Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:8445

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
06-12-2017
Datum publicatie
22-12-2017
Zaaknummer
C/02/266206 / HA ZA 13-491
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:4389
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2020:2553
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bewijs door zorgkantoor van fraude door zorgverlener met PGB-gelden niet geleverd. Op primaire grondslag onrechtmatige daad gebaseerde vordering is afgewezen. Op subsidiaire grondslag ongerechtvaardigde verrijking gegronde vordering slaagt wel. Tussenvonnis over ongerechtvaardigde verrijking van zorgverlener als derde. Beschrijving achtergrond PGB-regeling, aanpak PGB-fraude onder oude regeling. Zorgverlener had een en/of bankrekening met één van de budgethouders waarop PGB-gelden werden uitbetaald. Intern rapport zorgkantoor. In eindvonnis wordt geoordeeld dat zorgverlener heeft nagelaten te specificeren dat zij tegenover de aan haar uitbetaalde PGB-gelden door de budgethouders passende zorg aan de bewuste budgethouders heeft verleend. Toewijzing subsidiaire vordering zorgkantoor

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Locatie Breda

Cluster II Handelszaken

zaaknummer / rolnummer: C/02/266206 / HA ZA 13-491

Vonnis van 6 december 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VGZ ZORGKANTOOR BV,

gevestigd te Nijmegen,

eiseres,

advocaat: mr. G.D. Bosman te Veldhoven,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat: mr. J. Nederlof te Tilburg.

Partijen zullen hierna VGZ en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 14 juni 2017 en de daarin vermelde stukken,

  • -

    de conclusie na tussenvonnis van [gedaagde] ,

  • -

    de antwoordconclusie na tussenvonnis van VGZ,

  • -

    het extract uit het audientiëblad van de rolbehandeling van 11 oktober 2017 waarin het verzoek tot het houden van pleidooi van [gedaagde] is afgewezen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

In het tussenvonnis van 14 juni 2017 heeft de rechtbank ter zake de subsidiaire op ongerechtvaardigde verrijking gebaseerde vordering van VGZ jegens [gedaagde] onder meer geoordeeld dat op grond van bepaalde in art. 150 Rv in beginsel op VGZ de stelplicht en de bewijslast rust van haar stelling dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van [gedaagde] . Dit gezien de omstandigheid dat laatstgenoemde deze stelling betwist. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat gezien de inhoud van het door VGZ in het geding gebrachte intern opgemaakte frauderapport en de door haar op dit punt ingenomen stellingname, [gedaagde] niet kan volstaan met een eenvoudige ontkenning van de stellingen van VGZ door onder meer te stellen dat tegenover de aan haar door [naam A] en/of [naam B] betaalde PGB-gelden steeds sprake is geweest van door haar verleende zorg. Gelijk in voormeld vonnis is overwogen, betekent dit dat [gedaagde] haar betwisting deugdelijk dient te motiveren door nader te omschrijven en zo nodig met bescheiden te onderbouwen welke zorgwerkzaamheden zij gedurende de hier van belang zijnde periode heeft verricht en hoeveel tijd hiermee gemoeid is geweest. Zulks gezien de omstandigheid dat [gedaagde] contractspartij is geweest van [naam A] en/of [naam B] zodat zij dient te beschikken over informatie die essentieel is voor de beoordeling van het geschil op dit punt.

2.2.

Met een verwijzing naar de in voormeld vonnis geschetste wet- en regelgeving in het licht van de omstandigheid dat het processueel debat tussen partijen over de door VGZ op de grondslag ongerechtvaardigde verrijking gebaseerde vordering nog niet was gevoerd, heeft de rechtbank onderhavige zaak naar de rol voor conclusie na tussenvonnis verwezen teneinde partijen in de gelegenheid te stellen te voldoen aan hetgeen in meergenoemd vonnis is overwogen. Daarbij is [gedaagde] als eerste in de gelegenheid gesteld om de aard en omvang van de beweerde door haar aan [naam A] en/of [naam B] verleende zorg met stukken te onderbouwen.

2.3.

Bij conclusie na tussenvonnis heeft [gedaagde] haar standpunt dienaangaande verwoord, te weten een beschrijving van de aard van de vermeend door haar aan [naam A] en/of [naam B] verleende zorg met de vermelding van de dagen en tijdspanne waarop dit zou hebben plaatsgevonden. Ter onderbouwing van haar stellingname noemt [gedaagde] kopieën van haar persoonlijke agenda over de jaren 2009 t/m 2011 en meldt zij onder het noemen van de hierop betrekking hebbende productienummers dat zij deze in het geding brengt. Daarnaast verwijst [gedaagde] naar beweerdelijk door haar vervaardigde Excel bestanden waarop de dagen van zorgverlening en de tijdsbesteding zouden zijn vermeld; dit eveneens onder het noemen van de hierop betrekking hebbende productienummers die zij in het geding wenst te brengen. Daarnaast verwijst [gedaagde] naar een aantal door haar bij conclusie van antwoord in het geding gebrachte producties.

