Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:845

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
15-02-2017
Datum publicatie
17-02-2017
Zaaknummer
C/02/321103 / HA ZA 16-677
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Beroepsfout notaris jegens erfgenaam bij opstellen en verstrekken verklaring van erfrecht; schending informatieplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2017-0048

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/321103 / HA ZA 16-677

Vonnis van 15 februari 2017

in de zaak van

[Eiseres] ,

wonende te [Plaatsnaam 1] ,

eiseres,

advocaat: mr. G.C.L. van de Corput te Breda,

tegen

1 [Naam notaris] ,

wonende te [Plaatsnaam 2] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LIGNE NETWERK NOTARISSEN BV,

gevestigd te Bergen op Zoom,

gedaagden,

advocaat: mr. T. Riyazi te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna enerzijds [Eiseres] en anderzijds gezamenlijk gedaagden en individueel de notaris en het notariskantoor genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 30 november 2016 met de daarin vermelde stukken,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie gehouden op 31 januari 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

Gelijk in het proces-verbaal van de comparitiezitting staat vermeld, heeft [Eiseres] ter zitting verzocht om het petitum van de dagvaarding zo te lezen dat waar vermeld staat “legitieme massa” zulks te lezen als “legitieme portie”, hetgeen de rechtbank dienovereenkomstig zal lezen.

2.2.

[Eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat gedaagden jegens [Eiseres] tekort zijn geschoten, althans onrechtmatig hebben gehandeld door te handelen in strijd met de uit artikel 17 Wna voortvloeiende zorgplicht en dat gedaagden dientengevolge gehouden zijn tot vergoeding van de schade van [Eiseres] , bestaande uit de omvang van de legitieme portie uit de nalatenschap van mevrouw [Naam overledene] , de moeder van [Eiseres] , nader op te maken bij staat, met veroordeling van gedaagden in de kosten van dit geding.

2.3.

De notaris voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

De volgende feiten staan in rechte vast:

a. Op 17 november 2007 is de moeder van [Eiseres] , mevrouw [Naam overledene] (hierna: erflaatster) overleden. Erflaatster was in gemeenschap van goederen gehuwd met de heer [Naam echtgenoot] (hierna: [Naam echtgenoot] ). Erflaatster heeft uit een eerder huwelijk 3 kinderen, te weten [Kind 1] , [Kind 2] en [Kind 3] (eiseres). [Kind 2] is in 2014 overleden.

b. [Naam echtgenoot] heeft na het overlijden van erflaatster de notaris verzocht om een verklaring van erfrecht ter zake de nalatenschap van erflaatster op te stellen, hetgeen de notaris heeft gedaan.

c. Uit de door de notaris opgestelde verklaring van erfrecht d.d. 26 november 2007 blijkt dat erflaatster bij testament van 30 december 2005 haar echtgenoot ( [Naam echtgenoot] ) voor één honderdste gedeelte (1/100ste) tot erfgenaam heeft benoemd en twee van haar kinderen, te weten [Eiseres] en haar zus, [Kind 1] , tezamen en voor gelijke aandelen voor het resterende negenennegentig honderdste (99/100ste) deel. Bij voormeld testament is niet afgeweken van de wettelijke verdeling, als gevolg waarvan [Naam echtgenoot] alle goederen van de nalatenschap van erflaatster heeft verkregen, alsmede de voor zijn rekening komende schulden van de nalatenschap. Daarnaast heeft erflaatster een legaat toegekend aan zowel [Kind 2] als aan [Kind 1] .

d. Na het overlijden van haar zus [Kind 2] in 2014 is [Eiseres] op
2 september 2014 in contact gekomen met de notaris en op de hoogte geraakt met het bestaan en inhoud van het testament van erflaatster alsmede met de door de notaris opgestelde verklaring van erfrecht.

e. Bij brief van 19 september 2014 bericht de notaris onder meer het navolgende aan [Eiseres] :

“(…)

Op 2 september jongstleden bent u bij mij geweest in verband met het overlijden van uw zuster en moeder.

Zoals ik u ook al tijdens ons gesprek aangaf, en dat herhaal ik nogmaals, zou ik, indien ik geweten of vermoed zou hebben dat uw zuster in strijd met de wet in haar eentje geld van de rekening van uw overleden zuster zou halen, anders hebben gehandeld.

