Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:1005

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
15-02-2018
Datum publicatie
05-04-2018
Zaaknummer
AWB 17_4621
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 17/4621 WIA

uitspraak van 15 februari 2018 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. S.E.C. Segeren-Krijnen,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 12 juni 2017 (bestreden besluit) van het UWV inzake zijn aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 4 januari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. P.F.M. Gulickx, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door A.J. van Loon.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser, geboren in 1964, is werkzaam geweest als horecamedewerker. Voor dat werk is hij uitgevallen vanwege lichamelijke klachten. Na een weigering van een WIA-uitkering per 8 februari 2014 heeft het UWV aan eiser wegens toegenomen beperkingen vanuit dezelfde ziekte-oorzaak met het besluit van 17 december 2015 per 11 mei 2015 tot en met 3 augustus 2017 een loongerelateerde WIA-uitkering toegekend, die is gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 100% omdat sprake is van geen benutbare mogelijkheden.

Met het besluit van 16 januari 2017 (primair besluit) heeft het UWV de WIA-uitkering ongewijzigd voortgezet. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt omdat hij zich volledig en duurzaam arbeidsongeschikt acht en daarom aanspraak maakt op een IVA-uitkering.

Bij het bestreden besluit zijn de bezwaren van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en is, na onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 18,15%.

Met het besluit van 30 mei 2017 heeft het UWV eiser laten weten dat de loongerelateerde WGA-uitkering eindigt op 4 augustus 2017 en dat eiser vanaf die datum in aanmerking komt voor een WGA-loonaanvullingsuitkering.

Met het besluit van 16 juni 2017 heeft het UWV aan eiser laten weten dat zijn recht op WIA-uitkering eindigt per 13 augustus 2017 omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Daarbij is verwezen naar het bestreden besluit.

2. In geschil is of het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 13 januari 2017 heeft vastgesteld op 18,15%.

3. Eiser voert aan dat het UWV het beginsel van reformatio in peius heeft geschonden omdat als hij geen bezwaar had gemaakt, zijn uitkering ongewijzigd zou zijn voortgezet. Ook voert hij aan dat het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Eiser voert bovendien aan dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, ook al is hij inmiddels aan zijn nek geopereerd. Hij heeft een hersenbloeding gehad, is 4 keer flauw gevallen waardoor hij een nek- en rughernia heeft opgelopen, heeft een ontsteking in zijn heup en een scheur in zijn hand. Eiser wordt behandeld door de polikliniek pijnbestrijding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ten onrechte minder beperkingen vastgesteld dan de verzekeringsarts, terwijl eisers klachten zijn toegenomen. De beperkingen zijn blijvend. Eiser acht zich niet in staat om te werken. Zijn belastbaarheid wordt in de geduide functies overschreden. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser informatie overgelegd van het Bravis ziekenhuis, van het paramedisch centrum Roosendaal en van de apotheek.

4. In artikel 4, eerste lid, van de WIA is bepaald dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

In het tweede lid is bepaald dat in het eerste lid onder duurzaam wordt verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie.

In het derde lid is bepaald dat onder duurzaam mede wordt verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

Ingevolge artikel 5 van de WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.

Van belang is dan ook:

- of eiser medische beperkingen heeft en

- of hij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de WIA wordt de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

5.1

Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is verricht door een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het UWV.

De verzekeringsarts heeft eiser gezien op het spreekuur van 18 november 2016 en het dossier, waaronder de medische gegevens van het Universitair ziekenhuis Antwerpen (UZA) die eiser heeft gevoegd bij de medische vragenlijst, bestudeerd.

De verzekeringsarts heeft gerapporteerd dat eiser destijds volledig arbeidsongeschikt is geacht vanwege de nekoperatie. Er is echter niet langer sprake van geen duurzaam benutbare mogelijkheden. Als gevolg van de nekoperatie zijn de uitstralende klachten in eisers nek enigszins verbeterd. Ook bij lichamelijk onderzoek blijkt van enige beperkingen van de nek. Beperkingen voor bewegingen van de nek en belasting van schouders en handen zijn plausibel. Wat betreft de rug- en heupklachten blijkt uit de informatie dat sprake is van ontstekingsreacties en degeneratieve afwijkingen. Dit leidt tot plausibele beperkingen voor rug- en beenbelasting. Er zijn uitgebreid beperkingen te duiden voor zowel nek- als armbelasting als voor rug- en beenbelasting. Eisers medicatiegebruik vormt onvoldoende indicatie tot het aannemen van een medische recuperatienoodzaak overdag.

