaatbaar kan verklaren, indien blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6 EVRM toekomend recht,

dat de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren, in de weg staat aan de uit het toepasselijke verdrag voortvloeiende verplichting tot uitlevering (HR 17 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1441, r.o. 3.4.1).

Uit het door de verdediging bedoelde arrest Othman/Verenigd Koninkrijk volgt dat daarvan sprake is, indien een reëel gevaar bestaat dat verklaringen van derden die door marteling zijn verkregen worden toegelaten als het bewijs tegen de opgeëiste persoon.

Uit EHRM 25 september 2012, 649/08 (El Haski/België), § 85 volgt dat hetzelfde geldt voor verklaringen van derden die zijn verkregen door een onmenselijke of vernederende behandeling.

8.3.3

Relevante rapporten en beslissingen

Het rapport Just Sign Here. Unfair Trials Based on Confessions to the Police in Morocco van Human Rights Watch uit juni 2013 houdt onder meer het volgende in:

- Human Rights Watch heeft zes politiek gevoelige zaken met in totaal 84 verdachten uit de periode 2008-2013 onderzocht;

- in vijf van de zes zaken zijn veroordelingen gevolgd die hoofdzakelijk waren gebaseerd op bekentenissen van verdachten die vervolgens bij de rechter werden betwist;

- de Marokkaanse rechter heeft onvoldoende gedaan om te bepalen of die bekentenissen waren verkregen door marteling of door andere verboden handelingen.

Het rapport over Marokko van de United Nations Working Group on Arbitrary Detention van 4 augustus 2014 (UN doc. A/HRC/27/48/Add.5) houdt onder meer het volgende in:

- sinds de inwerkingtreding van de grondwet in juli 2011 zet de regering zich in om een cultuur van mensenrechten in Marokko te vestigen en te consolideren;

- in zaken van beschuldiging van terrorisme of bedreiging van de nationale veiligheid valt een systematisch patroon van marteling en andere ‘ill-treatment’ bij de aanhouding en tijdens de vrijheidsbeneming te ontdekken;

- hoewel naar Marokkaans recht een bekentenis die is verkregen door marteling niet mag worden gebruikt voor het bewijs, wordt in processen veel gewicht toegekend aan bekentenissen;

- aan de hand van gesprekken met gedetineerden die lange vrijheidsstraffen uitzaten is vastgesteld dat bekentenissen vaak het gevolg waren van marteling, dat zulke bekentenissen werden opgenomen in het politiedossier en bijna uitsluitend als bewijs voor vervolging en veroordeling dienden;

- de rechtspraak over Marokko genoemd door de Working Group toont een patroon aan van gevallen waarin personen zijn veroordeeld uitsluitend op basis van verslagen die door de politie zijn opgesteld, terwijl de betrokkenen zich in detentie bevonden en onderworpen waren geweest aan marteling (Opinion No. 19/2013; Opinion No. 3/2013; Opinion No. 40 /2012; Opinion No. 25/2013);

- concluderend is er in zaken met betrekking tot de veiligheid van de staat sprake van een patroon van marteling en ‘ill-treatment’ bij de aanhouding en tijdens de vrijheidsbeneming door de politie. Vele personen zijn gedwongen tot het afleggen van een bekentenis en zijn tot een vrijheidsbenemende straf veroordeeld uitsluitend op basis van die bekentenis.

De Concluding observations on the sixth periodic report of Morocco van de United Nations Human Rights Committee van 2 november 2016 (UN doc. CCPR/C/MAR/CO/6) houdt onder meer het volgende in:

- er is sprake van een aanzienlijke vermindering van het aantal gevallen van marteling en ‘ill-treatment’ sinds de vorige Concluding observations;

- desalniettemin bestaat bezorgdheid over de voortdurende berichten over marteling en onmenselijke of vernederende behandeling door de Marokkaanse staat, in het bijzonder in gevallen van verdenking van terrorisme of het in gevaar brengen van de territoriale integriteit van de staat;

- in het bijzonder is het Comité erover bezorgd dat:

o a) onder dwang verkregen bekentenissen naar verluidt soms worden toegelaten als bewijs, ook al is zulk bewijs volgens de wet ontoelaatbaar;

o b) rechters en officier van justitie in gevallen van beweerde marteling of het afdwingen van bekentenissen niet altijd medisch of ander onderzoek naar die bewering gelasten;

o c) personen die melding maken van gevallen van marteling soms worden onderworpen aan intimidatie, bedreigingen en juridische procedures;

o d) het aantal gevallen waarin een vervolging wegens marteling of andere ‘ill-treatment’ is ingesteld en waarin een veroordeling wegens dergelijk handelen is gevolgd nogal laag is gelet op het aantal klachten en de mate waarin er in het verleden sprake is geweest van marteling en ‘ill-treatment’.