(…)

Wat de verklaring van erfrecht van uw moeder (uit 2007) betreft, het volgende. De heer [Naam echtgenoot] heeft ons kantoor opdracht gegeven een verklaring van erfrecht op te stellen. De conclusie die in de verklaring van erfrecht is getrokken was dat de heer [Naam echtgenoot] eigenaar van alle eigendommen van uw moeder is geworden en dat hij als enige bevoegd was om over de erfenis van uw moeder te beschikken. Achter die conclusie sta ik nog steeds. Ook in dit dossier zit overigens een kopie van uw legitimatiebewijs. De heer [Naam echtgenoot] heeft mij niet opgedragen u (en uw zuster) actief te benaderen. Met de kennis van nu had ik er indertijd beter aan gedaan dat wel te doen. In zoverre betreur ik de gang van zaken. De termijn om een beroep te kunnen doen op uw legitieme portie, is voorbij. Zoals ik tijdens ons gesprek al aangaf hebt u, voor zover dat nog niet is uitbetaald tijdens het leven van de heer [Naam echtgenoot] , nog wel recht op de geldvordering die u door het overlijden van uw moeder van haar hebt geërfd.(…)”

3.2.

[Eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat de notaris jegens haar toerekenbaar tekort is geschoten, althans onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld als gevolg waarvan zij schade lijdt. [Eiseres] betoogt dat de notaris zijn zorgplicht heeft geschonden omdat hij haar niet heeft geïnformeerd over de inhoud van het testament van erflaatster alsmede omdat de notaris de verklaring van erfrecht heeft opgesteld zonder hierover contact op te nemen met [Eiseres] , zonder haar te vragen om toezending van haar legitimatiebewijs, zonder haar een afschrift te sturen van de opgestelde verklaring van erfrecht, alsmede zonder haar erop te wijzen dat zij een beroep kon doen op haar legitieme portie. De mogelijkheid om een beroep te doen op haar legitieme portie is inmiddels vervallen, terwijl de omvang van de legitieme massa niet bekend is, zo betoogt [Eiseres] .

In dit verband voert [Eiseres] aan dat tot de nalatenschap van erflaatster in ieder geval behoorde een vordering op haar zus [Kind 1] [Eiseres] ter zake een door erflaatster aan haar verstrekte lening van € 182.125,-- in verband met de verkoop van de aan erflaatster in mede-eigendom toebehorende woning aan de [Adresgegevens] . [Eiseres] betoogt dat deze vordering op haar zus van belang is in het kader van het vaststellen van haar legitieme aanspraak in de nalatenschap van erflaatster en thans voor de berekening van haar schade ten gevolge van de fout van de notaris. [Eiseres] wenst haar schade in een schadestaat nader uiteen te zetten.

3.3.

Ter comparitiezitting hebben gedaagden als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat de vordering van [Eiseres] is verjaard. Ter onderbouwing hiervan hebben gedaagden aangevoerd dat [Eiseres] in 2007 bekend had kunnen zijn met de schade en de aansprakelijke persoon. Gedaagden betogen dat op [Eiseres] een onderzoeksplicht rustte, hetgeen zij heeft verzaakt omdat zij wist dat een notaris betrokken was bij de nalatenschap van erflaatster en [Eiseres] aldus op de hoogte had kunnen geraken van de omstandigheid dat zij erfgenaam is van erflaatster. In de visie van gedaagden waren de feiten voor [Eiseres] eenvoudig te achterhalen, zodat [Eiseres] in dit opzicht actiever had dienen te zijn. Hierbij wordt een beroep gedaan op het arrest van de Hoge Raad, NJ 2012, 196.

3.3.1.

Hoewel het beroep op verjaring eerst ter comparitiezitting is gedaan, heeft [Eiseres] hiertegen processueel geen bezwaar gemaakt. [Eiseres] heeft ter comparitiezitting betwist dat sprake is van verjaring, stellende dat zij pas in 2014 bekend is geworden met de schade en de aansprakelijke persoon omdat zij toen pas op de hoogte is geraakt van de omstandigheid dat de notaris in 2007 een verklaring van erfrecht ter zake de nalatenschap van erflaatster heeft afgegeven.

