Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:8899

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
24-10-2019
Zaaknummer
02-821434-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

doodslag op vriend, veroordeling tot 10 jaar gevangenisstraf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/821434-15

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 31 januari 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats]

wonende te [adres 1]

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Middelburg

raadsman mr. Remie, advocaat te Tilburg

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 december 2016 - waarna het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 17 januari 2017-, waarbij de officier van justitie, mr. Van Damme, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, terzake dat:

hij op een of meerdere tijdstip(pen),in of omstreeks de periode van 05

november 2015 tot en met 06 november 2015 te Rijen, in de gemeente Gilze en

Rijen, tesamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen

[slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade

van het leven heeft beroofd door die [slachtoffer] :

- ( hard) (met geschoeide voet) tegen het hoofd te schoppen en/of te trappen

en/of tegen het hoofd te slaan en/of te stompen, in elk geval door (fors)

uitwendig (mechanisch en/of stomp botsend en/of kantig) geweld toe te passen

op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] , en/of

- met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp in het hoofd

en/of in de hals te steken en/of te snijden en/of te prikken, en/of

- de keel en/of de hals dicht- en/of samen te drukken en/of dicht- en/of

samengedrukt te houden;

tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de doodslag op [slachtoffer] en baseert zich daarbij op het uitgebreide DNA-onderzoek op grond waarvan volgens het openbaar ministerie geconcludeerd kan worden dat verdachte ten tijde van het plegen van het feit in de woning moet zijn geweest, op de in de woning en op [slachtoffer] aangetroffen schoensporen die -afgezien van de slijtage- overeenkomen met schoenen die onder verdachte in beslag zijn genomen en op de verklaring van verdachte dat hij een soortgelijk (ouder) paar schoenen heeft gehad dat hij op 5 november 2015 heeft gedragen en sinds 6 november 2015 kwijt is. Voorts baseert de officier van justitie zich op het digitaal onderzoek aan de computer en het computerspel dat verdachte zou hebben gespeeld op de avond van 5 november 2015 vanaf ongeveer 22.30 uur tot 02.00 uur. Hieruit volgt dat de verklaring van verdachte op dit punt - zijn alibi - niet kan kloppen. Verder baseert de officier van justitie zich op getuigenverklaringen van buurtbewoners en op de verklaringen van verdachte dat hij al dacht dat er iets was gebeurd waar hij niets meer van wist en dat er momenten zijn waarop hij na gebruik van drank en wiet de controle verliest. De opgevraagde medische gegevens bevestigen dat verdachte woede-uitbarstingen kan krijgen na drank en drugsgebruik en dat hij die dan niet onder controle heeft, aldus de officier van justitie.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op het volgende.

In de woning van [verdachte] is geen enkel spoor gevonden dat kan worden gerelateerd aan de dood van [slachtoffer] , terwijl dat wel te verwachten is indien [verdachte] betrokken zou zijn bij het plegen van het feit. Uit het forensisch onderzoek is immers gebleken dat op de plaats delict sprake was van een uitgebreid bloedspoorpatroon en dat het lichaam van [slachtoffer] na het toebrengen van het letsel nog is verplaatst.

Het wel aantreffen van (DNA-)sporen van [verdachte] in de woning van [slachtoffer] en ook op (de kleding van) [slachtoffer] , zegt daarentegen niets over enige betrokkenheid van [verdachte] bij de dood van [slachtoffer] , nu [verdachte] geregeld bij [slachtoffer] in zijn woning kwam, zijn was deed en [slachtoffer] ook bij [verdachte] in zijn woning kwam om te douchen en zich om te kleden.

Dat er bloed van [verdachte] is aangetroffen op de deurklink van [adres 2] is te verklaren door de verwonding aan zijn vinger en het gegeven dat hij de avond van 5 november 2015 nog bij [slachtoffer] langs is geweest en zegt niets over enige betrokkenheid bij het feit.

Voorts wijst de verdediging op het feit dat er ook verschillende sporen van onbekend gebleven derden zijn aangetroffen in de woning, zoals bijvoorbeeld op de kleding van [slachtoffer] en op het doekje dat op de grond naast [slachtoffer] lag en voorts dat een groot aantal sporen, zoals vastgestelde bloedvegen, bloedsporen en vingerafdrukken, juist niet in verband zijn te brengen met [verdachte] .

De aangetroffen schoensporen zijn niet afkomstig van de schoenen die onder [verdachte] in beslag zijn genomen en onbekend is gebleven van welke schoenen precies de sporen dan wel afkomstig zijn.

Het sporenonderzoek levert aldus geen bewijs op voor betrokkenheid van [verdachte] bij het tenlastegelegde.

Daarnaast voert de verdediging nog aan dat niet kan worden uitgesloten - en op grond van de aangetroffen sporen van onbekende derden zelfs aannemelijk kan worden gemaakt - dat [slachtoffer] door een onbekende derde om het leven is gebracht. Uit geen enkel bewijsmiddel blijkt dat [verdachte] [slachtoffer] nog gezien heeft nadat [slachtoffer] getuige [naam 1] heeft bezocht om 22.15 uur.

[verdachte] had bovendien geen motief en het enkele feit dat hij zich van die bewuste dag vanaf een bepaald moment niets meer kan herinneren, maakt hem geen dader.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Vaststelling van de feiten en omstandigheden.

Op 6 november 2015 werd om 9.55 uur een 112-melding gedaan dat er een dode man was aangetroffen in een woning aan de [adres 2] te Rijen1. De politie ging ter plaatse en trof in genoemde woning het dode lichaam van een man aan die op zijn buik op de grond lag op de scheiding tussen hal en keuken. Hij lag in een plas met bloed en had verwondingen aan zijn hoofd2. De dode man betrof [slachtoffer]3.

