Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:8243

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-12-2017
Datum publicatie
19-12-2017
Zaaknummer
02-665431-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verbale bedreiging van burgemeester, politieambtenaar en gemeenteambtenaar. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou passend zijn, maar de eerdere forse veroordelingen in combinatie met artikel 63 Sr staan nu aan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in de weg. Straf: 1 maand voorwaardelijke gevangenisstraf en tenuitvoerlegging van 2 maanden gevangenisstraf die eerder voorwaardelijk waren opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummers: 02/665431-15 + 20-003307-13 (vordering tul)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 december 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1950 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Noord-Holland Noord – HvB Zwaag

raadsman mr. B.J. de Pree, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

Overeenkomstig artikel 369 van het Wetboek van Strafvordering heeft de politierechter de zaak op 17 juni 2015 naar deze kamer verwezen.

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 5 december 2017, waarbij de officier van justitie, mr. Gudde, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is op 17 juni 2015 door de politierechter gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht terzake dat:

1.

hij op of omstreeks 13 maart 2015 te Hulten, gemeente Gilze en Rijen, althans in Nederland, (respectievelijk) (politie)ambtenaar [naam 2] en/of (gemeente)ambtenaar de heer [naam 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend deze de woorden toegevoegd dat hij aan kalasjnikovs en handgranaten kon komen en/of althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of zijn hand/arm achter zijn rug gehouden alsof hij een voorwerp verborgen hield en/of is verdachte (vervolgens) in die houding die [naam 2] op korte afstand genaderd en/of is verdachte op die [naam 2] blijven aflopen - terwijl die [naam 2] naar achteren liep en/of naar achteren werd gedreven en/of heeft verdachte met zijn hand een pistool nagebootst en/of daarbij op/naar het hoofd van die [naam 1] gericht en/of daarbij die [naam 2] en [naam 1] dreigend de woorden toegevoegd dat hij de burgemeester zou neerschieten en (zich richtend tot die [naam 1] en/of [naam 2] "En jou erbij", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 13 maart 2015 tot en met 16 maart 2015 te Hulten, gemeente Gilze en Rijen, althans in Nederland, burgemeester [naam 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [naam 3] dreigend de woorden toegevoegd dat hij, verdachte, het helemaal gehad had met de gemeente en dat hij zelf wel naar het gemeentehuis zou gaan en daar de burgemeester zou neerknallen en/of dat hij met kalasjnikovs en handgranaten naar het gemeentehuis zou gaan en het dan wel zou oplossen en/of dat hij de burgemeester zou neerschieten, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte beide ten laste gelegde feiten heeft begaan. Zij baseert zich daarbij op de verklaringen van de aangevers [naam 2] , [naam 1] en [naam 3] en de deels bekennende verklaring van verdachte.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman is primair van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 kan komen en wijst daarbij op het volgende.

Ten aanzien van feit 1 stellen [naam 2] en [naam 1] zich, nadat verdachte op hen af kwam gelopen, bedreigd te hebben gevoeld. Zij wilden vervolgens weglopen van het terrein van verdachte, maar kwamen even later tot een ander inzicht, toen zij beseften dat verdachte niets in zijn hand had. Zij hebben toen besloten om terug te gaan om verdachte te zeggen dat hij het reinigen van het dak stil moest leggen. Die reactie van [naam 2] en [naam 1] was vreemd als ervan wordt uitgegaan dat zij zich even daarvoor werkelijk bedreigd hadden gevoeld en de vrees hadden dat verdachte zijn bedreigingen daadwerkelijk zou uitvoeren. Blijkbaar hadden beiden niet het idee dat het werkelijk tot een tenuitvoerlegging zou komen van hetgeen verdachte had geroepen of gebaard, en was er geen sprake van een bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

