Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:1003

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-02-2018
Datum publicatie
02-03-2018
Zaaknummer
AWB 17_4842
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eenmalige uitkering op grond van de CAO WSW mag niet gekort worden op de WAO-uitkering. Het opbouwvereiste van artikel 2, achtste lid, van de Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomen moet wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht buiten toepassing worden gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 17/4842 WAO

uitspraak van 19 februari 2018 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], te [woonplaats eiser], eiser,

gemachtigde: mr. J.A.C.M. van Ginneken,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 7 juni 2017 (bestreden besluit) van het UWV inzake de definitieve berekening van zijn uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) over de periode 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 en de terugvordering van het bedrag aan teveel ontvangen voorschotten over deze periode.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 14 november 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld door zijn echtgenote. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger verweerder].

De rechtbank heeft het onderzoek op 14 november 2017 heropend en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

De rechtbank heeft partijen de gelegenheid gegeven om te laten weten of zij alsnog op een zitting willen worden gehoord. Partijen hebben hierop niet gereageerd.

De rechtbank heeft het onderzoek op 18 januari 2018 gesloten.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser ontvangt sinds 28 juni 1999 een WAO-uitkering, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Daarnaast heeft hij inkomsten uit arbeid in het kader van de WSW.

Met het besluit van 15 december 2015 heeft het UWV aan eiser meegedeeld dat de WAO‑uitkering met ingang van 1 juli 2015 op voorschotbasis zal worden betaald en dat in 2017 definitieve vaststelling volgt.

Eiser heeft in maart 2016 op grond van de CAO WSW 2015-2018 (CAO) een eenmalige uitkering ontvangen van € 81,25 bruto.

Met het besluit van 17 februari 2017 (primair besluit) heeft het UWV eisers WAO‑uitkering over de periode 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 definitief vastgesteld. Over de maanden januari, februari en april tot en met december 2016 blijft de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100%. Over de maand maart 2016 wordt eiser 65 tot 80% arbeidsongeschikt geacht. Eiser heeft € 485,45 bruto te veel uitkering ontvangen. Dit moet hij terugbetalen.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

In het bestreden besluit heeft het UWV de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

2. Eiser stelt zich in beroep primair op het standpunt dat de eenmalige uitkering op grond van de CAO die hij in maart 2016 heeft ontvangen een extra periodiek salaris is in de zin van artikel 4.1, achtste lid, van het Algemeen inkomensbesluit sociale zekerheidswetten (Inkomensbesluit). Het betreft een eenmalige looncompensatie naast de reguliere loonsverhoging op grond van de CAO. De eenmalige uitkering moet daarom worden toegerekend aan de hele looptijd van de CAO dan wel aan heel 2016. Eiser stelt zich subsidiair op het standpunt dat artikel 4.1, elfde lid, van het Inkomensbesluit moet worden toegepast, omdat het evident is dat sprake is van een kennelijk onredelijk resultaat. De verlaging van de uitkering staat immers in geen enkele verhouding tot het door de werkgever uitbetaalde bedrag. Eiser heeft ook gevraagd om schadevergoeding.

3. In artikel 44, tweede lid, van de WAO is bepaald dat indien degene die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering in dienstbetrekking arbeid als bedoeld in het eerste lid verricht of heeft verricht, het loon geacht wordt te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever of de inhoudingsplichtige van dat loon opgave heeft gedaan.

In het achtste lid is bepaald dat bij ministeriële regeling wordt bepaald wat onder inkomen en loon als bedoeld in dit artikel wordt verstaan. Daarbij kan tevens worden bepaald dat nader te bepalen inkomen dat gedeeltelijk, niet, of niet langer wordt genoten als gevolg van gewijzigde omstandigheden of enig handelen of nalaten van betrokkene in aanmerking wordt genomen alsof het wel volledig wordt genoten.

Artikel 57, eerste lid, van de WAO bepaalt dat de uitkering, de loonsuppletie, bedoeld in artikel 65c, en de inkomenssuppletie, bedoeld in artikel 65d, die als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 35a onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door het UWV wordt teruggevorderd.

In het zesde lid is bepaald dat indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn het UWV kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

De ministeriële regeling bedoeld in artikel 44, achtste lid, van de WAO is de Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomen (Regeling).

Artikel 2, eerste lid, van de Regeling bepaalt, voor zover hier van belang, dat onder loon als bedoeld in de artikelen 44, tweede lid, van de WAO, 58, tweede lid, van de Waz en 3:48, tweede lid, van de Wajong wordt verstaan het loon in de zin van artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen voor de werknemer in de zin van die wet.

In het achtste lid is bepaald dat bij de vaststelling van het loon het in de relevante aangiftetijdvakken opgebouwde bedrag aan vakantie bijslag en extra periodiek salaris in aanmerking kan worden genomen in plaats van het in de relevante aangiftetijdvakken betaalde bedrag aan vakantiebijslag en extra periodiek salaris.