Op de vloer in de hal van de woning werden bloedsporen aangetroffen, gelijkend op de stempeling van een bebloede schoenzool. Op de linker-achterzak van de broek van [slachtoffer] stond een spoor, gelijkend op de stempeling van een bebloede schoenzool. Rechts, op kleine afstand van [slachtoffer] lag een rood/paarse opgepropte vezeldoek (hierna: huishouddoekje) met daarop sporen gelijkend op bloed. Links op geringe afstand van het lichaam van [slachtoffer] lag een sleutel op de grond4.

Het lichaam van [slachtoffer] werd onderzocht en uit radiologisch onderzoek voorafgaand aan de sectie volgde een beeld van extern inwerkend geweld op de schedel (scheur oor links, zwelling wang links, oog/zijkant hoofd rechts, een fractuur van de onderkaak en een uitgebreide bloeding in het hersenweefsel, in de hersenkamers en onder de hersenvliezen). In de voorlopige conclusie van het sectierapport is vermeld dat het overlijden kan worden verklaard door verwikkelingen ten gevolge van inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend, kantig geweld op het hoofd al dan niet in combinatie met mogelijk (samen)drukkend en/of omsnoerend geweld aan de hals5.

De conclusie van het pathologie onderzoek luidt dat het intreden van de dood wordt verklaard door verwikkelingen ten gevolge van inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend, mogelijk kantig geweld op het hoofd. De breuk in de onderkaak duidt erop dat de geweldsinwerking op het hoofd heftig is geweest6.

[slachtoffer] is op 6 november 2015 aangetroffen door [naam 2] . [naam 2] was huurder van de woning aan de [adres 2] en [slachtoffer] verbleef met toestemming van [naam 2] tijdelijk in de betreffende woning. [naam 2] heeft [slachtoffer] de avond van 5 november 2015 rond 20.00 uur nog gezien in de woning7.

Op 5 november 2015 om 20.44 uur is er met de bankpas op naam van [slachtoffer] gepind bij [naam 7] te Rijen8. Om 21.07 uur komt er bij de politie een melding binnen dat een persoon vreemd gedrag vertoont ter hoogte van de [naam 8] aan de Hoofdstraat te Rijen9. Om 21.14 uur is [slachtoffer] door politiemensen aangesproken in verband met voornoemde melding. Op de camerabeelden van [naam 8] van de betreffende avond is [slachtoffer] te zien10. Diezelfde avond om 22.15 uur is [slachtoffer] verder nog bij getuige [naam 1] aan de deur geweest op het adres [adres 3] te Rijen en is daar rond 22.25 uur weer vertrokken11.

De benedenbuurvrouw [naam 3] , bewoonster van [adres 4] , hoorde voordat zij om 22.00 uur naar bed ging meerdere stemmen en zware klappen alsof er meubels verschoven werden of met een hamer werd geslagen in de woning [adres 2] . Zij hoorde voorts dat het om 23.00 uur stil was12.

Getuige [naam 4] , bewoonster van [adres 5] , kwam omstreeks 23.33 uur thuis en zag dat er licht brandde in de woning [adres 2] . Zij wist dat [slachtoffer] in de woning verbleef. Terwijl zij aan het douchen was, hoorde zij herhaaldelijk gebonk. Toen zij enig moment later door de spion in haar voordeur keek, zag zij een man op zijn buik op de grond liggen voor de drempel van de voordeur van de buurman met zijn hoofd in de richting van de voordeur. Zij kon niet zien of het [slachtoffer] betrof. [naam 4] is nog een aantal keren gaan kijken door de spion en toen lag de man er nog steeds. Ze hoorde geen geluiden. Iets voor 0.20 uur heeft zij nog een laatste keer gekeken en zag zij de man niet meer liggen. Zij zag wel dat er iemand de voordeur van de woning van [slachtoffer] dichttrok en dat die persoon naar buiten keek13. [naam 4] beschreef de persoon als iemand die zwarte kleding droeg, kleiner was dan [slachtoffer] en die geen kaal hoofd had en geen speciaal kapsel14.

Op 6 november 2015 om 14.07 uur kwam bij de politie een anonieme melding binnen. De melder deelde mee dat hij had gehoord dat [slachtoffer] vermoord was en dat hij - indien de door hem gehoorde informatie juist was - het vreemde gedrag van een vriend van [slachtoffer] wilde melden. Deze vriend betrof [verdachte] . [verdachte] woont tegenover melder en in de buurt is bekend dat [verdachte] regelmatig in een psychose verkeert, dreigbrieven stuurt naar een buurtbewoner en dat [slachtoffer] regelmatig bij [verdachte] op bezoek kwam. Voorts verklaarde melder dat op 5 november 2015 tussen 21.00 en 21.30 uur de muziek in de flat van [verdachte] zo hard stond dat buurtbewoners bij [verdachte] hebben aangebeld. [verdachte] riep daarop dat het nog geen tien uur was en vertoonde raar gedrag15.

Op 8 november 2015 is [verdachte] als getuige gehoord en verklaarde hij dat hij op 5 november 2015 in zijn woning muziek had geluisterd, dat de buren kwamen klagen, dat hij gezegd had dat het nog geen 22.00 uur was maar dat hij om 22.00 uur de muziek toch maar uit had gezet. Voorts verklaarde [verdachte] dat hij vervolgens langs [slachtoffer] is gegaan. Dit was omstreeks 22.00 uur en hij is daar ongeveer tien minuten gebleven waarna hij naar huis is gegaan en tot 02.00 uur heeft gegamed en [slachtoffer] niet meer heeft gezien16.