Subsidiair heeft de raadsman verzocht verdachte van feit 1 vrij te spreken voor zover het de bedreiging van [naam 2] betreft. Het toevoegen van de woorden “dat hij aan kalasjnikovs en handgranaten kon komen” en het achter de rug houden van een hand zijn op zich niet bedreigend van aard. Enkel het feit dat verdachte eerder in aanraking was geweest met politie en justitie, zou die situatie dreigend hebben gemaakt. [naam 1] heeft verklaard dat verdachte met zijn hand een pistool heeft nagebootst, daarbij zijn hand naar het hoofd van [naam 1] heeft gericht en hem dreigend de woorden heeft toegevoegd dat hij de burgemeester zou neerschieten en naar [naam 1] toe de woorden “En jou erbij” heeft toegevoegd. [naam 2] zegt dat het zo gegaan is, maar dat de bedreiging gericht was op [naam 1] . [naam 2] kan zich dan onmogelijk persoonlijk bedreigd hebben gevoeld. Er is in het dossier onvoldoende aanwezig om een bedreiging richting [naam 2] bewezen te kunnen achten.

Ten aanzien van feit 2 heeft de burgemeester verklaard dat hij van [naam 1] en/of [naam 2] heeft gehoord dat hij door verdachte met de dood bedreigd is. Ten tijde van het doen van de aangifte wist de burgemeester niet meer dan dat. Welke woorden verdachte gebruikt zou hebben, wist hij niet. Wat de burgemeester in zijn aangifte verklaart is veel te algemeen. Voor een bewezenverklaring van artikel 285 Sr is vereist dat de bedreiging van dien aard was én onder zodanige omstandigheden is gedaan dat bij de burgemeester de redelijke vrees heeft kunnen ontstaan dat hij de dood zou vinden. Die omstandigheden zijn in deze zaak allemaal door latere informatie ingevuld. Daardoor is er niet voldaan aan de vereisten van artikel 285 Sr en moet verdachte worden vrijgesproken van feit 2.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Feiten 1 en 2

Op 13 maart 2015 is [naam 2] , politieambtenaar, in uniform gekleed, samen met [naam 1] , gemeentelijk milieuambtenaar, naar het bedrijfspand aan de [adres] in Hulten, gemeente Gilze en Rijen gegaan om [verdachte] (verdachte) aan te spreken over een milieukwestie. [naam 2] heeft hierover het volgende verklaard. Hem was ambtshalve bekend dat verdachte bekend stond als iemand die in het verleden agressief naar politie en gemeenteambtenaren had gereageerd en dat hij verdacht is geweest van drugs en wapenhandel. Daar aangekomen zijn zij in gesprek geraakt met verdachte. [naam 1] zei dat verdachte moest stoppen met zijn werkzaamheden op het dak, waarna verdachte woedend reageerde. [naam 2] zag dat verdachte naar hem toeliep en hij hoorde dat verdachte op ongeveer een halve meter afstand van hem zei dat de gemeente op moest houden met treiterijen. Verdachte bleef kwaad en met stemverheffing praten. Hij zei dat hij het helemaal gehad had met de gemeente en dat hij zelf wel naar het gemeentehuis zou gaan en daar de burgemeester (de rechtbank begrijpt: burgemeester [naam 3] ) zou neerknallen. Verdachte reageerde erg opgefokt en vertoonde dreigend en intimiderend gedrag naar zowel hem als naar [naam 1] . [naam 2] zag dat verdachte nog dichter tegen hem aan kwam staan en met zijn vinger richting het gezicht van [naam 2] wees. Verdachte zei dat hij zo aan kalasjnikovs en handgranaten kon komen en dat hij daarmee naar het gemeentehuis zou gaan en het dan wel zou oplossen.

