Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:911

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
13-04-2017
Zaaknummer
AWB 16_399
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2018:156, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 16/399 AW

uitspraak van 8 februari 2017 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam eiser] , te [Woonplaats] , eiser,

en

de minister van Economische Zaken, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 19 januari 2016 (bestreden besluit) van de minister inzake de verplichting om per 7 mei 2016 gebruik te maken van een dienstauto.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 16 november 2016. Eiser is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. van der Bent.

De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.

Overwegingen

1. Eiser is [Naam functie] bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Dit is een ambulante functie (een functie zonder vaste standplaats). Eiser maakte voor de uitvoering van zijn werkzaamheden gebruik van zijn eigen auto en kreeg daar een vergoeding voor.

Bij besluit van 7 mei 2015 (primair besluit) heeft de minister bepaald dat eiser per 1 januari 2016 gebruik moet maken van een dienstauto. Bij het bestreden besluit heeft de minister de bezwaren van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard, maar heeft ook bepaald dat er voor eiser een overgangstermijn geldt van één jaar te rekenen vanaf de datum van het primaire besluit. Dit houdt voor eiser in dat hij uiterlijk met ingang van 7 mei 2016 gebruik moet maken van een dienstauto.

Ter zitting is gebleken dat eiser nog steeds gebruik maakt van zijn eigen auto.

Totstandkoming Regeling dienstauto’s NVWA

2. In 2012 is de Voedsel- en Warenautoriteit (VWA) samengevoegd met de Algemene Inspectiedienst (AID) en de Plantenziektenkundige Dienst (PD). Hieruit is de NVWA ontstaan. Ten behoeve van de samenvoeging van de VWA, AID en PD is er een Overeenkomst Arbeidsvoorwaarden NVWA (Overeenkomst) opgesteld. In deze overeenkomst staat dat ambulante medewerkers een dienstauto krijgen.

3. Het bestreden besluit is gebaseerd op de Regeling dienstauto’s NVWA (Regeling) en het Overgangsbeleid Dienstauto’s NVWA (Overgangsbeleid). De Regeling en het Overgangsbeleid zijn op 13 mei 2014 in werking getreden. De Regeling geeft het beleid van de NVWA weer ten aanzien van het ter beschikking stellen van dienstauto’s.

4. Het is in beginsel aan het bestuursorgaan voorbehouden om – bij het vaststellen van beleid – alle betrokken belangen af te wegen. De bestuursrechter moet het resultaat daarvan respecteren. Dit uitgangspunt lijdt uitzondering indien aan de inhoud of de wijze van totstandkoming van het beleid zodanig ernstige gebreken kleven dat het beleid niet als grondslag kan dienen voor daarop in concrete gevallen te baseren besluiten. Het is daarom niet aan de rechtbank om te bepalen wat het beleid dient te zijn, maar zij kan slechts beoordelen of in redelijkheid tot dit beleid gekomen had kunnen worden. De rechtbank heeft daarbij een zeer terughoudende toets.

Eiser heeft gronden aangevoerd die zien op de totstandkoming of de inhoud van het beleid. De rechtbank zal deze beroepsgronden bespreken aan de hand van de volgende vragen:

5. Is er sprake van strijd met hogere regelgeving?

De hogere regelgeving is in dit geval de Autoregeling LNV. De Autoregeling LNV geeft de Inspecteur-Generaal van de NVWA de bevoegdheid tot het treffen van een regeling ten aanzien van het gebruik van dienstauto’s, met daarbij als enige voorwaarde dat de afweging voor het wel of niet toekennen van een dienstauto moet gebeuren op zakelijke gronden. In de Regeling wordt deze afweging gebaseerd op veiligheid en uitstraling. Dit zijn zakelijke gronden. Naar het oordeel van de rechtbank is de Regeling niet in strijd met de Autoregeling LNV.

6. Is er sprake van kennelijk onredelijk beleid?

De minister voert het beleid dat ambulante medewerkers in het belang van veiligheid en uitstraling in beginsel gebruik moeten maken van een dienstauto. Dit beleid is gebaseerd op de (eerdergenoemde) Overeenkomst. Bij de totstandkoming van deze overeenkomst waren betrokken de Secretaris-Generaal van Economische Zaken, de Inspecteur-Generaal van NVWA, vertegenwoordigers van vier vakbonden en vertegenwoordigers van de ondernemingsraden van de VWA, AID en PD. Deze partijen zijn overeengekomen dat ambulante medewerkers een dienstauto krijgen.

Verder is in overeenstemming met de ondernemingsraad NVWA en de vakbonden een overgangsregeling (Overgangsbeleid) vastgesteld. Ten slotte kan er in individuele gevallen van de Regeling worden afgeweken (artikel 6 van de Regeling).