Het Country Report on Human Rights Practices for 2016 over Marokko van het US Department of State van 3 maart 2017 houdt onder meer het volgende in:

- in voorgaande jaren werd gemeld dat vaker werd gemarteld. Volgens een rapport van Amnesty International van mei 2015 zouden de veiligheidsdiensten tussen 2010 en 2014 routinematig geweld hebben toegepast om bekentenissen af te dwingen, activisten het zwijgen op te leggen en tegenstand te onderdrukken;

- de regering heeft stappen ondernomen, waaronder mensenrechtentrainingen voor medewerkers van de veiligheidsdiensten en van de justitiële autoriteiten.

Het bericht op de website van Amnesty International ‘Morocco: dozens arrested over mass protests in Rif report torture in custody’ van 1 augustus 2017 houdt onder meer het volgende in:

- de politie heeft sinds mei 2017 meer dan 270 personen aangehouden in verband met de Rif protesten;

- ten minste 66 personen hebben gemeld dat zij in detentie door de politie zijn gemarteld of zijn onderworpen aan andere ‘ill-treatment’, in sommige gevallen om hen een bekentenis af te dwingen.

In een beslissing van 15 november 2016 in de zaak van Ennaâma Asfari (CAT/C/59/D/606/2014), heeft het Committee against Torture geoordeeld dat:

- betrokkene tijdens zijn aanhouding, verhoor en detentie in 2010 is onderworpen aan marteling door de Marokkaanse autoriteiten;

- hoewel de betrokkene zich daarover in 2011 bij de onderzoeksrechter en in 2013 bij de zittingsrechter heeft beklaagd, de Marokkaanse autoriteiten geen onderzoek hebben ingesteld naar die klacht;

- de rechtbank in haar vonnis van 17 februari 2013 geen rekening heeft gehouden met de bewering van betrokkene dat hij een bekentenis heeft ondertekend als gevolg van marteling en hem op basis van die bekentenis heeft veroordeeld voor deelname aan geweld dat heeft geleid tot de dood van wetshandhavers;

- het hof van cassatie op 27 juli 2016 op het beroep van betrokkene en zijn medeverdachten de zaak heeft verwezen naar het hof van beroep te Rabat, maar dat het onwaarschijnlijk is dat dit hof de klacht over marteling zal kunnen onderzoeken. De cassatieprocedure had geen betrekking op de beweerde marteling en het hof in Rabat heeft niet de opdracht gekregen om die bewering te onderzoeken.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft onlangs op basis van de hiervoor genoemde rapporten van de United Nations Working Group on Arbitrary Detention, het United Nations Human Rights Committee en het US Department of State geoordeeld dat in Marokko willekeurige vrijheidsbeneming en marteling nog steeds voorkomen in zaken met betrekking tot personen die verdacht worden van terrorisme en beschouwd worden als een bedreiging voor de nationale veiligheid (EHRM 9 januari 2018, 36417/16 (X./Zeden), § 57).

8.3.4

De overgelegde verklaringen van (advocaten van) medeverdachten van de opgeëiste persoon

[mededader 2] en [mededader 3] , medeverdachten in de strafzaak van de opgeëiste persoon, hebben in die strafzaak verklaard dat zij hun eerdere belastende verklaringen hebben afgelegd na te zijn gemarteld.

Advocaten van andere medeverdachten van de opgeëiste persoon hebben in die strafzaak aangevoerd dat bekentenissen zijn afgelegd onder marteling. De advocaten van twee medeverdachten hebben de wonden of littekens die het gevolg waren van de martelingen zelf waargenomen. De advocaat van één van de verdachten heeft de zittingsrechter verzocht om een medisch onderzoek in te stellen, maar de zittingsrechter heeft dit verzoek afgewezen, zoals ook de onderzoeksrechter dat eerder had gedaan.