De verzekeringsarts heeft de beperkingen en de belastbaarheid van eiser neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 14 november 2016.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de beschikbare medische gegevens bestudeerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gerapporteerd dat eiser per datum in geding minder beperkt is dan de verzekeringsarts heeft vastgesteld. Er zijn discrepanties tussen het onderzoek door de verzekeringsarts en de vastgestelde belastbaarheid. Uit de rapportage van de verzekeringsarts blijkt niet waarom deze beperkingen heeft vastgesteld voor het persoonlijk en sociaal functioneren. Daarom acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep eiser hiervoor niet beperkt. Vanwege de medicatie is beroepsmatig autorijden niet passend, maar op zich is autorijden wel toegestaan. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is er vergeleken met de verzekeringsgeneeskundige beoordeling in bezwaar van april 2014, die betrekking had op eisers mate van arbeidsongeschiktheid per 8 februari 2014, slechts één wijziging in eisers medische toestand, namelijk dat er met goed resultaat een nekoperatie heeft plaatsgevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wijst in dit verband op de brief van de neurochirurg van mei 2015, waarin deze schrijft: “Klinisch neurologisch onderzoek bij ontslag: normale kracht en sensibiliteit t.h.v. de 4 ledematen (met uitzondering van iets minder goed gevoel rechter bovenbeen)”. De verzekeringsarts bezwaar en beroep constateert dat de verzekeringsarts slechts een wat afwijkend looppatroon vast stelde en dat eiser niet goed op alleen het rechterbeen kan staan. Rugbewegingen zijn, in tegenstelling tot in 2014, deels beperkt en de bewegingen van de schouders redelijk. De handkracht is rechts slechts licht minder dan links en de fijne motoriek is normaal. Gelet op dit alles kan volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep de belastbaarheid worden vastgesteld zoals eerder in bezwaar in 2014 gebeurde met daaraan toegevoegd een beperking voor buigen tot rond 60 graden, lang gebogen werken en lang hurken/knielen. Er is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen beperking voor het torderen met de rug omdat dit een beweging is van de borstwervelkolom en daar geen rugklachten zijn.

De gewijzigde belastbaarheid en beperkingen zijn neergelegd in de FML van 15 maart 2017.

5.2

De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Beide verzekeringsartsen hebben eisers dossier, waaronder uitgebreide informatie van eisers behandelaars, bestudeerd. Eiser is bovendien onderzocht door de primaire verzekeringsarts. Naar het oordeel van de rechtbank beschikte de verzekeringsarts bezwaar en beroep hiermee over voldoende inzicht in eisers medische situatie op 13 januari 2017 om de arbeidsbeperkingen te kunnen vaststellen.

Op grond van de beschikbare gegevens moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij eiser niet te geringe medische beperkingen heeft vastgesteld. De rechtbank stelt daarbij voorop dat volgens vaste rechtspraak de subjectieve beleving van een betrokkene van zijn klachten niet beslissend is bij de beantwoording van de vraag welke beperkingen in objectieve zin bij hem zijn vast te stellen. Van belang zijn alleen de objectief vast te stellen beperkingen voor arbeid. Uit de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat deze op de hoogte was van de door eiser gestelde klachten, waaronder de hersenbloeding, het flauwvallen, de nek-, rug, heup-, arm-, pols- en handklachten en de pijnklachten. Eisers medicijngebruik was ook bekend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk en deugdelijk gemotiveerd waarom er minder beperkingen zijn aangenomen dan de verzekeringsarts gedaan had.

De informatie die eiser in beroep heeft overgelegd geeft de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de belastbaarheid die de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangenomen. Daarbij is in aanmerking genomen dat de door eiser in beroep overgelegde stukken geen (medische) gegevens over de datum in geding 13 januari 2017 bevatten die niet al bekend waren bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze arts wist dat eiser onder behandeling is bij de polikliniek pijnbestrijding. Eiser heeft in beroep geen medische gegevens ingediend over de door hem gestelde bijwerkingen als gevolg van de door hem gebruikte medicatie.