Op 8 november 2015 is er bij [verdachte] tevens DNA afgenomen en zijn er foto’s van zijn schoenen en handen gemaakt17. Door een verbalisant werd gezien dat [verdachte] een verwonding aan zijn linker wijsvinger had18.

[verdachte] heeft in eerste instantie - als verdachte - verklaard dat de verwonding aan zijn vinger is ontstaan doordat zijn vinger tussen de ketting en het tandwiel van zijn fiets kwam19, maar in zijn derde verhoor als verdachte heeft [verdachte] verklaard dat de wond aan zijn vinger er op 6 november 2015 toen hij wakker werd ineens zat, terwijl hij de wond de dag ervoor nog niet had20.

Door de politie en medewerkers van het NFI is sporenonderzoek uitgevoerd in de woning aan [adres 2] .

Door het team forensische opsporing werd geconcludeerd dat - gezien de positie van de broek en de manier waarop de schoenen aan de voeten van het slachtoffer zaten - het lichaam werd verplaatst. De met bloed gestempelde schoensporen zijn geplaatst met bloed uit de bloedpoel naast de rechterzijde van het hoofd op een moment dat het bloed nog overdraagbaar was. Gezien de plaats van de schoensporen op de kleding, wordt gesteld dat deze schoensporen daar zijn geplaatst na het veranderen van de positie van het slachtoffer21.

Uit een bloedspoor op de deurklink aan de binnenzijde van de voordeur van [adres 2] (SINAAIW1498NL) werd door het NFI een DNA-profiel samengesteld. Uit een vergelijkend DNA-onderzoek bleek dat dit bloedspoor een match oplevert met het DNA-profiel van [verdachte] en dat de kans dat een willekeurig ander persoon dan verdachte hetzelfde DNA-profiel bezit als is aangetroffen in de bemonstering, kleiner is dan één op één miljard 222324. Het is bovendien de verwachting dat dit bloedspoor recent daarop is aangebracht, aangezien het bloedspoor op een zodanige plaats op de deurklink zat, dat bij normaal gebruik hiervan dit spoor al lang afgeveegd zou zijn25.

Op de onderbroek van het slachtoffer werd een lange haar aangetroffen

(SIN:AAIL9481NL#01)26. In de bemonstering van voornoemde haar werd een DNA-mengprofiel vastgesteld waarbij het hoofdprofiel matcht met het DNA-profiel van [verdachte] , waarbij de kans dat een willekeurig ander persoon dan verdachte hetzelfde DNA-profiel bezit als is aangetroffen in de bemonstering, kleiner is dan één op één miljard27.

Op de vloer in de hal werd naast het slachtoffer een sleutel aangetroffen en inbeslaggenomen (SIN: AAIW1462NL) 2829. De sleutel is onderzocht en in de bemonstering werd een DNA-mengprofiel vastgesteld waarbij het hoofdprofiel matcht met het DNA-profiel van [slachtoffer] en het nevenprofiel matcht met het DNA-profiel van [verdachte] , waarbij de kans dat een willekeurig ander persoon dan verdachte hetzelfde DNA-profiel bezit als is aangetroffen in het nevenprofiel, kleiner is dan één op één miljard30.

Voorts werd de bovenzijde van de nagels en het nagelvuil van de handen van [slachtoffer] bemonsterd31 en werd DNA-onderzoek verricht aan die bemonsteringen.

In de bemonstering van de bovenzijde van het nagelvuil van de rechterhand werden DNA-profielen aangetroffen die matchen met het DNA-profiel van [verdachte] . In de bemonstering van de duim werd een DNA-mengprofiel vastgesteld, waarbij het hoofdprofiel matcht met het DNA-profiel [slachtoffer] en het nevenprofiel matcht met het DNA-profiel van [verdachte] waarbij de kans dat een willekeurig ander persoon dan verdachte hetzelfde DNA-profiel bezit als is aangetroffen in het nevenprofiel, kleiner is dan één op één miljard32. In de bemonstering van het nagelvuil van de wijsvinger en pink werd een afgeleid DNA-profiel aangetroffen dat matcht met het DNA-profiel van [verdachte]33.

In de bemonsteringen van het nagelvuil van de onderzijde van de rechterhand werden eveneens DNA-profielen aangetroffen die matchen met het DNA-profiel van [verdachte] . In de bemonstering van de middelvinger werd een DNA-mengprofiel vastgesteld, waarbij het hoofdprofiel matcht met het DNA-profiel van [slachtoffer] en het nevenprofiel matcht met het DNA-profiel van [verdachte] , waarbij de kans dat een willekeurig ander persoon dan verdachte hetzelfde DNA-profiel bezit als is aangetroffen in het nevenprofiel, kleiner is dan één op één miljard. In de bemonstering van het nagelvuil van de wijsvinger werd een afgeleid DNA-profiel aangetroffen dat matcht met het DNA-profiel van [verdachte]34.

Het shirt dat [slachtoffer] droeg toen hij werd aangetroffen is bemonsterd op sporen en uit bemonsteringen van het voorpand van het shirt (SIN AAIL 9471NL) werd een aantal DNA-profielen verkregen. Op de rechter bovenarm aan de voorzijde en op de linker bovenarm aan de achterzijde werd een DNA-mengprofiel aangetroffen van minimaal twee donoren. Het hoofdprofiel matcht met het DNA-profiel van [slachtoffer] en [verdachte] is niet uitgesloten als donor. Op de rechter bovenarm aan de achterzijde werd een DNA-mengprofiel aangetroffen van minimaal drie donoren. Het hoofdprofiel matcht met het DNA-profiel van [slachtoffer] en [verdachte] is niet uitgesloten als donor35.