2.4.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] niet heeft voldaan aan hetgeen in het tussenvonnis van 14 juni 2017 is overwogen, te weten het met stukken onderbouwen van de aard en omvang van de beweerde door haar aan [naam A] en/of [naam B] verleende zorg. Hoewel zij in haar conclusie diverse producties noemt, heeft zij verzuimd deze in het geding te brengen terwijl zij hiertoe ruimschoots in de gelegenheid is gesteld. Dit betekent dat [gedaagde] de stellingname van VGZ dat [gedaagde] ten koste van VGZ ongerechtvaardigd is verrijkt, onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Hieraan doet niet af dat [gedaagde] in haar conclusie na tussenvonnis een beschrijving heeft gegeven van beweerdelijk door haar verrichte werkzaamheden en hierbij verwijst naar door haar bij conclusie van antwoord in het geding gebrachte producties. Immers, VGZ heeft onder meer met een verwijzing naar het door haar opgestelde intern onderzoeksrapport uitvoerig betoogd - één en ander zoals weergegeven in r.o. 2.10, 2.10.1 en 2.10.2 van meergenoemd tussenvonnis van 14 juni 2017 - dat [gedaagde] tegenover de betreffende door [naam A] en/of [naam B] aan haar betaalde en ter beschikking gestelde PGB-gelden geen, althans onvoldoende passende zorg heeft verleend. Gelet op ontoereikende gemotiveerde betwisting van [gedaagde] geldt dat de rechtbank geen reden heeft te twijfelen aan de inhoud van voormeld rapport. Dit klemt te meer nu [gedaagde] heeft erkend dat wat betreft de door haar verrichte opnamen van de en/of rekening die zij samen met [naam A] had, te weten de bankrekening waarop de PGB-gelden door VGZ werden overgemaakt, sprake is geweest van een ondoorzichtige financiële structuur. Veronderstellenderwijs aannemende dat wel enige zorg door [gedaagde] aan [naam A] en/of [naam B] is verleend, geldt dat zij in het licht van het vorenstaande juist inzichtelijk had moeten maken hoeveel zorg er daadwerkelijk is geleverd. Nu [gedaagde] dit heeft nagelaten, gaat de rechtbank hieraan aldus als onvoldoende onderbouwd voorbij.

2.5.

Bij gebreke van een deugdelijk feitelijk fundament is het voor de rechtbank aldus niet mogelijk om een gefundeerd oordeel te geven over de vraag of en welke zorgwerkzaamheden [gedaagde] gedurende de hier van belang zijnde periode in het kader van de met [naam A] en/of [naam B] afgesloten zorgcontracten heeft verricht en hoeveel tijd hiermee gemoeid is geweest. Het processuele verzuim in voormelde zin aan de zijde [gedaagde] en de hieraan verbonden rechtsgevolgen dienen dan ook voor rekening en risico van [gedaagde] te komen.

2.6.

Dit betekent dat de vordering van VGZ als hierna vermeld in het dictum zal worden toegewezen, met inachtneming van het volgende. Ter zake de gevorderde wettelijke rente geldt dat deze zal worden toegewezen met ingang van 5 juni 2013 nu [gedaagde] bij brief van 27 mei 2013 door VGZ is gesommeerd om binnen zeven dagen na dagtekening van de brief over te gaan tot betaling van het door VGZ gevorderde bedrag. Aan deze sommatie heeft [gedaagde] niet voldaan zodat zij ter zake met ingang van 5 juni 2013 in verzuim verkeert.

2.7.

VGZ vordert tevens een veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de buiten-gerechtelijke incassokosten ad € 2.842,-- vermeerderd met de wettelijke rente. Deze vordering is door [gedaagde] gemotiveerd weersproken.

2.8.

De rechtbank stelt voorop dat voormelde vordering geen betrekking heeft op de Wet normering van de vergoeding voor kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte (de WIK) en één van de situaties zoals bepaald in het daarbij behorende Besluit voor vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (Besluit BIK) van 1 juli 2012; dit volgt eveneens uit de stellingname van partijen. Gelet hierop dient deze vordering te worden beoordeeld naar het recht dat gold vóór de inwerkingtreding van voornoemde regelgeving.

2.8.1.

VGZ stelt ter onderbouwing van haar vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten dat zij een advocaat heeft moeten inschakelen en dat de verrichte werkzaamheden onder meer zien op het redigeren van de stukken, het maken van het dossier, het onderzoeken van verhaalsmogelijkheden, het sturen van brieven, het voeren van gesprekken met VGZ, alsmede de administratieve verwerking van de gegevens. In het licht van de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] geldt dat VGZ nalaat deze werkzaamheden nader te omschrijven en te concretiseren. De rechtbank gaat er daarom bij de beoordeling vanuit dat VGZ haar advocaat heeft ingeschakeld en dat [gedaagde] diverse malen is gesommeerd de vordering te voldoen. Dit is naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende om aannemelijk te achten dat er meer of andere werkzaamheden zijn verricht dan die waarvoor artikel 237 Rv een vergoeding geeft. De door VGZ opgesomde verrichtingen kunnen niet worden beschouwd als buitengerechtelijke werkzaamheden die een vergoeding op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW rechtvaardigen, ook al is de berekening van de buitengerechtelijke kosten gebaseerd op het rapport Voorwerk II. Gelet hierop wordt de bewuste vordering van VGZ afgewezen.

2.9.

VGZ vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 1.105,41 voor verschotten en € 1.421,00 voor salaris advocaat (1 rekest x € 1.421,00), aldus in totaal € 2.526,41.

2.10.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van VGZ worden begroot op:

- dagvaarding € 78,34

- griffierecht € 3.126,00

- getuigenkosten € 248,00

- deskundigen € 3.993,00

- salaris advocaat € 7.105,00 (5 punten × tarief € 1.421,00)

Totaal € 14.550,34

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan VGZ te betalen een bedrag van € 112.635,91 (éénhonderdtwaalfduizendzeshonderdvijfendertig euro en éénennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van

5 juni 2013 tot de dag van volledige betaling;

3.2.

veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 2.526,41, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

3.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van VGZ tot op heden begroot op € 14.550,34 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

3.4.

veroordeelt [gedaagde] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door VGZ volledig aan dit vonnis voldoen, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- € 131,00 aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,
- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening;

3.5.

verklaart voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

3.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Poerink en in het openbaar uitgesproken op 6 december 2017.