Voor de verdere beoordeling gaat de rechtbank dan ook uit van de belastbaarheid die is neergelegd in de FML van 15 maart 2017.

6.1

Het arbeidskundig onderzoek is verricht door een arbeidsdeskundige en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het UWV.

Rekening houdend met de FML van 14 november 2016 heeft de arbeidsdeskundige geen geschikte functies kunnen vinden.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft, rekening houdend met de FML van 15 maart 2017, een arbeidsmogelijkhedenlijst opgesteld met voor eiser geschikte functies. Eiser is in ieder geval geschikt geacht voor de functies van productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (Sbc-code 111180), administratief medewerker (document scannen) (Sbc-code 315133) en medewerker kleding en textielreiniging (Sbc-code 111161). De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat eiser 18,15% arbeidsongeschikt is.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van vragen van de rechtbank eisers geschiktheid voor de functies nader toegelicht in de rapportage van 14 december 2017.

6.2

De rechtbank heeft de belasting van de geduide functies vergeleken met de FML van 15 maart 2017 en heeft daarbij de toelichting betrokken die de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in bezwaar en in beroep heeft gegeven bij de mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid. De rechtbank is er voldoende van overtuigd dat de belastbaarheid van eiser in deze functies niet wordt overschreden. Naar het oordeel van de rechtbank wordt in de functie van administratief medewerker (document scannen) ook eisers belastbaarheid voor het belastingonderdeel 4.14 (tillen of dragen) niet overschreden, gelet op de toelichting van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op de onderdelen 4.15 (frequent lichte voorwerpen hanteren tijdens het werk) en 4.16 (frequent zware lasten hanteren tijdens het werk) van het resultaat functiebeoordeling. Zo nodig kan eiser, gelet op het beperkte gewicht (0,5 tot 5 kg) de linkerarm als steunarm gebruiken, waardoor met links veel minder dan 5 kg wordt gedragen.

Eiser heeft ook aangevoerd dat de geduide functies niet passend zijn omdat de beperkingen niet juist zijn vastgesteld. Deze beroepsgrond treft geen doel gelet op wat de rechtbank in rechtsoverweging 5.2 heeft overwogen over de juistheid van de beperkingen die zijn vastgesteld in de FML van 15 maart 2017.

Eiser heeft arbeidskundig aangevoerd dat de functie van administratief medewerker (document scannen) niet geschikt is omdat deze functie te moeilijk voor hem is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in de rapportage van 14 december 2017 inzichtelijk en deugdelijk gemotiveerd waarom deze functie wel geschikt is. Eiser heeft geen concrete objectieve gegevens overgelegd om het standpunt van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep te weerleggen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor twijfel daaraan. Deze grond slaagt daarom niet.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank ervan uitgaan dat de hiervoor genoemde functies mochten worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.

6.3

Op basis van de inkomsten die eiser hiermee zou kunnen verwerven, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot de conclusie dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Nu eiser tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, ziet de rechtbank geen aanleiding om deze conclusie onjuist te achten.

7. Uit het voorgaande volgt dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 13 januari 2017 heeft vastgesteld op 18,15%.

8. Nu eiser niet volledig arbeidsongeschikt is, is een beoordeling van de duurzaamheid bij volledige arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 4 van de WIA, de IVA‑beoordeling waarom eiser heeft gevraagd, niet aan de orde. De rechtbank wijst in dit verband op vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep.

9. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van reformatio in peius. Het UWV heeft deze beroepsgrond in het verweerschrift van 14 augustus 2017 inzichtelijk en deugdelijk weerlegd. De rechtbank onderschrijft dat standpunt van het UWV.

10. Pas in de rapportage van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 14 december 2017 is kenbaar gemotiveerd waarom de functies van productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) en administratief medewerker (document scannen) gelet op de functiebelasting voor eiser passend zijn. Hieruit volgt dat de volledige arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit pas in beroep kenbaar is geworden. Omdat niet aannemelijk is dat eiser hierdoor is benadeeld, passeert de rechtbank dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

11. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

12. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb is er reden om het UWV te veroordelen tot het vergoeden van de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501, en wegingsfactor 1).

13. Ook moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J. Tolner, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.