Naast en op het slachtoffer werden schoensporen, gestempeld in bloed aangetroffen. Door schoenspoordeskundige Swaans werd met behulp van foto’s van de schoensporen (SIN AAIU4166NL en AAIU4167NL36), informatie van referentie-bestanden en van schoenspoordeskundigen uit Duitsland een profiel gevonden dat, voor zover zichtbaar, overeenkwam met het profiel van de aangetroffen schoensporen. Het profiel betrof schoenen van het merk New Rock, type Reactor.

Op 9 november 2015 constateerde schoenspoordeskundige Swaans dat het met bloed geplaatste schoenspoor op de achterzijde van de broek van het slachtoffer hetzelfde profiel betrof als dat van de overige door hem bekeken schoensporen in de woning en dat in het schoenspoor op de spijkerbroek een cirkel met daarin, in spiegelbeeld, de maataanduiding 44 te zien was. In een uit Duitsland ontvangen proefafdrukspoor, werd eveneens in een cirkel de maataanduiding in spiegelbeeld afgedrukt37.

Op 10 november 2015 werden door de politie in de woning van [verdachte] al zijn schoenen gefotografeerd, ten behoeve van een vergelijkend profiel-onderzoek. Door [verdachte] werd vijf paar schoenen ter beschikking gesteld en gefotografeerd38.

Op 13 november 2015 werd [verdachte] door de officier van justitie als verdachte aangemerkt39. Diezelfde dag werd een doorzoeking uitgevoerd in de woning van [verdachte] aan de [adres 1] te Rijen. Bij deze doorzoeking werd een paar schoenen aangetroffen en inbeslaggenomen van het merk New Rock, type Reactor, maat 44 (SIN AAIL4249NL en SIN AAIL4248NL)40. Deze schoenen werden bij het fotograferen op 10 november 2015 niet door [verdachte] aan de politie aangereikt41.

[verdachte] heeft verklaard dat zijn New Rock schoenen bij zijn ouders stonden vanaf 8 november 2015 en dat ze daar ook nog stonden op de dag dat de politie in zijn woning zijn schoenen kwam fotograferen42. Zowel de vader van [slachtoffer] als zijn moeder heeft verklaard dat er geen schoenen van [slachtoffer] bij hen thuis hebben gestaan4344.

Uit een vergelijkend schoensporenonderzoek van de inbeslaggenomen schoenen met de aangetroffen schoensporen is gebleken dat het profiel overeenkomt, de afmetingen praktisch overeenkomen, de maataanduiding in het schoenspoor op de spijkerbroek overeenkomt met de maataanduiding in het geleng van de schoenen, doch dat de slijtageverschijnselen aan de schoenen afwijkingen vertonen met de slijtage, voor zover zichtbaar, in de schoensporen.

De conclusie is dat de schoensporen in deze zaak niet zijn veroorzaakt met (één van) de inbeslaggenomen schoenen. De schoensporen in deze zaak zijn veroorzaakt met schoenen met hetzelfde profiel, dezelfde afmetingen en maataanduiding, maar met verdere slijtage dan de onderzochte schoenen45.

[verdachte] heeft in eerste instantie verklaard niet eerder dergelijke schoenen gehad te hebben46, maar later in zijn verhoor heeft hij verklaard dat hij nog eenzelfde paar schoenen heeft gehad, doch dat hij dat paar na 6 november 2015 niet meer kon vinden47. [verdachte] heeft verklaard dat hij zijn New Rock schoenen de avond van 5 november 2015 aan had, maar dat hij ze - toen hij wakker werd op 6 november 2015 - kwijt was4849. Over de schoenen heeft hij voorts nog verklaard dat deze bijna dezelfde zolen hebben als de schoenen die in beslaggenomen waren en dat hij niemand kent die dit soort schoenen heeft, zeker niet in Rijen50.

[verdachte] had die avond een zwarte trui, met een zwart shirt eronder aan en een spijkerbroek. Zijn haar draagt hij altijd in een staart51.

Voorts heeft [verdachte] nog verklaard dat hij de avond van 5 november 2015 rond 22.00 uur naar [slachtoffer] is gegaan, nadat hij thuis een fles Vermouth had leeggedronken. Hij kan zich niet meer herinneren dat hij daadwerkelijk weg is gegaan bij [slachtoffer] en hij weet niet meer hoe en wanneer hij is thuisgekomen. Hij werd op 6 november 2015 wakker en zijn kamer was een rotzooi, hij was zijn schoenen kwijt en had geen sokken meer aan52.

Naar aanleiding van de verklaring van [verdachte] dat hij op 5 (en 6) november 2015 tussen 22.15 uur en 02.00 uur tijdens het tv kijken op zijn computer bezig is geweest, is de laptop van [verdachte] onderzocht. Uit dit onderzoek volgde dat er tussen 5 november 2015 21.30 uur tot 6 november 2015 6.37 uur geen actieve gebruikersactiviteiten hebben plaatsgevonden53. Nu er uit voornoemd onderzoek tevens volgde dat door een op de computer geïnstalleerd programma ‘Cloud System Booster’ mogelijk relevante gebruikerssporen waren verwijderd en niet meer inzichtelijk waren54, is een rechtshulpverzoek aan de Verenigde Staten gedaan, ter verificatie van de verklaring van [verdachte] dat hij in de nacht van 5 op 6 november 2015 het spel Defiance heeft gespeeld.

Onderzoek naar de gebruikersactiviteit heeft uitgewezen dat de gebruiker met het e-mailadres [mailadres] op 5 november 2015 om 17.22 uur is uitgelogd en op 6 november 2015 om 03.08 uur is ingelogd55.

De officier van justitie heeft de huisarts van [verdachte] gevorderd diens medische gegevens te verstrekken56.