[naam 2] zag dat verdachte ook richting [naam 1] agressief reageerde. Hij zag dat verdachte met opgeheven vinger in de richting van [naam 1] wees en een stap in de richting van [naam 1] maakte. Hij zag dat [naam 1] achteruit stapte. Verdachte liep vervolgens zijn schuur in en kwam na een paar seconden er weer uit. Hij zag dat verdachte zijn hand achter zijn rug hield, alsof hij wilde verbergen dat hij iets in zijn linkerhand hield. Hij kreeg de indruk dat verdachte zodanig opgefokt was dat hij in staat was om uit de schuur een slag- of vuurwapen te pakken, waarmee hij hen zou gaan aanvallen. Hij zag dat verdachte op hen af kwam lopen en dat [naam 1] meteen een paar stappen terug deed in de richting van het hek. Verdachte stapte dreigend naar voren en kwam op ongeveer een meter afstand van hem te staan. Hij voelde de dreiging dat verdachte een voorwerp in zijn hand achter de rug hield, dat hij elk moment zou kunnen gebruiken tegen hen. Daarom stapte [naam 2] achteruit. Hij zag dat verdachte weer in zijn richting kwam. Hij stapte achterwaarts wat sneller naar achteren in de richting van het hek, terwijl verdachte met versnelde pas in zijn richting gelopen kwam. [naam 2] voelde zich dusdanig bedreigd door houding en uitdrukking van verdachte en het feit dat hij mogelijk een wapen achter zijn rug in zijn hand had, dat hij besloot om zijn hand naar zijn holster, waar zijn pistool in zat, te brengen. Verdachte liep even later weer terug in de richting van zijn erf.

Even later, nadat hij had gezien dat verdachte niets in zijn hand had, is [naam 2] met [naam 1] teruggegaan om verdachte aan te spreken. Verdachte werd weer kwaad en zei dat hij de burgemeester zou neerschieten. [naam 2] zag dat verdachte met de vingers van zijn rechterhand een vuurwapen nabootste en richting [naam 1] wees. [naam 2] hoorde dat verdachte zei: “En jou erbij”.1

[naam 1] bevestigt deze lezing van het gebeuren grotendeels. Hij verklaart dat hij samen met [naam 2] het terrein van verdachte aan de [adres] in Hulten is opgelopen. Verdachte was hem bekend met betrekking tot eerdere bedreigingen richting de gemeente. Vandaar had hij gevraagd aan de politie of iemand van hen mee kon komen. [naam 2] en hij zijn toen met verdachte in gesprek geraakt. Verdachte zei op een gegeven moment dat hij lak had aan regels en dat hij het getreiter van de gemeente meer dan zat was. Terwijl hij dat zei zag [naam 1] de blik in de ogen van verdachte veranderen en verhief verdachte zijn stem. Daarna liep verdachte in de richting van [naam 2] en zei tegen [naam 2] dat hij kalasjnikovs en pistolen had en dat hij niet bang was om ze te gebruiken. Daarna liep verdachte richting [naam 1] en kwam heel intimiderend dichtbij staan zodat [naam 1] een stapje terug deed. Verdachte was heel erg opgefokt en [naam 1] hoorde dat hij tegen hem riep: “Ik schiet jullie burgemeester kapot en jou erbij” Verdachte maakte daarbij een gebaar met zijn hand richting het hoofd van [naam 1] alsof hij een pistool in zijn hand had en schoot. [naam 1] voelde zich daardoor zeer bedreigd en kreeg het gevoel dat verdachte hem op dat moment ook fysiek aan wilde vallen. Verdachte is de schuur ingegaan en kwam de schuur weer uit met een hand achter zijn rug, waardoor [naam 1] het gevoel had dat hij een wapen achter zijn rug hield. [naam 1] en [naam 2] zijn vervolgens achteruit in de richting van de uitgang van het terrein gelopen. [naam 1] zag en hoorde dat [naam 2] op verdachte bleef inpraten en zijn hand richting zijn riem deed. [naam 2] en hij zijn toen het terrein afgelopen. Nadat zij gezien hadden dat verdachte niets in zijn hand had, zijn zij het terrein weer opgegaan om verdachte formeel te zeggen dat hij het reinigen van het dak stil moest leggen. Verdachte werd weer kwaad en kwam weer intimiderend dichtbij en verhief weer zijn stem. [naam 1] hoorde dat verdachte zei: als je dit doorzet maak ik jou en de burgemeester kapot/dood. [naam 1] voelde zich wederom zeer bedreigd door deze uitspraak en kreeg weer het gevoel dat verdachte hem daar ter plaatse of later wat aan zou kunnen doen. [naam 2] en hij zijn vervolgens vertrokken.2

Verdachte heeft feit 1, zoals dat ten laste is gelegd, deels bekend.