3.4.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het tweede onderdeel van de door [Eiseres] ingestelde rechtsvordering een vordering tot schadevergoeding betreft zodat deze op grond van het bepaalde in art. 3:310 lid 1 BW verjaart door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt. Als uitgangspunt geldt dat voormelde termijn van vijf jaar begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van deze schade in te stellen (HR 24 januari 2003, LJN AF0694, NJ 2003/300 en HR 31 oktober 2003, NJ 2006, 112); het enkele vermoeden van schade volstaat niet (HR 24 maart 2006, NJ 2007, 377). Dat betekent dat de benadeelde voldoende zekerheid - die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn - heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Het begrip ‘bekendheid’ moet naar jurisprudentie van de Hoge Raad subjectief worden opgevat. Vereist is daadwerkelijke bekendheid met de schade en de aansprakelijke persoon. Het gaat om bekendheid met de feiten en omstandigheden; niet is vereist dat de benadeelde ook daadwerkelijk bekend is met de juridische beoordeling van die feiten en omstandigheden (HR 26 november 2004, NJ 2006/115, ECLI:NL:HR:2004: AR1739). Verder geldt dat het beginsel van subjectieve bekendheid in redelijkheid moet worden toegepast. Uiteindelijk hangt het van alle omstandigheden van het geval af of een beroep op verjaring slaagt (HR 9 juli 2010, LJN BM1688, NJ 2012, 194).

3.5.

Zelfs indien in het onderhavige geval veronderstellenderwijs zou worden aangenomen dat [Eiseres] in 2007 had kunnen constateren dat de notaris betrokken was bij de nalatenschap van erflaatster, dan geldt alsnog ingevolge de wet (art. 3:310 lid 1 BW) dat de relatieve termijn van vijf jaar eerst aanvangt op het moment dat [Eiseres] daadwerkelijk bekend is geworden met zowel de schade als de aansprakelijke persoon. Dat moment ligt in ieder geval niet eerder dan omstreeks september 2014. Vast staat immers dat het [Eiseres] eerst in september 2014, nà het overlijden van haar zus [Kind 2] , duidelijk is geworden dat de notaris in 2007 een verklaring van erfrecht ter zake de nalatenschap van erflaatster heeft afgegeven. Dit blijkt ook uit de inhoud van de brief van de notaris van
19 september 2014 aan [Eiseres] , zoals hiervoor weergegeven onder r.o. 3.1 sub e. Dat is het moment waarop [Eiseres] bekend is geworden met het handelen van de notaris en derhalve met de aansprakelijke persoon. Hetzelfde geldt met betrekking tot de vereiste bekendheid met de schade. Tot omstreeks september 2014 was er voor [Eiseres] geen schade nu [Eiseres] ter comparitiezitting onweersproken heeft verklaard dat haar stiefvader ( [Naam echtgenoot] ) nog leefde toen erflaatster overleed en zij er toen vanuit is gegaan dat de nalatenschap van erflaatster aan haar [Naam echtgenoot] toekwam. Dit is juist nu bij testament van erflaatster niet is afgeweken van de wettelijke verdeling waardoor [Naam echtgenoot] als echtgenoot van erflaatster van rechtswege alle goederen van de nalatenschap van erflaatster heeft verkregen, alsmede de schulden van de nalatenschap die voor zijn rekening komen. Daarnaast is [Naam echtgenoot] op basis van het testament van erflaatster voor (1/100ste) tot erfgenaam benoemd én [Eiseres] en haar zus, [Kind 1] , tezamen en voor gelijke aandelen voor het resterende negenennegentig honderdste (99/100ste). Vast staat - zo bleek eerst ter comparitie - dat de stiefvader ( [Naam echtgenoot] ) van [Eiseres] in 2012 is overleden, terwijl gesteld noch gebleken is dat de nalatenschap van erflaatster nadien op enigerlei wijze aan de orde is gekomen. Gelijk in het arrest van de Hoge Raad, NJ 2012, 196 - waarop de notaris een beroep heeft gedaan - dient voor het aanvangen van de verjaringstermijn sprake te zijn van daadwerkelijke bekendheid met zowel de schade als de aansprakelijke persoon, waarbij het enkele vermoeden van het bestaan van schade niet volstaat. Gelijk hiervoor in r.o. 3.4. is overwogen geldt daarbij dat niet vereist is dat [Eiseres] daadwerkelijk bekend is met de juridische beoordeling van de feiten en omstandigheden. Bij deze stand van zaken is derhalve niet relevant of [Eiseres] in 2007 had kunnen ontdekken dat de notaris betrokken was bij de nalatenschap van erflaatster alsmede dat zij erfgenaam van erflaatster was, zoals de notaris tevergeefs betoogt. Nu de zogeheten subjectieve bekendheid van [Eiseres] van 2014 dateert en deze op dit moment nog geen vijf jaar is geleden geldt daarom dat de verjaringstermijn van vijf jaar nog niet is verstreken. Het beroep van gedaagden op verjaring slaagt derhalve niet.

