Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:8466

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-12-2017
Datum publicatie
22-12-2017
Zaaknummer
%17_7376%
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor het realiseren van een evenementenlocatie. Afwijken van het bestemmingsplan op grond van artikel 4, lid 9, van Bijlage II bij het Bor is alleen mogelijk indien géén sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. In casu is géén sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage. Het college heeft terecht besloten om de reguliere voorbereidingsprocedure toe te passen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 17/7376 WABOA VV

uitspraak van 22 december 2017 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekers] , [gemeente plaats] , verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk, verweerder.

gemachtigde: mr. J.A. Mohuddy.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

[naam B.V.] , [gemeente plaats] ,

Procesverloop

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 24 oktober 2017 (bestreden besluit) van het college inzake de aan [naam B.V.] . verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een evenementenlocatie. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 15 december 2017. Verzoekers [verzoeker1] , [verzoeker2] en [verzoeker3] verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door gemachtigde. [naam B.V.] heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger] .

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

[naam vertegenwoordiger] heeft op 11 juli 2017 een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het realiseren van een evenementenlocatie in een gedeelte van het pand, gelegen aan de [adres] [gemeente plaats] .

Bij het bestreden besluit heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘het bouwen van een bouwwerk’ en ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan’. Met betrekking tot de activiteit ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan’ heeft het college de volgende voorwaarden in de omgevingsvergunning opgenomen:

  1. Het houden van evenementen met meer dan 800 bezoekers dient beperkt te blijven tot maximaal 8 per kalenderjaar. Het maximale aantal is in die gevallen 1000 bezoekers.

  2. Bij het houden van evenementen met meer dan 800 bezoekers dient, naast de parkeerplaatsen op eigen terrein, tevens gebruik te worden gemaakt van de contractueel vastgelegde, beschikbare parkeerplaatsen op de percelen [perceel1] , [perceel2] , [perceel3] , [perceel4] en [perceel5] [gemeente plaats] . In totaal gaat het om 252 beschikbare parkeerplaatsen.

  3. Bij elk openbaar evenement, waar bezoekers komen door middel van het kopen van entreekaarten, dient gebruik gemaakt te worden van security (1 per 150 bezoekers) en bij evenementen met meer dan 250 bezoekers dienen parkeerwachters en verkeersregelaars te worden ingezet.

  4. Na afloop van een evenement dient de directe omgeving en de door bezoekers gebruikte toegangswegen te worden nagelopen op mogelijk afval afkomstig van de bezoekers.

2. Verzoekers hebben, kort samengevat, het volgende aangevoerd. Het college heeft op basis van de kruimelregeling niet de bevoegdheid en de plicht om een omgevingsvergunning te verlenen. De aanvraag had beoordeeld moeten worden op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), waarbij de uniforme openbare voorbereidingsprocedure moet worden toegepast. Door dit niet te doen handelt het college in strijd met de wet en heeft het college de inwoners de mogelijkheid ontnomen een concept besluit in te zien en een zienswijze in te dienen. Verder is de gemeenteraad buiten spel gezet. Er is immers geen verklaring van geen bedenkingen nodig bij de kruimelregeling.

Het college stelt ten onrechte dat geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in onderdeel D11.2 van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. De aanvraag had daarom op grond van artikel 5.6 van Bijlage II van het Bor niet op grond van de kruimelregeling beoordeeld mogen worden. De belangen van de omwonenden zijn niet zorgvuldig meegewogen. Zo wordt de Structuurvisie en het bestemmingsplan ter zijde gelegd als het gaat om wat daarin is vermeld van het woon- en leefklimaat in de omgeving.

Er is onvoldoende gereageerd op de toename van geluid en parkeren. Voorts ontstaat er een verkeersonveilige situatie en is de brandveiligheid van het pand niet in orde. In de onderhavige procedure had ook de aangevraagde Drank- en horecavergunning betrokken moeten worden.

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

4. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge het op geldende bestemmingsplan ‘Bedrijventerreinen [gemeente plaats] , 1ste herziening’ rust op de onderhavige locatie de enkelbestemming ‘Bedrijventerrein’, de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 5’, functieaanduiding ‘bedrijf tot en met milieucategorie 3.2’ en gebiedsaanduiding ‘wro-zone - ontheffingsgebied’.

