Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:8187

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
14-12-2017
Datum publicatie
24-01-2018
Zaaknummer
AWB 16_3871
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:1975, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

16/3871 ea

Informatiebeschikkingen; artikelen 47, 52, 52a en 53 AWR en 3.92 Wet IB 2001.

Belanghebbende heeft een afspraak met derden dat deze de belastingschulden van zijn BV betalen. Belanghebbende betaalt daarna de aan de Belastingdienst betaalde bedragen contant aan deze derden terug met geld dat hij leende van een tante. Dit contante geld werd door de derden gebruikt om buiten het zicht van hun familie te gokken. De derden betaalden meer dan de openstaande belastingschulden, waarna de Belastingdienst het teveel betaalde aan de BV terugbetaalde. De inspecteur heeft aan belanghebbende informatiebeschikkingen opgelegd om inzicht te verkrijgen in de contante geldstromen tussen belanghebbende en de derden. Naar het oordeel van de rechtbank is dit terecht. Belanghebbende heeft verklaard de namen van de derden niet bekend te willen maken aan de Belastingdienst, vanwege de cultuur binnen de Aziatische gemeenschap waarvan hij en de derden deel uitmaken. Gelet hierop wijst de rechtbank belanghebbendes verzoek tot het buiten toepassing laten van de omkering van de bewijslast af.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 47
Algemene wet inzake rijksbelastingen 52
Algemene wet inzake rijksbelastingen 52a
Algemene wet inzake rijksbelastingen 53
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/173
V-N 2018/10.5 met annotatie van Redactie
NLF 2018/0465 met annotatie van Anneke Nuyens
Viditax (FutD), 25-01-2018
FutD 2018-0264 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2018/502 met annotatie van mr. drs. F de Jong
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 16/3871 tot en met 16/3874, 16/4957 tot en met 16/4960, 17/515 en 17/517

uitspraak van 14 december 2017

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [plaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur,

en

de Minister voor Rechtsbescherming (derde-belanghebbende).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende over de jaren 2009 tot en met 2013 tien informatiebeschikkingen in de zin van artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) opgelegd.

1.2.

De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van respectievelijk 4 mei 2016, 17 juni 2016 en 28 december 2016 de informatiebeschikkingen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brieven van respectievelijk 13 juni 2016, 28 juli 2016 en 27 januari 2017, ontvangen bij de rechtbank op respectievelijk 14 juni 2016, 29 juli 2016 en 30 januari 2017, beroep ingesteld. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van 10 maal € 46; € 460.

1.4.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft bij brieven van 23 februari 2017 en 30 juni 2017 zijn beroepschriften nader gemotiveerd.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2017 te Breda. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt waarin tevens is vermeld wie daar zijn verschenen en gehoord. Van dat proces-verbaal is een afschrift aan deze uitspraak gehecht.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende is bedrijfsadministrateur en belastingadviseur. Hij is directeur van [de BV] (hierna: de BV). Hij houdt alle aandelen in de BV.

2.2.

Op 10 oktober 2014 heeft de inspecteur een boekenonderzoek bij de BV aangekondigd. Het onderzoek had betrekking op de heffing van omzetbelasting, vennootschapsbelasting en loonheffingen. Het onderzoek is gestart op 6 januari 2015.

2.3.

Belastingschulden van de BV zijn in de periode 2009 tot en met 2013 betaald door derden. Vaak is door hen ook meer betaald dan het verschuldigde. Belanghebbende heeft deze derden vervolgens in contanten terugbetaald.

2.4.

De inspecteur heeft bij e-mails van 30 januari 2015 en 25 maart 2015 en brief van 11 augustus 2015 vragen aan belanghebbende gesteld. In zijn e-mail van 25 maart 2015 schrijft de inspecteur bij vragen 10 en 11:

“10) Graag wil ik de administratieve vastleggingen van alle betalingen door relaties aan de Belastingdienst en de terugbetalingen(aflossingen) door [belanghebbende]aan die relaties. Van iedere betaling wil ik kunnen zien door wie die betaald is en wanneer die persoon zijn geld terug heeft gekregen van [belanghebbende] (...).

11) Graag wil ik de namen en adresgegevens van alle betrokken relaties die belastingaanslagen van [de BV] hebben betaald. (...).”

In zijn brief van 11 augustus 2015 schrijft de inspecteur:

“(...). De vragen hebben betrekking op de belastingheffing van [de BV] en [belanghebbende].

(...)