3.6.

Met betrekking tot de vraag of de notaris een beroepsfout kan worden verweten, geldt het navolgende. Voorop gesteld wordt dat partijen hun stellingname hebben gestoeld op de positie van [Eiseres] als legitimaris terwijl vast staat dat [Eiseres] uit hoofde van het testament van erflaatster tevens erfgenaam is van erflaatster. Hieraan doet niet af dat de door [Eiseres] gestelde schade gegrond is op hetgeen zij als legitimaris verkregen zou kunnen hebben. Nu aan de rechtbank ter beoordeling is voorgelegd de vraag of de notaris ten opzichte van [Eiseres] een beroepsfout heeft gemaakt, geldt dat zulks tevens beoordeeld dient te worden vanuit de positie van [Eiseres] als erfgenaam.

3.6.1.

Een notaris dient zijn ambt in onafhankelijkheid uit te oefenen en de belangen van alle bij de rechtshandeling betrokken partijen op onpartijdige wijze en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid te behartigen (zie artikel 17, lid 1, Wet op het Notarisambt (Wna). Daarnaast heeft de notaris in het kader van de op hem rustende zorgplicht een informatieplicht zoals blijkt uit het bepaalde in artikel 43 Wna jo artikel 4 Verordeningen Beroeps- en Gedragsregels van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie. In het onderhavige geval stelt de rechtbank vast dat de notaris na het overlijden van erflaatster in 2007 in opdracht van [Naam echtgenoot] een verklaring van erfrecht heeft opgesteld zonder medeweten van [Eiseres] , zoals ook blijkt uit de inhoud van de door de notaris aan [Eiseres] toegezonden brief van 19 september 2014. In de door de notaris opgestelde verklaring van erfrecht wordt geconstateerd dat door erflaatster een (ouderlijke boedel)verdeling is gemaakt en dat, ingevolge die verdeling aan [Naam echtgenoot] , de aanwezige goederen zijn toegedeeld onder de verplichting alle schulden voor zijn rekening te nemen. Met de door de notaris opgestelde verklaring van erfrecht wordt aldus te kennen gegeven dat er sprake is van een verdeling tussen alle erfgenamen, waartoe ook [Eiseres] behoort. Voorwaarde voor zo’n verdeling is echter wel dat zekerheid verkregen dient te worden dat [Naam echtgenoot] en - in dit geval de andere erfgenamen - de nalatenschap van erflaatster ook hebben aanvaard. Vast staat dat [Naam echtgenoot] de notaris heeft opgedragen de bewuste verklaring van erfrecht af te geven, maar dat de notaris [Eiseres] niet heeft benaderd om te verifiëren of zij de nalatenschap van erflaatster wenste te aanvaarden. Gesteld noch gebleken is dat de notaris bij de zus van [Eiseres] , [Kind 1] , heeft geverifieerd of zij de nalatenschap van erflaatster wenste te aanvaarden. Het nalaten de notaris ter zake voormelde verificatie acht de rechtbank laakbaar en strijdig met hetgeen van een redelijk bekwaam en redelijk handelend notaris mag worden verwacht. Daarnaast heeft de notaris nagelaten om [Eiseres] als erfgenaam te informeren omtrent haar rechtspositie, terwijl in het onderhavige geval reden bestond om alle erfgenamen te informeren omtrent hun (rechts)positie. Dit gezien de omstandigheid dat in het testament van erflaatster een aantal specifieke bepalingen zijn opgenomen zoals de onterving van de zus van [Eiseres] , [Kind 2] , alsmede het toekennen van legaten aan [Kind 2] en [Kind 1] . Nu vast staat dat de door de notaris opgestelde verklaring van erfrecht geheel buiten medeweten van [Eiseres] als erfgenaam is opgesteld en zij hieromtrent niet is geïnformeerd, geldt dat de notaris onzorgvuldig jegens haar heeft gehandeld.