In voornoemde gegevens is te lezen dat [verdachte] op 22 juni 2013 bij een bezoek aan de eerste hulp heeft aangegeven dat hij met een woede-uitbarsting een glazen deur kapot heeft geslagen en dat hij vaker woede-uitbarstingen heeft die hij niet onder controle heeft57. Bij een consult bij de huisarts vertelt [verdachte] dat hij al langere tijd teveel alcohol drinkt en dan soms drie dagen niet aanspreekbaar is en dat hij er soms bijna een psychose door heeft. Op 16 november 2010 heeft [verdachte] in een consult met zijn huisarts gesproken over het feit dat hij in een woedeaanval zijn broertje te lijf is gegaan met een mes, terwijl hij onder invloed was van drank en een joint had gerookt. Voorts is onder ‘huidige probleemlijst’ vermeld: ‘12-2014 alcoholverslaving’58.

bewijsoverwegingen

Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van voornoemde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, boven redelijke twijfel verheven worden vastgesteld dat het [verdachte] is geweest die [slachtoffer] in de periode van 5 november 2015 tot en met 6 november 2015 om het leven heeft gebracht. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende.

In de eerste plaats stelt de rechtbank vast dat uit de bewijsmiddelen onomstotelijk volgt dat [slachtoffer] door geweld van buitenaf om het leven is gebracht.

Voorts volgt uit de bewijsmiddelen dat [verdachte] de avond van 5 november 2015 nog bij [slachtoffer] in zijn woning aan [adres 2] is geweest en dat hij die avond rond 22.00 uur naar hem is toegegaan.

Verder staat vast dat [slachtoffer] tussen 22.15 uur en 22.25 uur nog bij getuige [naam 1] is geweest en dat hij op 6 november 2015 om 09.55 uur door [naam 2] levenloos werd aangetroffen in zijn woning.

Aan de hand van bovenstaande tijdstippen kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat [slachtoffer] tussen 5 november 2015 22.25 uur en 6 november 2015 09.55 uur om het leven is gebracht.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of [verdachte] degene is geweest die [slachtoffer] om het leven heeft gebracht.

Sporenonderzoek in de woning en op het slachtoffer heeft uitgewezen dat er op verschillende plaatsen DNA van [verdachte] is aangetroffen.

In het nagelvuil van [slachtoffer] is DNA van [verdachte] aangetroffen en ook in een bloedspoor op de deurklink van de voordeur van [adres 2] en op een sleutel aangetroffen naast het lichaam van [slachtoffer] is DNA van [verdachte] aangetroffen. Op het shirt van [slachtoffer] werd aan de voor- en/of achterzijde van de bovenarmen een DNA-mengprofiel aangetroffen waarbij het hoofdprofiel matcht met [slachtoffer] en waarbij [verdachte] niet uitgesloten is als donor. Op de achterzijde van de onderbroek van [slachtoffer] is een lange haar aangetroffen waarvan het DNA-hoofdprofiel matcht met het DNA van [verdachte] .

Op de vloer van de woning van [slachtoffer] en op de achterzijde van de broek van [slachtoffer] zijn in bloed gestempelde schoensporen aangetroffen, die zijn veroorzaakt met schoenen met hetzelfde profiel, dezelfde afmetingen en dezelfde maataanduiding als de schoenen

- merk New Rock, type Reactor - die onder [verdachte] in beslag zijn genomen. Enkel de slijtage aan de onderzochte schoenen wijkt af van de geconstateerde slijtage in de aangetroffen schoensporen. Nu [verdachte] heeft verklaard dat hij de avond van 5 november 2015 een oud paar New Rock schoenen aanhad, dat hij - sinds hij de ochtend van 6 november 2015 wakker werd - kwijt is, dat dit eenzelfde paar is met bijna dezelfde zolen als het paar dat in beslag is genomen, acht de rechtbank het zeer aannemelijk dat de in de woning en op het slachtoffer aangetroffen schoensporen, afkomstig zijn van het paar New Rock schoenen dat [verdachte] op de avond van 5 november 2015 droeg en dat het aldus [verdachte] is geweest die die schoensporen heeft gezet. Dit geldt te meer nu [verdachte] zelf heeft verklaard niemand te kennen met dergelijke schoenen en zeker niet in zijn woonplaats Rijen.

Uit forensisch onderzoek is geconcludeerd dat de schoensporen op de achterzijde van de broek van [slachtoffer] daar zijn geplaatst op het moment dat het bloed nog overdraagbaar was en ná het veranderen van de positie van het slachtoffer. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat het niet anders kan zijn dan dat [verdachte] in de woning van [slachtoffer] aanwezig was op het moment dat [slachtoffer] ernstig gewond was.

Weliswaar zijn er - zoals door de verdediging is aangevoerd - op het huishouddoekje sporen aangetroffen die op basis van het huidige door het NFI uitgevoerde onderzoek niet kunnen worden gekoppeld aan [verdachte] en zijn ook op de kleding van [slachtoffer] sporen aangetroffen van een onbekend gebleven derde, uit aanvullend DNA-onderzoek is daarentegen gebleken dat er geen aanwijzingen zijn dat er ten tijde van het toegepaste geweld of kort daarna andere personen in de woning van [slachtoffer] aanwezig zijn geweest. Derhalve ziet de rechtbank in voornoemde sporen geen aanleiding voor de conclusie dat een ander dan [verdachte] het dodelijke letsel aan [slachtoffer] heeft toegebracht.

Naar het oordeel van de rechtbank staan de voornoemde sporen die zijn te herleiden tot [verdachte] , in hun onderlinge samenhang bezien, in relatie tot het toegepaste geweld. Meer in het bijzonder is dit voor wat betreft de schoensporen het geval vanwege de plaats van de afdrukken en gezien het moment dat deze moeten zijn aangebracht, te weten recent nadat de verwondingen zijn ontstaan. Ook van het bloed van verdachte op de deurklink van de woning van [slachtoffer] kan worden gesteld dat dit daar recent terecht is gekomen.