Ingevolge artikel 7.1.1 van de planregels zijn ter plaatse van de aanduiding 'bedrijven tot en met categorie 3.2', bestemd voor het uitoefenen bedrijven en/of bedrijfsactiviteiten behorende tot en met categorie 3.2, zoals vermeld in de bij deze regels behorende en als zodanig deel uitmakende bijlage 1 (Lijst van bedrijfsactiviteiten). Deze bestemming staat

vestiging van een evenementenlocatie ter plaatse niet toe.

Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo bepaalt dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, behoort tot de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

Ingevolge 2.7 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) worden als categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo aangewezen de categorieën gevallen in artikel van Bijlage II.

Op grond van artikel 4, aanhef en negende lid, van Bijlage II van het Bor, komt voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan wordt afgeweken, in aanmerking het gebruiken van bouwwerken, eventuele in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen.

Ingevolge artikel 5, zesde lid, van Bijlage II van het Bor is artikel 4, onderdeel 9, niet van toepassing op een activiteit als bedoeld in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage.

In kolom 1 van onderdeel D11.2 is als mer-beoordelingsplichtige activiteit genoemd ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’.

5. De vraag of alle personen die bezwaar hebben gemaakt en een voorlopige voorziening hebben verzocht, in dit geval als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Awb kunnen worden aangemerkt, behoeft in het kader van deze procedure geen beantwoording, aangezien in ieder geval verzoeker [verzoeker2] , gezien de beperkte afstand van zijn woning tot het pand, als belanghebbende kan worden aangemerkt en naar het oordeel van de voorzieningenrechter in zoverre sprake zal zijn van een ontvankelijk bezwaar.

6. De voorzieningenrechter overweegt dat het college pas op grond van 4, aanhef en negende lid, van Bijlage II van het Bor bevoegd is om de onderhavige omgevingsvergunning te verlenen wanneer de ontwikkeling niet is aan te merken als de aanleg, wijziging of uitbreiding van een van een stedelijk ontwikkelingsproject.

6.1

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) heeft in de uitspraak van 15 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:694) het volgende overwogen: ‘De Afdeling stelt voorop dat het begrip "stedelijk ontwikkelingsproject" ruimte voor interpretatie laat. Mede daardoor kan ook discussie ontstaan over de vraag wanneer sprake is van een wijziging van een dergelijk project. De AbRS legt artikel 2, onderdeel A, van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage niet zo uit dat iedere mogelijk gemaakte wijziging van een stedelijke ontwikkeling, hoe ondergeschikt ook, moet worden aangemerkt als een wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom I, van categorie 11.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage en artikel 2 onderdeel A van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Dat hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij spelen onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol.

6.2

Bij de beoordeling of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject komt geen betekenis toe aan de gebruiksmogelijkheden van het voorgaande bestemmingsplan. Ook is een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit Milieueffectrapportage iets anders dan een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. De aard en omvang van de ontwikkeling dienen op zichzelf te worden bezien. Het project voorziet in de herontwikkeling van een deel (1.106 m²) van een langdurig leegstaand bedrijfspand op een bedrijventerrein in een gemengd gebied. De herontwikkeling vindt plaats in een stedelijke omgeving met meerdere bedrijventerreinen in de nabijheid. Voorts zijn de milieugevolgen van de activiteiten in het pand beperkt en is daarmee ook de aard en omgang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling beperkt. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat sprake is van een beperkte wijziging van het gebruik. Het project is daarom géén stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage. Artikel 5, zesde lid, van Bijlage II van het Bor staat dus niet in de weg aan de bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan op grond van artikel 4, aanhef en negende lid, van Bijlage II van het Bor juncto artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2, van de Wabo.

7. Nu de omgevingsvergunning is verleend met toepassing van 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo volgt uit de Wabo dat college terecht de reguliere voorbereidingsprocedure heeft toegepast. Voorts heeft het college, gelet op het voorgaande, het project terecht niet getoetst aan de zogeheten ladder van duurzame verstedelijking.

8. Bij de beslissing om al dan niet gebruik te maken van zijn bevoegdheid heeft het college beleidsvrijheid, reden voor de bestuursrechter om die beslissing terughoudend te toetsen. Deze toets houdt in dat de bestuursrechter zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen om al dan niet de omgevingsvergunning voor het strijdig gebruik te verlenen.