3.6.1.

De rechtbank wijst erop dat dit oordeel overeenstemt met de binnen de beroepsgroep van notarissen geldende regels. De rechtbank wijst hierbij op de uitgangspunten van de Werkgroep deontologie nieuw erfrecht, zoals gepubliceerd in WPNR 2004, 6585 en waarnaar [Eiseres] heeft verwezen. Deze zijn opgesteld om een notaris uitgangspunten te bieden bij de invulling van zijn rol bij de behandeling van een nalatenschap. Uit de inhoud van voormeld stuk blijkt dat voormelde werkgroep als uitgangspunt hanteert dat de notaris die een verklaring van erfrecht afgeeft de door hem vastgestelde erfgenamen aanschrijft en informeert. Dit teneinde de erfgenaam te informeren omtrent zijn rechtspositie en daarmee ook over de positie van derden-belanghebbenden zoals een onterfd kind of een legataris, waarbij met name gedacht wordt aan de (wils)rechten die kunnen worden ingeroepen of relevante termijnen. Gelet hierop en bij gebreke van enige onderbouwing verwerpt de rechtbank de ter comparitiezitting door de notaris afgelegde verklaring dat het ingeval van een wettelijke verdeling niet gebruikelijk is om alle erfgenamen te informeren. Het verstrekken van voormelde informatie behoort immers tot de normale werkzaamheden die moeten worden verricht in het kader van het afgeven van de verklaring van erfrecht, ongeacht of de opdrachtgever daartoe expliciet opdracht heeft gegeven. De rechtbank passeert de ter comparitiezitting afgelegde verklaring van de notaris dat de informatieplicht jegens erfgenamen afhankelijk is van het soort testament, alsmede dat de omstandigheden van het onderhavige geval rechtvaardigen dat [Eiseres] niet is opgeroepen; dit omdat [Naam echtgenoot] een kopie of origineel van het paspoort van [Eiseres] beschikbaar heeft gesteld én omdat sprake was van een goede familiaire verhouding. Nog daargelaten dat de notaris deze stellingname geenszins gemotiveerd heeft onderbouwd, geldt bovendien dat dit argument niet strookt met de geldende wet- en regelgeving, een en ander zoals hiervoor uiteengezet. Met voormelde stellingname wordt miskend dat ingevolge het bepaalde in artikel 17 Wna de notaris zijn ambt onafhankelijk, zorgvuldig en met behartiging van de belangen van alle bij de rechtshandeling betrokken partijen dient uit te oefenen. Afgaan op mededelingen van één erfgenaam (in dit geval [Naam echtgenoot] ), in de wetenschap dat er meerdere erfgenamen zijn en met kennis van de inhoud van het testament van erflaatster, het doen van aannames op basis van door [Naam echtgenoot] beschikbaar gestelde stukken, alsmede het zich laten leiden door vermeende familiaire verhoudingen, zonder zelf onderzoek te doen, noch de overige erfgenamen op enigerlei wijze te verwittigen en te informeren, past geenszins bij de opvattingen over zorgvuldige beroepsuitoefening en de daarbij geldende onafhankelijke en onpartijdige positie van de notaris.

3.7.