De verklaring die de verdediging heeft gegeven voor de aanwezigheid van DNA van verdachte in het nagelvuil van de rechterhand van [slachtoffer] , namelijk dat [slachtoffer] en [verdachte] vrij kort voor 5 november 2015 in hetzelfde huis woonden waarbij zij spullen deelden en ook samen wel eens een joint rookten waardoor het DNA in het nagelvuil terecht kan zijn gekomen, acht de rechtbank niet aannemelijk. Naar het oordeel van de rechtbank is de kans dat DNA-materiaal van verdachte in nagelvuil van [slachtoffer] is aangetroffen door het enkel aanraken van elkaar als huisgenoten en het delen van spullen zeer gering; de kans dat dat gebeurt als gevolg van een gewelddadige confrontatie of ander intensief contact is veel waarschijnlijker.

Gelet hierop en gezien het feit dat excessief geweld is toegepast, maar er tegelijkertijd geen DNA van dusdanige aard is aangetroffen dat in de richting van een andere persoon wijst terwijl dit gezien de aard van het geweld wel te verwachten was, maakt naar het oordeel van de rechtbank dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte degene is geweest die [slachtoffer] om het leven heeft gebracht.

Dit geldt temeer nu verdachte geen, althans geen redengevende verklaring, heeft kunnen geven voor de aanwezige schoensporen en voor de omstandigheid dat zijn DNA in het nagelvuil onder de nagels van [slachtoffer] is aangetroffen. Evenmin heeft hij een verklaring gegeven voor de aanwezigheid van de sleutel bij het lichaam van [slachtoffer] met zijn DNA en over de oorzaak van de verwonding aan zijn vinger. Verdachte heeft daarmee niets aangevoerd wat het genoemde bewijs kan ontkrachten en zijn betrokkenheid bij het feit kan wegnemen.

Het verweer van de verdediging dat de door [naam 4] beschreven persoon – gezien het signalement – [verdachte] niet kan zijn geweest, verwerpt de rechtbank. [verdachte] droeg die avond zwarte kleding en heeft geen kaal hoofd. Voor wat betreft de opmerking van de getuige dat de persoon ‘geen speciaal kapsel’ had, merkt de rechtbank op dat [verdachte] heeft verklaard dat hij zijn haar altijd in een staart draagt, zodat het naar het oordeel van de rechtbank goed mogelijk is dat het de getuige niet opgevallen is dat de persoon in de deuropening lang haar had. Zij heeft de persoon immers slechts vluchtig gezien in een veelal donkere hal, terwijl zij door een spion in de voordeur keek.

[verdachte] heeft verklaard dat hij de avond van 5 november 2015 na 22.00 uur bij [slachtoffer] op bezoek is geweest om wiet te roken maar dat hij niet meer weet wanneer hij is weggegaan. Wel weet hij zich nog te herinneren dat hij, voordat hij naar [slachtoffer] ging, thuis een hele fles Vermouth had leeggedronken.

In eerste instantie heeft hij verklaard dat hij na tien minuten naar huis is gegaan om daar te wachten tot [slachtoffer] met wiet langs zou komen, dat [slachtoffer] vervolgens niet kwam en dat hij, nadat hij tv had gekeken en had gegamed, rond 02.00 uur is gaan slapen. Later heeft [verdachte] verklaard dat hij niet meer weet wanneer hij bij [slachtoffer] is weggegaan en dat hij enkel weet dat hij - toen hij de volgende ochtend wakker werd - zijn schoenen kwijt was, dat zijn kleding vies was, dat hij een wondje aan zijn vinger had en dat zijn kamer een rotzooi was. Omdat zijn computer aanstond, vermoedt hij dat hij die avond vanaf het moment dat hij thuiskwam tot diep in de nacht de game Defiance heeft gespeeld, omdat hij dit vaker deed. Onderzoek heeft echter uitgewezen dat met het gebruikersaccount van [verdachte] op 5 november 2015 om 17.22 uur is uitgelogd bij de game en pas op 6 november 2015 om 03.08 uur weer is ingelogd. De rechtbank stelt op grond daarvan vast dat de verklaring van [verdachte] – dat hij bij thuiskomst tot ongeveer 02.00 uur de game heeft gespeeld – niet klopt.

De verklaring van [verdachte] dat hij zich niet kan voorstellen dat hij [slachtoffer] om het leven heeft gebracht nu hij daar geen enkele reden toe had en [slachtoffer] een kop groter was dan hij, doet aan het vorenstaande niet af. [verdachte] weet niet meer wat zich die avond heeft afgespeeld. Hij weet enkel dat hij na het leegdrinken van een fles sterke drank naar [slachtoffer] is gegaan en de volgende dag in zijn eigen woning wakker werd. Nu uit zijn medische gegevens en ook uit zijn eigen verklaringen volgt dat hij na het gebruik van drank (en drugs) woede-uitbarstingen kan krijgen die hij niet onder controle heeft, kan dit een verklaring zijn voor hetgeen zich in de avond en nacht van 5 op 6 november 2015 heeft afgespeeld. Uit het forensisch onderzoek is immers gebleken dat [slachtoffer] om het leven is gekomen door hersenfunctiestoornissen als gevolg van uitgebreide traumatische hersenbeschadiging, veroorzaakt door inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend geweld op het hoofd. Een breuk van de onderkaak duidt erop dat de geweldsinwerking op het hoofd heftig is geweest. Dergelijk geweld past bij een dader die handelt in een woede-uitbarsting.

Op grond van het vorenstaande, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank de doodslag op [slachtoffer] wettig en overtuigend bewezen.