De rechtbank is niet gebleken dat de Regeling en het Overgangsbeleid op onjuiste wijze tot stand zijn gekomen. Daarnaast acht de rechtbank van belang dat de Regeling en het Overgangsbeleid tot stand zijn gekomen in samenspraak met de vakbonden en de ondernemingsraad. Verder bieden de overgangsregeling en de hardheidsclausule voldoende waarborgen voor de belangen van individuele medewerkers. Er is – met inachtneming van de hiervoor bedoelde terughoudende toets – geen enkele grond voor het oordeel dat het beleid geen stand zou kunnen houden. Dat betekent dat de minister het bestreden besluit heeft kunnen baseren op de Regeling en het Overgangsbeleid.

7. Is er een juiste toepassing gegeven aan het beleid?

Eiser heeft een ambulante functie. Dit betekent dat hij zijn werkzaamheden met een dienstauto moet uitvoeren (artikel 2 en 5 van de Regeling). Daarnaast is het overgangsrecht op eiser van toepassing verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is er een juiste toepassing gegeven aan de Regeling en het Overgangsbeleid.

8. Zijn er omstandigheden op grond waarvan de ‘hardheidsclausule’ (artikel 6 van de Regeling) toegepast had moeten worden?

Eiser heeft in dit kader, samengevat, het volgende aangevoerd. Hij heeft gewetensbezwaren bij het gebruik van een dienstauto van het leasebedrijf Leaseplan. Door de minister worden aan eiser verplichtingen jegens Leaseplan opgelegd, terwijl dit niet van hem geëist kan worden. Zijn privacy wordt geschonden door het verplichte gebruik van een blackbox in de dienstauto. Eiser wordt nu de mogelijkheid ontnomen om een fiets mee te nemen in de auto. Ten slotte verandert de werkgever de afgesproken arbeidsvoorwaarden, zonder financiële compensatie; dit is onrechtmatig.

De rechtbank zal deze punten hieronder bespreken.

Gewetensbezwaren

9. Eiser heeft zijn gewetensbezwaren gebaseerd op de stelling dat er bij Leaseplan sprake is van een leen- en verrijkingscultuur. Daarnaast wordt er volgens eiser bij Leaseplan gebruik gemaakt van milieuvervuilende auto’s met dieselmotor.

De rechtbank is van oordeel dat – gelet op wat eiser in zijn beroepschrift en ter zitting heeft aangevoerd – niet is gebleken van ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren vanwege een godsdienstige of andere diepgewortelde overtuiging. Het beroep van eiser kan op dit punt niet slagen.

Opleggen verplichtingen

10. Eiser heeft aangevoerd dat hij een overeenkomst moet ondertekenen voor het gebruik van een dienstauto. Eiser is van mening dat hij de keuze moet hebben of hij een dergelijke verplichting met Leaseplan aangaat.

Ten eerste heeft eiser geen kopie van de betreffende overeenkomst overgelegd, zodat niet onderbouwd is of en zo ja, welke, verplichtingen eiser dient aan te gaan met Leaseplan. Ten tweede is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken van zwaarwegende redenen waarom niet van eiser verlangd kan worden dat hij ook jegens Leaseplan verplichtingen krijgt. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser gesteld heeft niet van de inhoud van de overeenkomst op de hoogte te zijn, zodat niet is gesteld en evenmin is gebleken dat dat andere of zwaardere verplichtingen zullen zijn dat de verplichtingen die een ambtenaar toch al heeft op grond van het ambtenarenrecht indien hem door de dienst middelen ter beschikking worden gesteld om zijn werk uit te voeren. Het beroep van eiser kan op dit punt evenmin slagen.

Schending privacy

11. Eiser heeft erop gewezen dat elke dienstauto is uitgerust met een blackbox. Volgens eiser ondermijnt de blackbox zijn recht op privacy, door de mogelijkheid van positiebepaling die ook bij privéritten plaatsvindt. Deze privégegevens kunnen volgens hem worden uitgelezen door de werkgever, de Belastingdienst en Leaseplan. Eiser heeft ook niet de mogelijkheid om de blackbox uit te zetten voor privé ritten.

Uit de Werkinstructie digitale rittenregistratie NVWA blijkt dat de start- en stoplocaties van (onder meer) privéritten worden geregistreerd. Ter zitting is namens de minister toegelicht dat de leidinggevende alleen de gegevens van zakelijke ritten kan inzien. De rechtbank overweegt verder dat bij gebruik van een zakelijk beschikbaar gestelde auto ten behoeve van de Belastingdienst een rittenregistratie moet worden bijgehouden, waarbij eiser per rit het vertrek- en aankomstadres moet doorgeven. Indien hij niet wil dat de Belastingdienst inzage krijgt in de adressen die hij om privéredenen bezoekt, dan kan eiser ervoor kiezen om de dienstauto niet voor privéritten te gebruiken. Ten slotte is niet gebleken dat Leaseplan inzage heeft in de gegevens die betrekking hebben op privéritten. Eiser heeft dit in ieder geval niet aannemelijk gemaakt. Van een ongeoorloofde inbreuk van het recht op privacy is de rechtbank dan ook niet gebleken. Het beroep van eiser kan op dit punt dan ook niet slagen.