Uit het vorenstaande volgt dat de notaris een beroepsfout kan worden verweten en dat hij onrechtmatig jegens [Eiseres] heeft gehandeld. Dat betekent dat gedaagden in beginsel aansprakelijk zijn voor de hierdoor door [Eiseres] geleden schade. [Eiseres] vordert een verwijzing naar de schadestaat. Voor toewijzing van een dergelijke vordering is, wat betreft de elementen causaal verband en schade, voldoende dat de mogelijkheid van causaal verband en schade aannemelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank is aan deze voorwaarde voldaan. Door [Eiseres] is immers onweersproken gesteld dat ten gevolge van het handelen van de notaris de mogelijkheid om een beroep te doen op haar legitieme portie is vervallen, hetgeen juist is gezien het bepaalde in artikel 4:85 lid 1 BW. [Eiseres] heeft voorts onweersproken aangevoerd dat de omvang van de legitieme massa niet bekend is omdat niet alle gegevens bekend zijn, zodat de schade dient te worden opgemaakt bij staat. In dit verband heeft [Eiseres] verder onbestreden aangevoerd dat tot de nalatenschap van erflaatster in ieder geval behoorde een vordering op haar zus [Kind 1] ter zake een mede door erflaatster aan haar verstrekte geldlening van € 182.125,-- in verband met de verkoop van de aan erflaatster in mede-eigendom toebehorende woning aan de [Adresgegevens]
. Gelet op het voorgaande wordt de mogelijkheid aannemelijk geacht dat [Eiseres] schade heeft geleden, zodat haar vordering toewijsbaar is als hierna vermeld in het dictum.

3.8.

Ter zake de door [Eiseres] gevorderde verwijzing naar schadestaat heeft de notaris in de conclusie van antwoord geen enkel verweer opgenomen, maar eerst ter comparitiezitting hiertegen bezwaar gemaakt met het argument dat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake zou zijn van schade, alsmede dat de schade van [Eiseres] niet zou zijn onderbouwd. Daarbij is een beroep gedaan op een beweerde door erflaatster aan [Eiseres] verstrekte lening ad € 11.000,-- waartegen [Eiseres] ter zitting gemotiveerd verweer heeft gevoerd. [Eiseres] heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht bezwaar gemaakt tegen het op dit punt door gedaagden eerst ter comparitiezitting gevoerde verweer. Ter zake de conclusie van antwoord geldt immers dat deze moet voldoen aan het vereiste van concentratie van verweer, zoals verwoord in artikel 128 lid 3 Rv. Dit vereiste betekent onder meer dat ten minste enig principaal verweer moet worden aangevoerd, bij gebreke waarvan het recht vervalt om nadien nog principale verweren op te werpen. In de uiterst summiere conclusie van antwoord hebben gedaagden in het geheel geen verweer gevoerd tegen de vordering van [Eiseres] ter zake de schade en de gevorderde verwijzing naar de schadestaat, zodat van enig principaal verweer geen sprake is, waardoor het recht is komen te vervallen om later alsnog principale verweren op te werpen. Gelet hierop behoeven de eerst ter comparitiezitting op dit punt aan de orde gestelde verweren geen bespreking en beslissing. De ter comparitiezitting door mr. Riyazi gemaakte opmerking dat zij dit punt in de schadestaat procedure en/of in hoger beroep alsnog aan de orde kan stellen, doet niet aan de dwingend door de wet voorgeschreven procesrechtelijke regels voor de onderhavige procedure en aldus aan de verplichting om hieraan in onderhavige procedure te voldoen.

3.9.

Gedaagden zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [Eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 103,54

- griffierecht € 288,00

- salaris advocaat € 904,00 (2 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.295,54

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

verklaart voor recht dat gedaagden jegens [Eiseres] onrechtmatig hebben gehandeld door in strijd te handelen met de uit artikel 17 Wna voortvloeiende zorgplicht;

4.2.

veroordeelt gedaagden de hierdoor door [Eiseres] geleden en nog te lijden schade te vergoeden, bestaande uit de omvang van de legitieme portie uit de nalatenschap van mevrouw [Naam overledene] , de moeder van [Eiseres] , nader op te maken bij staat;

4.3.

veroordeelt gedaagden in de proceskosten, aan de zijde van [Eiseres] tot op heden begroot op € 1.295,54;

4.4.

verklaart dit vonnis, met uitzondering van de verklaring voor recht, uitvoerbaar bij voorraad;

4.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Poerink en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2017.