Met de officier van justitie acht de rechtbank onvoldoende bewijs aanwezig voor de voorbedachten rade. Immers is niet komen vast te staan dat [verdachte] zich van tevoren gedurende enige tijd heeft (kunnen) beraden op het te nemen besluit. De rechtbank zal [verdachte] dan ook vrijspreken van dat onderdeel van de tenlastelegging en veroordelen voor de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag.

Met de officier van justitie is de rechtbank voorts van oordeel dat niet kan worden bewezen dat [verdachte] het feit samen met een ander of anderen heeft gepleegd, zodat zij hem tevens zal vrijspreken van het tenlastegelegde medeplegen

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank niet alle feitelijke handelingen zoals omschreven in de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen en zal zij verdachte van een gedeelte van die handelingen vrijspreken. Op grond van het dossier kan immers niet worden vastgesteld wat zich precies heeft afgespeeld in de woning van [slachtoffer] en welke handelingen [verdachte] heeft verricht, zodat de rechtbank komt tot onderstaande bewezenverklaring.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

hij op een of meerdere tijdstip(pen),in of omstreeks de periode van 05

november 2015 tot en met 06 november 2015 te Rijen, in de gemeente Gilze en

Rijen, tesamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen

[slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade

van het leven heeft beroofd door die [slachtoffer]:

- (hard) (met geschoeide voet) tegen het hoofd te schoppen en/of te trappen

en/of tegen het hoofd te slaan en/of te stompen, in elk geval door (fors)

uitwendig (mechanisch en/of stomp botsend en/of kantig) geweld toe te passen

op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] , en/of

- met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp in het hoofd

en/of in de hals te steken en/of te snijden en/of te prikken, en/of

- de keel en/of de hals dicht- en/of samen te drukken en/of dicht- en/of

samengedrukt te houden;

tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 12 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, uitgaande van vrijspraak ten aanzien van het aan verdachte ten laste gelegde feit, geen strafmaatverweer gevoerd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zijn vriend [slachtoffer] om het leven gebracht.

Doodslag wordt in ons strafrechtstelsel beschouwd als een van de ernstigste misdrijven.

Dit heeft voor de nabestaanden van [slachtoffer] onherstelbaar leed en verdriet gebracht.

Voor de samenleving is het tevens een schokkend en zeer ernstig feit dat gevoelens van angst en onveiligheid teweegbrengt.

Het nemen van een leven van een ander is een zo ernstig strafbaar feit dat in beginsel alleen een langdurige gevangenisstraf in aanmerking komt.

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de geldende richtlijnen en de persoon van verdachte.

Nu verdachte te kennen heeft gegeven dat hij zich niet kan voorstellen dat hij zijn beste vriend om het leven heeft gebracht, bevreemdt het de rechtbank dat hij ervoor heeft gekozen om niet mee te werken aan een persoonlijkheidsonderzoek en aan het opstellen van rapporten door het NIFP. Dit geldt te meer nu verdachte wel meermalen heeft aangegeven graag te willen weten wat zich op die bewuste avond heeft afgespeeld. Verdachte weet in het geheel niet meer wat hij heeft gedaan sinds hij de woning van [slachtoffer] is binnengegaan, maar zegt dat wel graag te willen weten nu hij het als slopend ervaart dat hij zich niets herinnert. De rechtbank acht het gezien voornoemde verklaring van verdachte niet begrijpelijk dat hij niet alles in het werk heeft gesteld om de waarheid boven tafel te krijgen. De stelling van verdachte dat het meewerken aan de rapportages geen nut heeft omdat dit zijn geheugen niet terugbrengt, kan de rechtbank evenmin volgen. Ofschoon dit de eigen keuze van verdachte is geweest, betekent dit dat de rechtbank niet beschikt over andere informatie over zijn persoon dan hij zelf naar voren heeft gebracht. Met deze (summiere) informatie heeft de rechtbank echter geen inzicht gekregen in mogelijke stoornissen of een mogelijke gebrekkige ontwikkeling dan wel in mogelijke problematiek van andere aard waarmee de rechtbank bij de strafoplegging rekening zou moeten houden.

Nu bij het ontbreken van een persoonlijkheidsonderzoek geen maatregel ter behandeling van verdachte kan worden opgelegd, zal de rechtbank volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf. Alles afwegend en kijkend naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar, met aftrek, passend en geboden.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert een schadevergoeding van € 2.499,72.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezenverklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 6 november 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 24c, 27, 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Doodslag;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij] van € 2.499,72 ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 6 november 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil; (BP.06)

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij] , € 2.499,72 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 34 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd; (BP.04)

Dit vonnis is gewezen door mr. Kouwenhoven, voorzitter, mr. Felix en mr. Vliegenberg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Jansen- van Rooijen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 31 januari 2017.

Mr. Vliegenberg is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het eindproces-verbaal met dossiernummer ZBRAB15007 TGO Bridgwater van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 2309. Wanneer hierna wordt verwezen naar ‘Het forensisch dossier’ wordt bedoeld het eindproces-verbaal Forensisch dossier met dossiernummer PL2000-2015286723-84 van de eenheid Zeeland-West-Brabant, Afdeling specialistische ondersteuning Team Forensische opsporing, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 682. Het proces-verbaal van bevindingen, pv 112 melding, pagina 41A van voornoemd eindproces-verbaal;

2 Het proces-verbaal van bevindingen 1e optreden PD, pagina 747 van voornoemd eindproces-verbaal;

3 Het proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 524-525 en 526-527 van voornoemd eindproces-verbaal;

4 Het proces-verbaal van bevindingen wijze aantreffen lichaam op PD, pagina 752 en 753 van voornoemd eindproces-verbaal;

5 Het voorlopig sectierapport, pagina 262 van voornoemd eindproces-verbaal;

6 Het NFI-rapport Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, pagina 575 en 577 van voornoemd eindproces-verbaal;