Hij heeft verklaard dat hij [naam 2] en [naam 1] verbaal heeft bedreigd. Hij is naar [naam 1] gelopen, met zijn hand naar voren gestoken, richting het gezicht van [naam 1] . Hij heeft toen iets gezegd in zijn drift, in elk geval de woorden “Ik los het op.”3

Hij heeft verklaard dat hij toen boos was en hij heeft toegegeven dat hij de schuur uitkam met zijn hand achter zijn rug en deed alsof hij een pistool in zijn hand had.4 Hij erkent dat hij dreigend overgekomen kan zijn richting [naam 2] en [naam 1] en dat hij op [naam 1] heeft gewezen met zijn hand en vinger vooruit.5

Feit 1 voorts

De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad voor een bewezenverklaring van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht vereist is dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. Niet vereist is dat er werkelijke vrees is opgewekt. Een uitlating die op zichzelf genomen niet een bedreiging in de zin van artikel 285 Sr oplevert kan niettemin onder omstandigheden die strekking wel krijgen. Die omstandigheden dienen in het algemeen wel in nauw en direct verband te staan met de bedreiging.

In deze zaak heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank door zijn handelen, in woord en gebaar, zoals dat blijkt uit de hiervoor vermelde bewijsmiddelen, een zodanige vrees kunnen opwekken en ook daadwerkelijk opgewekt bij zowel [naam 2] als [naam 1] .

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de feitelijke handelingen en woorden van verdachte in onderling verband en samenhang dienen te worden bezien. Door deze alle apart te bekijken rukt de raadsman die woorden en handelingen ten onrechte uit hun verband.

De rechtbank volgt de raadsman ook niet in zijn stelling dat vrijspraak dient te volgen omdat [naam 1] en [naam 2] na de eerste vermeende bedreiging zijn teruggekeerd, zodat bij hen niet de redelijke vrees kon zijn ontstaan dat zij het leven zouden laten. Vast staat dat na de eerste doodsbedreigingen en het gebaar van verdachte alsof hij een wapen achter zijn rug verborgen hield, [naam 1] en [naam 2] het terrein hebben verlaten en (pas) toen zagen dat verdachte geen wapen in de hand bleek te hebben. De omstandigheid dat zij daarna opnieuw het terrein zijn opgegaan om verdachte aan te spreken, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat eerder bij beiden geen redelijke vrees kon zijn ontstaan dat verdachte zijn geuite bedreigingen ook daadwerkelijk zou uitvoeren, maar hooguit dat de dreiging op het moment van terugkeer minder acuut was geworden.

Dat [naam 1] en [naam 2] verschillend verklaren over het moment waarop met name het gebaar met de wijzende vinger richting het hoofd van [naam 1] plaats vond, doet naar het oordeel van de rechtbank niets af aan de betrouwbaarheid en de kracht van de verklaringen van [naam 1] en [naam 2] . Of dit bedreigende gebaar plaatsvond in de eerste fase (voorafgaande aan het verlaten van het terrein) dan wel in de tweede fase (nadat [naam 1] en [naam 2] waren teruggekeerd), is niet relevant, nu het in beide situaties (vooraf dan wel achteraf) de andere bedreigende situatie versterkt.

Dat verdachte met zijn hand richting het hoofd naar [naam 1] wees, impliceert nog niet dat bij [naam 2] door die handeling niet de redelijke vrees kon ontstaan dat hijzelf ook het leven zou laten. Voorts zijn de overige handelingen van verdachte, mede gelet op de wetenschap bij [naam 2] dat verdachte in het verleden agressief naar politie en gemeenteambtenaren had gereageerd en verdacht is geweest van wapenhandel, reeds van dien aard dat bij [naam 2] de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het niet zou overleven. [naam 2] heeft ook verklaard dat hij zich door de gedragingen van verdachte zodanig bedreigd voelde dat hij zijn hand naar zijn holster deed en op zijn dienstwapen plaatste, een situatie die hij nog nooit in zijn dertigjarige politieloopbaan heeft meegemaakt.6

Het subsidiaire verweer van de raadsman dat ten aanzien van [naam 2] vrijspraak dient te volgen, wordt dan ook door de rechtbank verworpen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van zowel [naam 2] als [naam 1] , wettig en overtuigend is bewezen.