In artikel 5.4 van de CAO is bepaald:

“1. De loonontwikkeling van werknemers die meer dan het wettelijk minimumloon (WML) verdienen is gedurende de looptijd van de CAO gelijk is aan de loon-prijsontwikkeling (LPO). Dit wordt als volgt uitgevoerd:

a. Werknemers die meer dan het WML verdienen, ontvangen in juli 2016, juli 2017 en juli 2018 een loonstijging die gelijk is aan de stijging van het WML, tenzij de verwachte/voorlopige LPO lager is dan de WML-stijging. In dat geval worden de lonen per 1 juli verhoogd met het voorlopige LPO-percentage van dat betreffende jaar.

b. Indien de toegekende LPO hoger is dan de stijging van het WML in juli ontvangen werknemers in januari 2017, januari 2018 en januari 2018 een loonstijging ter hoogte van het verschil.

2. Werknemers die op 1 maart 2016 in dienst zijn, ontvangen in maart 2016 een eenmalige uitkering van € 325. Bij een niet-volledige dienstbetrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld.”

4. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser per week 9 uur werkt. Evenmin is in geschil dat zijn werkgever in het aangiftetijdvak maart 2016 opgave heeft gedaan van een extra inkomen van € 81,25 bruto. Dit betreft de eenmalige uitkering als bedoeld in artikel 5.4, tweede lid, van de CAO.

5. De rechtbank stelt vast dat het UWV aan het bestreden besluit artikel 4.1 van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (Besluit) ten grondslag heeft gelegd. Het UWV heeft in het verweerschrift gesteld dat dit niet juist is en dat de ontvangen eenmalige uitkering getoetst moet worden aan de Regeling.

De rechtbank is van oordeel dat uit artikel 2, eerste lid, van de Regeling volgt dat de Regeling van toepassing is op de vaststelling van het loon in het kader van artikel 44, tweede lid, van de WAO. Dit volgt – impliciet – ook uit het bepaalde in hoofdstuk 4 van het Besluit. Daarin wordt immers de vaststelling van het inkomen voor een aantal wetten geregeld. De WAO wordt daarbij niet genoemd.

Het bestreden besluit is in zoverre niet deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat aannemelijk is dat eiser door het gebrek niet is benadeeld.

6. Naar aanleiding van eisers primaire beroepsgrond overweegt de rechtbank het volgende. De tekst van artikel 2, achtste lid, van de Regeling kent enkel de mogelijkheid om opgebouwde bedragen aan vakantiebijslag en extra periodiek salaris toe te rekenen aan een ander tijdvak dan het tijdvak van betaling van het betreffende bedrag. De eenmalige uitkering van maart 2016 betreft geen opgebouwd bedrag als bedoeld in voornoemd artikel. Uit artikel 5.4, derde lid, van de CAO blijkt immers dat alle werknemers die op 1 maart 2016 in dienst waren deze uitkering – naar rato van de omvang van het dienstverband – van hun werkgever zouden ontvangen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

7. De rechtbank overweegt naar aanleiding van eisers beroepsgrond dat evident is dat sprake is van een kennelijk onredelijk resultaat het volgende.

De rechtbank ziet hierin aanleiding om, ambtshalve de rechtsgronden aanvullend, na te gaan of met het bestreden besluit is voldaan aan de eisen van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Daarin is bepaald dat de voor één of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

De rechtbank overweegt dat de regelgever met het bepaalde in artikel 2 van de Regeling een eenvoudige maar rechtvaardige uitvoeringspraktijk heeft beoogd van de toepassing van het loonbegrip van artikel 44, tweede lid, van de WAO. De rechtbank is van oordeel dat de toepassing van het opbouwvereiste van artikel 2, achtste lid, van de Regeling ertoe kan leiden dat het door het UWV teruggevorderde bedrag in een onevenredige verhouding komt te staan tot het door de werkgever uitbetaalde bedrag. Dat is naar het oordeel van de rechtbank het geval in de situatie van eiser. Het teruggevorderde bedrag bedraagt immers € 485,45 bruto en de eenmalige uitkering bedraagt € 81,25 bruto. Het opbouwvereiste mag daarom wegens strijd met bepaalde in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb niet aan eiser worden tegengeworpen en moet buiten toepassing worden gelaten. De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals eiser heeft gesteld, de uitkering aan de gehele looptijd van de CAO toe te rekenen. Dat ligt niet in de rede bij een eenmalige uitkering als deze. De eenmalige uitkering van maart 2016 dient (alleen) aan het gehele jaar 2016 te worden toegerekend om het gevolg van de eenmalige uitkering van maart 2016 voor de WAO-uitkering van eiser niet onevenredig te laten zijn in verhouding tot het doel van het besluit.

8. Het beroep zal gegrond worden verklaard en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Het UWV zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. Daarbij merkt de rechtbank op dat deze termijn pas begint nadat de termijn voor het instellen van hoger beroep ongebruikt is verstreken of, als hoger beroep is ingesteld, nadat op dat hoger beroep is beslist.

9. Eisers verzoek om schadevergoeding komt nu niet voor toewijzing in aanmerking. Pas als het UWV een nieuw besluit heeft genomen, kan namelijk worden beoordeeld of eiser recht heeft op schadevergoeding.

10. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed.

De rechtbank zal het UWV veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt het UWV op binnen zes weken nadat deze uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af;

  • -

    draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.J.G. Römers, voorzitter, en mr. S.A.M.L. van de Sande en mr. R.A. Karsten-Badal, leden, in aanwezigheid van mr. R.J. Tolner, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.