10) Ik ben van mening dat sprake is van een zakelijke schuld van [de BV]. Daarom dient daar ook een administratie van te zijn bijgehouden en bewaard. Maar zelfs als het een privé schuld van [belanghebbende] is, moet ook dan een administratie van het verloop van de gestorte bedragen worden bijgehouden en is hij op grond van art. 47 AWR verplicht deze gegevens te verstrekken. (...).

11) (...). Ik verzoek u mij (...) de namen, adressen en woonplaatsen te geven van de personen die in de periode van 2009 tot heden geld hebben geleend aan [belanghebbende] en/of [de BV] of bedragen hebben voorgeschoten voor [belanghebbende] en/of [de BV]. Tevens ontvang ik graag per geldverstrekker de hoogte en een specificatie van het verstrekte bedrag. (...).”

2.5.

Op 16 oktober 2015 worden met betrekking tot de jaren 2010 tot en met 2013 aan belanghebbende op de voet van artikel 52a van de AWR acht informatiebeschikkingen opgelegd. De informatiebeschikkingen hebben betrekking op de verplichtingen in de zin van artikel 47, 52 en 53 van de AWR. Vier informatiebeschikkingen - steeds één per jaar - betreffen de verplichtingen van artikel 52 van de AWR, de andere vier betreffen de verplichtingen van de artikelen 47 en 53 van de AWR.

2.6.

Met dagtekening 14 september 2015 is aan belanghebbende over het jaar 2009 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting met een vergrijpboete van 100% opgelegd. Belanghebbende heeft hiertegen tijdig bezwaar gemaakt. Na het instellen van bezwaar heeft de inspecteur met dagtekening 18 november 2015 aan belanghebbende met betrekking tot het jaar 2009 twee informatiebeschikkingen opgelegd. Eén informatiebeschikking betreft de verplichtingen in de zin van artikel 52, de andere de verplichtingen in de zin van artikelen 47 en 53 van de AWR.

2.7.

De informatiebeschikkingen met betrekking tot de verplichtingen van artikel 52 van de AWR vermelden:

“(...). De vorderingen van u op de BV (...) vallen onder de ‘terbeschikkingsstellingsregeling’ zoals genoemd in artikel 3.92 van de Wet Inkomstenbelasting. Hiervan bent u verplicht een administratie te voeren op grond van artikel 52 lid 2-d van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen.

De (…) schulden die u bent aangegaan bij derden vallen ook onder artikel 3.92 omdat dit schulden zijn die rechtstreeks samenhangen met de vordering van u op de BV. (…) Ik heb vastgesteld dat door u in het geheel geen administratie is gevoerd van de werkzaamheid als bedoeld in artikel 3.92;

  • -

    er zijn geen vastleggingen van de bedragen die derden aan u ter beschikking hebben gesteld.

  • -

    er zijn geen vastleggingen van de bedragen die u ter beschikking heeft gesteld aan de BV.

  • -

    er zijn geen vastleggingen van de terugbetalingen door u aan de derden.

  • -

    de vorderingen van u op de BV en de schulden van u aan derden zijn niet aangegeven in uw aangiften inkomstenbelasting.(...).”

2.8.

De informatiebeschikkingen met betrekking tot de verplichtingen van artikelen 47 en 53 van de AWR vermelden:

“(…) Wie zijn de derden (namen en adressen) die aan de Belastingdienst de belastingaanslagen en -aangiften van de BV hebben betaald?

  • -

    In welke relatie staan deze derden tot u of de BV?

  • -

    Op welke wijze werd door u bijgehouden welke bedragen door derden aan de Belastingdienst waren betaald en welke bedragen door u aan hen waren terugbetaald?

  • -

    Op welke data en voor welke bedragen hebben welke personen geld ten behoeve van de BV betaald aan de Belastingdienst?

(…).”

2.9.

Belanghebbende heeft geld geleend van de tante van zijn echtgenote, mevrouw [W.] (hierna: W.). W. woont in Hong Kong.

3 Geschil

3.

3.1.

In geschil is of de informatiebeschikkingen terecht zijn opgelegd. Het geschil spitst zich toe op twee vragen:

1. Heeft belanghebbende voldaan aan zijn administratieplicht in de zin van artikel 52 van de AWR?

2. Moet belanghebbende op grond van artikel 47 van de AWR de namen van bepaalde personen, in de gedingstukken bevoorschotters genaamd, aan de inspecteur bekend maken?

Belanghebbende beantwoordt vraag 1 bevestigend en vraag 2 ontkennend, de inspecteur beantwoordt vraag 1 ontkennend en vraag 2 bevestigend.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en ter zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en de informatiebeschikkingen. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

4.

4.1.1.