Feit 2 voorts

Naast de verklaringen van [naam 1] en [naam 2] die hiervoor al zijn vermeld, voor zover die betrekking hebben op bedreigende woorden richting de burgemeester, heeft de burgemeester van de gemeente Gilze en Rijen, [naam 3] verklaard7 dat [naam 1] , milieucontroleur van de gemeente Gilze en Rijen, op 13 maart 2015 naar de [adres] te Hulten, gemeente Gilze en Rijen is gegaan. Verdachte is mede-eigenaar van dat bedrijfsterrein. Ter ondersteuning is politieagent [naam 2] meegegaan. De milieucontrole heeft tot ongeveer 12.15 uur geduurd. Direct na het voorval is [naam 3] door [naam 1] en daarna door [naam 2] gebeld. Zij vertelden hem dat verdachte tijdens de controle verbaal agressief was en deed voorkomen dat hij een wapen achter zijn rug hield. Terwijl verdachte verbaal agressief was tegen [naam 1] en [naam 2] werden er ook doodsbedreigingen naar [naam 3] geuit. [naam 3] heeft van [naam 2] en [naam 1] gehoord dat verdachte hem tot twee maal toe bedreigd heeft met de dood. Welke letterlijke woorden verdachte gebruikt zou hebben weet hij niet. [naam 3] kent verdachte in verband met andere criminele feiten, zoals een hennepkwekerij en een eerdere bedreiging. [naam 3] heeft van [naam 2] gehoord dat de situatie dusdanig serieus bedreigend was, dat hij op het punt stond zijn vuurwapen ter hand te nemen. Ook van het telefoontje van [naam 1] was [naam 3] erg geschrokken. Hij voelt zich serieus bedreigd door verdachte.

De rechtbank overweegt dat, naast de eerder genoemde vereisten voor een bewezenverklaring van een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, voor een geval waarin de bedreiging op een indirecte manier plaatsvindt, voor een bewezenverklaring nog vereist is dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de bedreigingen terecht zouden komen bij degene op wie ze betrekking hebben.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich, gelet op de inhoud van de gebezigde bedreigende woorden, de indringende wijze waarop deze werden geuit en de personen tegenover wie deze werden geuit (een politieambtenaar en een gemeenteambtenaar), op zijn minst genomen willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de bedreigingen terecht zouden komen bij burgemeester [naam 3] . Daarnaast konden de bedreigingen gelet op hun aard, hun intensiteit en de achtergrond waartegen deze werden gedaan, te weten dat [naam 3] verdachte kende in verband met een eerdere bedreiging, bij [naam 3] de redelijke vrees doen ontstaan dat verdachte zijn bedreigingen ook daadwerkelijk zou uitvoeren.

Met betrekking tot het verweer van de raadsman dat de burgemeester niet eens wist welke bedreigende woorden door verdachte in zijn richting geuit zouden zijn en dat zijn aangifte onvoldoende concreet is, overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de aangifte van [naam 3] blijkt dat [naam 1] en [naam 2] nog op 13 maart 2015 telefonisch contact met [naam 3] hebben opgenomen en dat er details over het voorval op het terrein van verdachte aan [naam 3] zijn verteld. Dat [naam 3] bij zijn aangifte enkele dagen later niet weet welke woorden precies zijn gebruikt, doet er niet aan af dat hij zich serieus bedreigd voelde en ook gevoeld kán hebben, gelet op wat [naam 1] en [naam 2] hem verteld hebben. Welke woorden door verdachte zijn gebruikt ter bedreiging van [naam 3] , blijkt verder uit de verklaring van [naam 1] en van [naam 3] .