7 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 2] , pagina 456-460 van voornoemd eindproces-verbaal;

8 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 559 en 560 van voornoemd eindproces-verbaal;

9 Het mutatierapport d.d. 5 november 2015, pagina 570 van voornoemd eindproces-verbaal;

10 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 565-569

11 Het proces-verbaal verhoor getuige [naam 1] , pagina 663-668 van voornoemd eindproces-verbaal;

12 Het proces-verbaal verhoor getuige [naam 3] , pagina 825 van voornoemd eindproces-verbaal;

13 Het proces-verbaal verhoor getuige [naam 4] , pagina 860 en 861 van voornoemd eindproces-verbaal;

14 Het proces-verbaal verhoor getuige [naam 4] , pagina 864 en 867 van voornoemd eindproces-verbaal;

15 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 183 en 184 van voornoemd eindproces-verbaal;

16 Het proces-verbaal verhoor getuige [naam 6] , pagina 185 e.v. van voornoemd eindproces-verbaal;

17 Het proces-verbaal van bevindingen met bijlagen, pagina 307 e.v. van voornoemd eindproces-verbaal;

18 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 329 van voornoemd eindproces-verbaal;

19 Het proces-verbaal verhoor verdachte, pagina 237 van voornoemd eindproces-verbaal;

20 Het proces-verbaal verhoor verdachte, pagina 242 van voornoemd eindproces-verbaal;

21 Het proces-verbaal forensisch onderzoek, pagina 70 en 71 van voornoemd eindproces-verbaal;

22 Het proces-verbaal forensisch technisch onderzoek, pagina 170 e.v. van het Forensisch dossier;

23 Het rapport van het NFI d.d. 10 november 2015, pagina 535 e.v. van het Forensisch dossier;

24 Het rapport van het NFI d.d. 26 januari 2016, pagina 541 en 542 van het Forensisch dossier;

25 Het proces-verbaal relaas, pagina 15 van voornoemd eindproces-verbaal;

26 Het proces-verbaal forensisch onderzoek, pagina 68 van het Forensisch dossier;

27 Het rapport van The Maastricht Forensic Institute, pagina 649 e.v. van het Forensisch dossier;

28 Het proces-verbaal Forensisch onderzoek, pagina 39 van het Forensisch dossier;

29 Het proces-verbaal forensisch technisch onderzoek, pagina 170 e.v. van het Forensisch dossier;

30 Het rapport van The Maastricht Forensic Institute, pagina 639 van het Forensisch dossier;

31 Het proces-verbaal forensisch onderzoek, pagina 69 van het Forensisch dossier;

32 Het rapport van The Maastricht Forensic Institute, pagina 636 van het Forensisch dossier;

33 Het rapport van The Maastricht Forensic Institute, pagina 636 en 637 van het Forensisch dossier;

34 Het rapport van The Maastricht Forensic Institute, pagina 637 en 638 van het Forensisch dossier;

35 Het rapport van The Maastricht Forensic Institute, pagina 643 en 644 van het Forensisch dossier;

36 Het proces-verbaal forensisch onderzoek, pagina 68 van het Forensisch dossier;

37 Het proces-verbaal vergelijkend schoensporenonderzoek, pagina 410 van het Forensisch dossier;

38 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 1171 e.v. van voornoemd eindproces-verbaal;

39 Het proces-verbaal relaas, pagina 16 van voornoemd eindproces-verbaal;

40 Het proces-verbaal sporenonderzoek, pagina 277 en 279 van het Forensisch dossier;

41 Het proces-verbaal relaas, pagina 17 van voornoemd eindproces-verbaal;

42 Het proces-verbaal verhoor [verdachte] , pagina 238 van voornoemd eindproces-verbaal;

43 Het proces-verbaal verhoor getuige [naam 5] , pagina 975 van voornoemd eindproces-verbaal;

44 Het proces-verbaal verhoor getuige [naam 6] , pagina 991 van voornoemd eindproces-verbaal;

45 Het proces-verbaal vergelijkend schoensporenonderzoek, pagina 409-411 van het Forensisch dossier;

46 Het proces-verbaal verhoor [verdachte] , pagina 239 van voornoemd eindproces-verbaal;

47 Het proces-verbaal verhoor [verdachte] , pagina 241 van voornoemd eindproces-verbaal;

48 Het proces-verbaal verhoor [verdachte] , pagina 241 en 242 van voornoemd eindproces-verbaal;

49 Het proces-verbaal verhoor [verdachte] , pagina 261 van voornoemd eindproces-verbaal;

50 Het proces-verbaal verhoor [verdachte] , pagina 259 en 261 van voornoemd eindproces-verbaal;

51 Het proces-verbaal verhoor [verdachte] , pagina 232 van voornoemd eindproces-verbaal;

52 Het proces-verbaal verhoor [verdachte] , pagina 230, 240-242 van voornoemd eindproces-verbaal;

53 Het proces-verbaal digitaal onderzoek, pagina 1166 van voornoemd eindproces-verbaal;

54 Het proces-verbaal digitaal onderzoek, pagina 1167 van voornoemd eindproces-verbaal;

55 Het proces-verbaal digitaal onderzoek d.d. 21 oktober 2016, los opgenomen in het dossier;

56 Het proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, pagina 331 van voornoemd eindproces-verbaal;

57 Het geschrift, te weten een patiëntbrief van [naam 9] , pagina 340 van voornoemd eindproces-verbaal;

58 Het geschrift, te weten de consultgegevens van huisartsenpraktijk [naam 10] , pagina 334 en 335 van voornoemd eindproces-verbaal;