9. Het plan om ter plaatse af te wijken van het bestemmingsplan is getoetst aan het bestaande ruimtelijke beleid en beoordeeld op de gevolgen voor de leefomgeving. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college op basis van de ruimtelijke onderbouwing heeft kunnen concluderen dat het vestigen van een evenementenlocatie in een deel van het pand aan de [adres evenementenlocatie] aansluit op bestaande beleidskaders en niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

10. Ten aanzien van het door verzoekers ter zitting ingenomen standpunt dat uit de toelichting van het bestemmingsplan volgt dat ter plaatse sprake is van een beperking milieucategorie 1 of 2 merkt de voorzieningenrechter het volgende op. Uit vaste jurisprudentie volgt dat de verbeelding en de daarbij behorende regels bepalend zijn voor het antwoord op de vraag wat ter plaatse op grond van het bestemmingsplan is toegestaan. De niet-bindende plantoelichting heeft alleen betekenis indien de op de verbeelding aangegeven bestemming en de bijhorende planregels waaraan moet worden getoetst, op zichzelf of in onderlinge samenhang bezien, onduidelijk zijn. Van een dergelijke situatie is in het onderhavige geval geen sprake. Uit artikel 7.1.1. van de planregels volgt immers dat de gronden ter plaatse bestemd zijn voor het uitoefenen van bedrijven en/of bedrijfsactiviteiten tot en met categorie 3.2 zoals vermeld in de Lijst van bedrijfsactiviteiten.

11. Voor wat betreft de vraag of voldoende parkeervoorzieningen aanwezig zijn overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Ingevolge artikel 7.1.2, onder a, van de planregels dienen bij het bouwen, het uitbreiden of veranderen van functies (ook in bestaande gebouwen) overeenkomstig het door de gemeente [gemeente plaats] vastgestelde parkeer- en stallingsbeleid, zoals opgenomen in de ‘Parkeerfondsverordening gemeente [gemeente plaats] ’, voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein aanwezig te zijn of te worden gerealiseerd en in stand worden gehouden. De vraag of het college bij de berekening van het aantal parkeerplaatsen terecht is uitgegaan van een evenementenlocatie beantwoordt de voorzieningenrechter bevestigend. Uit zowel de aanvraag als de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften blijkt dat het pand als evenementenlocatie in gebruik wordt genomen. Op grond van zowel de Parkeerfondsverordening als de Nota parkeernormen geldt voor een evenementenhal ter plaatste een norm van 8,5 parkeerplaatsen per 100 m². Met 94 parkeerplaatsen op eigen terrein voldoet [naam B.V.] . aan het gemeentelijk parkeerbeleid.

12. Ten aanzien van de geluidsuitstraling van de evenementenlocatie heeft onderzoeksbureau [naam onderzoeksbureau] (hierna: [naam onderzoeksbureau] ) een akoestisch rapport opgesteld. Uit het rapport blijkt dat onderzoek is gedaan naar de gevolgen van de activiteiten voor de in de buurt van de evenementenlocatie gelegen woningen. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen de reguliere evenementen en de incidentele luidere muziekevenementen. Geconcludeerd is dat de maximale geluidsniveaus ruim voldoen aan de ingevolgde de gemeentelijke notitie geldende grenswaarden. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoekers hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het onderzoek door [naam onderzoeksbureau] onvolledig is of dat aan juistheid van conclusies van het onderzoek moet worden getwijfeld. Verzoekers hebben ook geen deskundig tegenrapport overgelegd.

13. Uit hetgeen onder 11. en 12. is overwogen volgt dat het college zich terecht op het stanspunt stelt dat het afwijken van het bestemmingplan niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de nabij gelegen woningen.

14. Voor het door verzoekers gestelde met betrekking tot de brandveiligheid van het gebouw stelt de voorzieningenrechter vast dat het college de Veiligheidsregio Midden- en West Brabant om advies heeft gevraagd ten aanzien van de realisatie van de evenementlocatie. Op 29 september 2017 heeft de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant aan het college meegedeeld dat de aanvraag voldoet aan het Bouwbesluit 2012. De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding te veronderstellen dat dit niet juist is.

15. De voorzieningenrechter volgt niet het door verzoekers ingenomen standpunt dat in de onderhavige procedure ook de aangevraagde vergunning op grond van de Drank- en Horecawet (DHW) betrokken had moeten worden. In de Wabo zijn hiervoor geen aanknopingspunten te vinden. Voorts is van belang dat de DHW een eigen toetsingskader kent en dat niet het college, maar de burgemeester bevoegd is om een dergelijke vergunning te verlenen.

16. De verwachting is dat de verleende omgevingsvergunning bij de heroverweging in bezwaar in stand zal blijven. Er is dan ook geen reden voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van W.J. Steenbergen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2017.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.