Daarmee acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk - in elk geval in de zin van voorwaardelijke opzet - burgemeester [naam 3] dreigend de in de tenlastelegging onder feit 2 genoemde woorden heeft toegevoegd. Dat niet in de tenlastelegging wordt vermeld dat die bedreigende woorden indirect (namelijk via [naam 1] en [naam 2] ) zijn geuit, doet naar het oordeel van de rechtbank niet aan de bewezenverklaring af.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

hij op of omstreeks 13 maart 2015 te Hulten, gemeente Gilze en Rijen, althans in Nederland, (respectievelijk) (politie)ambtenaar [naam 2] en/of (gemeente)ambtenaar de heer [naam 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend deze de woorden toegevoegd dat hij aan kalasjnikovs en handgranaten kon komen en/of althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of zijn hand/arm achter zijn rug gehouden alsof hij een voorwerp verborgen hield en/of is verdachte (vervolgens) in die houding die [naam 2] op korte afstand genaderd en/of is verdachte op die [naam 2] blijven aflopen - terwijl die [naam 2] naar achteren liep en/of naar achteren werd gedreven en/of heeft verdachte met zijn hand een pistool nagebootst en/of daarbij op/naar het hoofd van die [naam 1] gericht en/of daarbij die [naam 2] en [naam 1] dreigend de woorden toegevoegd dat hij de burgemeester zou neerschieten en (zich richtend tot die [naam 1] en/of [naam 2] "En jou erbij", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

hij in of omstreeks op de periode van 13 maart 2015 tot en met 16 maart 2015 te Hulten, gemeente Gilze en Rijen, althans in Nederland, burgemeester [naam 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [naam 3] dreigend de woorden toegevoegd dat hij, verdachte, het helemaal gehad had met de gemeente en dat hij zelf wel naar het gemeentehuis zou gaan en daar de burgemeester zou neerknallen en/of dat hij met kalasjnikovs en handgranaten naar het gemeentehuis zou gaan en het dan wel zou oplossen en/of dat hij de burgemeester zou neerschieten, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte, ondanks de toepasselijkheid van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden, gelet op de ernst van de feiten. Daarbij is aangevoerd dat de burgemeester en de andere overheidsdienaren een publieke functie hebben die zij zonder aan bedreigingen te worden blootgesteld moeten kunnen uitvoeren en dat duidelijk moet worden gemaakt dat de overheid niet accepteert dat een van haar representanten vanwege het werk wordt bedreigd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman is primair van mening dat, gelet op het gehele juridische voortraject, waarin het Openbaar Ministerie loze beloftes heeft gedaan over de afdoening, en gelet op de ernst van de feiten, de ouderdom van de feiten en de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, een schuldigverklaring zonder straf op zijn plaats is.

Subsidiair heeft de raadsman om een voorwaardelijke taakstraf gevraagd, rekening houdend met straffen die voor soortgelijke zaken worden opgelegd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met de dood van een politieambtenaar, een gemeenteambtenaar en een burgemeester, allen personen met publieke functies. Hij heeft hierdoor een ernstige inbreuk gemaakt op het (privé)leven van deze personen. Dergelijke bedreigingen zijn over het algemeen bijzonder bedreigend en niet te rechtvaardigen, ook niet als er sprake was van negatieve emoties bij verdachte over hem niet welgevallige beslissingen van de overheid. Dat de dreigementen van verdachte zeer ernstig waren blijkt onder meer uit het feit dat [naam 2] , een ervaren politieman, de bedreigingen zodanig serieus heeft genomen dat hij voor het eerst in zijn dertigjarige loopbaan zijn hand op zijn dienstwapen heeft geplaatst en kennelijk rekening hield met het feit dat hij zijn dienstwapen zou moeten gebruiken tegen verdachte. Gemeenteambtenaar [naam 2] en opsporingsambtenaar [naam 1] waren op het bedrijfsterrein van verdachte ter uitoefening van hun overheidstaak. Ambtenaren moeten hun werk kunnen verrichten zonder bedreigingen. Daar komt bij dat een burgemeester in de gelegenheid moet zijn om zijn openbare ambt in alle vrijheid uit te oefenen. Burgers die het niet eens zijn met beslissingen en/of beleid van de gemeente kunnen daartegen via de daarvoor geëigende procedures bezwaar maken. Het is ontoelaatbaar om een burgemeester als openbaar gezagsdrager te bedreigen met de dood. Dergelijke bedreigingen leveren een gevaar op voor het functioneren van ons democratisch stelsel.