Het kunnen meenemen van een fiets

12. Eiser heeft aangevoerd dat hij vanaf 1995 verplicht was om zijn privéauto te gebruiken. Hij heeft de functie destijds aanvaard, in de wetenschap dat hij vrij was in de keuze van een auto. Eiser heeft gekozen voor een auto waarin hij een fiets kan meenemen. Deze mogelijkheid wordt eiser nu ontnomen.

De rechtbank overweegt als volgt. Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat een afspraak als gevolg van gewijzigd beleid aangepast wordt, mits daarbij in redelijkheid rekening wordt gehouden met de belangen van betrokkenen. Vaststaat dat ter bescherming van de belangen van de medewerkers van de NVWA het Overgangsbeleid is vastgesteld. Dit overgangsbeleid is in het geval van eiser nog eens zeer coulant toegepast, omdat ter zitting is gebleken dat eiser bij het verrichten van zijn werkzaamheden nog steeds gebruik maakte van zijn eigen auto, die volgens eisers toelichting ter zitting ook al een respectabele ouderdom heeft bereikt.

Ter zitting is namens de minister toegelicht dat de hardheidsclausule is bedoeld voor zeer bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld als er sprake was van medische klachten in combinatie met het rijden van weinig kilometers. De rechtbank is van oordeel dat de minister ten aanzien van het al dan niet kunnen meenemen van een fiets in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen. Eisers beroep kan op dit punt niet slagen.

Geen financiële compensatie

13. De rechtbank overweegt ten aanzien van dit punt als volgt. In het addendum behorende bij de Regeling dienstauto’s NVWA, zoals overeengekomen op 7 juni 2012, inhoudende het Overgangsbeleid Dienstauto’ NVWA, is onder de kop “algemene bepalingen: “ opgenomen: “8. Indien de medewerker van oordeel is dat het overgangsbeleid in zijn individuele situatie niet passend is, wordt de kwestie voorgelegd aan een tripartiete commissie.”

De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn bedenkingen van 29 september 2014, die hij bovendien heeft geadresseerd aan de Tripartiete commissie, heeft aangevoerd dat in het formulier besluitvorming overgangsbeleid dienstauto geen compensatie voor het verlies van inkomen is opgenomen. Uit het primaire besluit blijkt dat eisers bedenkingen niet zijn voorgelegd aan de tripartiete commissie, omdat deze primair gericht zouden zijn op de Regeling. Bij verweer en ter zitting heeft de minister het standpunt gehandhaafd dat het bezwaar om genoemde reden niet hoefde te worden voorgelegd aan de tripartiete commissie.

Op dit punt heeft de minister zijn beleid onjuist toegepast. Eiser heeft in zijn bedenkingen duidelijk aangegeven het niet eens te zijn met het Overgangsbeleid, omdat daarin geen financiële compensatie is opgenomen en hij heeft die bovendien geadresseerd aan de tripartiete commissie. De minister had die bedenkingen dan ook aan een dergelijke commissie moeten voorleggen. Dat eiser ook argumenten heeft genoemd die ertoe zouden moeten leiden dat hij helemaal geen gebruik hoeft te gaan maken van een dienstauto, zodat het overgangsrecht niet aan de orde zou komen, en dat het financiële aspect waarschijnlijk niet alleen voor eiser geldt, maakt dat niet anders.

14. Het beroep zal gegrond worden verklaard en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden.

De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van 13 weken.

15. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed.

Proceskosten

16. Eiser heeft gevraagd om vergoeding van de door hem gemaakte kosten. In het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn nadere regels gesteld over de kosten waarop een proceskostenveroordeling betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

Ten eerste heeft eiser gevraagd om vergoeding van de reiskosten. De reiskosten in beroep van € 32,76 op basis van openbaar vervoer tweede klasse komen voor vergoeding in aanmerking.

Ten tweede heeft eiser gevraagd om vergoeding van de kosten van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Eiser heeft hiertoe een specificatie overgelegd, waaruit blijkt dat hij een gemachtigde heeft geraadpleegd die hem (onder meer) heeft geholpen bij het opstellen van het beroepschrift.

De rechtbank overweegt dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Volgens vaste jurisprudentie wordt voor een door een belanghebbende op eigen naam ingediend beroepschrift geen proceskostenvergoeding toegekend. Dit geldt ook als het beroepschrift door of na advies van een professioneel rechtshulpverlener is opgesteld.

Ter voorlichting aan eiser

17. Ten overvloede merkt de rechtbank het navolgende op. In deze uitspraak zal het beroep gegrond worden verklaard en het bestreden besluit worden vernietigd. De rechtbank heeft echter een aantal beroepsgronden uitdrukkelijk verworpen. Indien eiser daarin niet wil berusten, kan hij hoger beroep in te stellen tegen deze uitspraak.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt de minister op binnen 13 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 32,76.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.