8.3.5

Reëel risico dat de verklaringen van [mededader 2] en [mededader 3] zijn verkregen door handelingen die in strijd zijn met artikel 3 EVRM en dat die verklaringen voor het bewijs zullen worden gebruikt

Uit wat onder 8.3.3 is opgenomen volgt dat

- in de periode waarin [mededader 2] en [mededader 3] hun verklaringen hebben afgelegd, in Marokko sprake was van een patroon van met artikel 3 EVRM strijdige handelingen om bekentenissen af te dwingen, in het bijzonder – maar dus niet uitsluitend – in zaken waarin de veiligheid en/of territoriale integriteit van de staat in het geding was of die als politiek gevoelig werden beschouwd;

- ook al is sprake van verbetering ten opzichte van voorgaande jaren, in Marokko in dergelijke zaken nog steeds bekentenissen worden afgedwongen door handelingen die in strijd zijn met artikel EVRM, dat rechters en officieren van justitie niet altijd een onderzoek instellen naar beweringen dat een bekentenis is verkregen door dergelijke handelingen en dat dergelijke bekentenissen soms worden toegelaten tot het bewijs;

Omdat de ‘Samenvatting van de feiten’ meldt dat de opgeëiste persoon lid is van het Marokkaanse parlement en de verdenking mede betrekking heeft op omkoping van medewerkers van de Veiligheidsdienst en de Forces Auxiliaires, acht de rechtbank aannemelijk dat de Marokkaanse autoriteiten de strafzaak tegen de opgeëiste persoon minst genomen als politiek gevoelig beschouwden.

De door de verdediging overgelegde partiële vertaling van het ‘Definitief verzoek van het Openbaar Ministerie, strekkende tot verwijzing naar de strafkamer van eerste aanleg van het gerechtshof te Casablanca’ van 2 juni 2017 in het zogenaamde Hirak-proces meldt dat de opgeëiste persoon de oprichter is van de ‘18 september-beweging voor de onafhankelijkheid van de Rif’ en duidt hem aan als aanhanger van het plan van afscheiding van de Rif van Marokko. Op basis daarvan acht de rechtbank aannemelijk dat de Marokkaanse autoriteiten de strafzaak tegen de opgeëiste persoon nog steeds als politiek gevoelig beschouwen en dat zij de opgeëiste persoon zelf zien als iemand die de territoriale integriteit van Marokko in gevaar brengt.

Uit de overgelegde verklaringen van de (advocaten van) medeverdachten van de opgeëiste persoon, beschouwd in onderlinge samenhang en tegen de achtergrond van wat onder 8.3.3 is opgenomen, volgt daarom naar het oordeel van de rechtbank dat:

- een reëel gevaar bestaat dat de verklaringen die [mededader 2] en [mededader 3] in 2010 hebben afgelegd zijn verkregen door handelingen die in strijd zijn met artikel 3 EVRM en

- deze verklaringen zullen worden toegelaten als bewijs in de strafprocedure tegen de opgeëiste persoon.

8.3.6

Wendt de door Marokko gegeven garantie dit gevaar af?

Volgens het proces-verbaal van 29 juni 2017 zijn de Nederlandse regering en de Marokkaanse regering onder meer het volgende overeengekomen:

3. De Marokkaanse regering garandeert de voorwaarden voor een eerlijk en transparant proces (aanwezigheid van Nederlandse advocaten, periodieke bezoeken van de ambassade, uitwisseling van informatie tussen de justitiële autoriteiten over het verloop van het proces, …).

In het licht van wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, acht zij de garantie te algemeen en te vaag om het reële gevaar te kunnen uitsluiten.

8.3.7

Conclusie

De conclusie luidt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6 EVRM toekomend recht, dat de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren, in de weg staat aan de uit het toepasselijke verdrag voortvloeiende verplichting tot uitlevering.

De rechtbank komt daarom niet meer toe aan het voorwaardelijke verzoek om nader onderzoek naar de marteling van de medeverdachten en aan de overige verweren en verzoeken (punten 3 en 5-10 van de op de zitting van 29 januari 2018 overgelegde pleitnota van de raadsvrouw).

9 Slotsom

De rechtbank zal de uitlevering ontoelaatbaar verklaren, omdat:

- zich bij de stukken niet het origineel of een authentiek afschrift bevindt van het internationale aanhoudingsbevel van 19 mei 2015;

- de Marokkaanse strafbaarstelling van deelneming niet is overgelegd;

- sprake is van een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM.

10 Toepasselijke wetsartikelen

Naast de hiervoor onder 5 genoemde wetsartikelen zijn toepasselijk:

- de artikelen 3 en 6 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen;

- de artikelen 3, 5, 8 en 16 van het Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad;

- de artikelen 1, 2 en 12 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering en

- de artikelen 2, 5 en 51a van de Uitleveringswet.

11 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart de door het Koninkrijk Marokko verzochte uitlevering van [voor en achternaam] ONTOELAATBAAR.

- heft op het – geschorste – bevel tot uitleveringsdetentie.

Aldus gewezen door mr P. Kooijman, voorzitter, mr. C.E.M. Marsé en mr. B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.H. Glerum, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 22 februari 2018.

De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.

Ingevolge artikel 31 UW kan de opgeëiste persoon tegen deze uitspraak binnen 14 dagen beroep in cassatie instellen.