De rechtbank is van oordeel dat, gezien de ernst van de feiten en het strafblad van verdachte, in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van substantiële duur passend en geboden zou zijn.

De rechtbank constateert echter dat verdachte:

- op 9 maart 2017 door de Meervoudige Strafkamer van de rechtbank in Amsterdam onherroepelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaar en 7 maanden in verband met overtreding van artikel 140 Sr, artikel 26 van de Wet wapens en munitie (Wwm) en artikel 2 onder C van de Opiumwet;

- op 23 januari 2017 door de Meervoudige Strafkamer van deze rechtbank is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 27 maanden in verband met overtreding van artikel 151 Sr en artikel 26 van de Wwm, welk vonnis nog niet onherroepelijk is.

Deze strafzaak had bij die strafzaken waarin een veroordeling is uitgesproken gevoegd kunnen worden. De vraag die de rechtbank zich op grond van artikel 63 Sr dient te stellen is of een nu op te leggen straf in combinatie met de eerder opgelegde straffen het wettelijk maximum al dan niet overschrijdt. Verder is in dit verband volgens vaste jurisprudentie van belang in hoeverre de eerder opgelegde straffen van 5 jaar en 7 maanden en van 27 maanden, hoger zouden zijn geweest wanneer deze zaak bij die eerdere veroordelingen betrokken zou zijn.

De rechtbank is van oordeel dat het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) met ruim een half jaar, in dit geval aan het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in de weg staan.

Anderzijds is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de aard en ernst van de feiten, niet kan worden volstaan met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht of een voorwaardelijke taakstraf, zoals bepleit door de raadsman.

Alles overwegende acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van voorarrest, passend en noodzakelijk.

Deze voorwaardelijke straf dient er ook toe om te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst wederom schuldig maakt aan strafbare feiten.

7 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf van 2 maanden die aan verdachte is opgelegd bij arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 8 oktober 2014 ten uitvoer zal worden gelegd.

De raadsman heeft verzocht de vordering af te wijzen, nu de strafbare feiten waarop genoemd arrest is gebaseerd, zijn gepleegd op 14 december 2011 en er inmiddels 6 jaren zijn verstreken.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbaar feiten en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden.

Met name wijst de rechtbank erop dat deze strafbare feiten zijn gepleegd 5 maanden nadat het arrest van het gerechtshof is gewezen, dus kort na deze veroordeling.

De rechtbank is voorts van oordeel dat niet van omstandigheden is gebleken die aan een tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf aan de weg zouden kunnen én moeten staan. Dat de feiten waarvoor verdachte door het gerechtshof in oktober 2014 onherroepelijk is veroordeeld inmiddels 6 jaar geleden zijn gepleegd, maakt dat niet anders. Het gaat er immers om dat de feiten gedurende de proeftijd zijn gepleegd en dat verdachte toen wist dan wel behoorde te weten dat deze voorwaardelijke straf boven zijn hoofd hing en desondanks korte tijd nadien opnieuw fors in de fout is gegaan.

Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14g, 27, 57, 63 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

feit 2: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 maand;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd van twee jaren na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij arrest d.d. 8 oktober 2014 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 20-003307-13 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf van 2 maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. Kooijman, voorzitter, mr. Breeman en mr. Schotanus, rechters, in tegenwoordigheid van De Roos, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 19 december 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2015069949 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 36. Het proces-verbaal van aangifte [naam 2] , pagina’s 6 tot en met 8.

2 Het proces-verbaal van aangifte [naam 1] , pagina’s 12 en 13.

3 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina’s 24 en 26.

4 De verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van 18 juli 2017.

5 De verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van 5 december 2017.

6 Het proces-verbaal van aangifte [naam 2] , pagina 7.

7 Het proces-verbaal van aangifte [naam 3] , pagina 10.