Belanghebbende heeft eerst - ter informatie - het volgende gesteld. Belanghebbende had het probleem dat hij op een gegeven moment de belastingschulden van de BV niet meer kon voldoen. Cliënten van de BV en collega’s en vrienden van belanghebbende (de bevoorschotters) hadden het probleem dat zij niet bij Holland Casino konden gokken zonder dat hun levenspartners via bankafschriften waarop te zien was dat zij ’s nachts bij Holland Casino geld hadden opgenomen, lucht van dit gokken kregen. Belanghebbende heeft als oplossing voor beide problemen de volgende structuur bedacht. De bevoorschotter betaalt één of meer belastingschulden van de BV. Belanghebbende betaalt de bevoorschotter met geld dat hij van W. had geleend in contanten terug. Daardoor krijgt belanghebbende een vordering op de BV, die in rekening-courant in de administratie van de BV wordt bijgehouden. Afhankelijk van de gokbehoefte van de bevoorschotter betaalt de bevoorschotter meer dan de belastingschuld van de BV, waarna de Belastingdienst het teveel betaalde aan de BV (terug)betaalt. Soms laat belanghebbende meerdere bevoorschotters dezelfde belastingschuld van de BV betalen. De contante betalingen van belanghebbende aan de bevoorschotters zijn niet op schrift op anderszins vastgelegd. Vanwege de cultuur die geldt binnen de Aziatische gemeenschap waarvan belanghebbende en de bevoorschotters deel uitmaken, mag belanghebbende op straffe van rancune en represailles de namen van de bevoorschotters niet bekend maken. Hierin is, naast het belang van voorkomen van omkering en verzwaring van de bewijslast, het belang van de beroepen gelegen.

4.1.2.

Belanghebbende stelt dat de informatiebeschikkingen ten onrechte zijn opgelegd en voert hiertoe het volgende aan. De inspecteur heeft ten onrechte voor het eerst pas in de informatiebeschikkingen vragen gesteld over de belastingheffing bij belanghebbende zelf, en hij heeft ook desgevraagd nooit gemotiveerd waarom de gevraagde informatie van belang is. Reeds hierom moeten de informatiebeschikkingen worden vernietigd. Het bijhouden van een administratie door belanghebbende zelf van de rekening-courantverhouding met de BV heeft geen fiscaal belang omdat deze renteloos is. De relatie tussen belanghebbende en de bevoorschotters bevindt zich in de privésfeer. De namen van de bevoorschotters zijn niet van belang voor de heffing bij belanghebbende. Daarbij beschikt de inspecteur al over de namen van de bevoorschotters omdat deze blijken uit de gegevens over hun betalingen aan de Belastingdienst. Nu aan belanghebbende een aanslag met een vergrijpboete van 100% is opgelegd, hoeft hij de namen van de bevoorschotters niet bekend te maken omdat hij niet kan worden gedwongen zichzelf te incrimineren. De inspecteur is met de informatiebeschikkingen alleen uit op omkering en verzwaring van de bewijslast zodat hij de door de bevoorschotters betaalde bedragen kan aanmerken als zwarte omzet. Aldus maakt de inspecteur misbruik van zijn bevoegdheden. Wat het jaar 2009 betreft heeft de inspecteur ten onrechte de aanslag vastgesteld zonder eerst een informatiebeschikking te nemen, om vervolgens tijdens de bezwaarfase alsnog een informatiebeschikking met dezelfde vragen vast te stellen.

4.2.

De inspecteur betwist de gestelde structuur op zichzelf niet, maar - bij gebrek aan wetenschap - wel de omvang en het verloop van (i) de rekening-courantverhouding tussen belanghebbende en de BV en (ii) de contante geldstromen tussen belanghebbende en de bevoorschotters. De inspecteur betwist voorts dat hij niet eerder dan in de informatiebeschikkingen vragen stelt die behalve op de BV ook betrekking hebben op de heffing bij belanghebbende zelf. Belanghebbende moet een administratie bijhouden van de rekening-courantverhouding met de BV. Een dergelijke administratie heeft hij niet overgelegd. Daarnaast is inzicht in de contante geldstromen tussen belanghebbende en de bevoorschotters van belang omdat deze stromen fiscaal moeten kunnen worden gekwalificeerd. Deze kwalificatie zou van belang kunnen zijn voor de heffing bij belanghebbende zelf. In dat kader moet de inspecteur ook aan de kant van de bevoorschotters die geldstromen kunnen controleren. Daarom heeft de inspecteur de namen van de bevoorschotters nodig. De inspecteur beschikt niet over die namen, want de gegevens over hun betalingen bevatten alleen de tenaamstelling van de rekening waarvan is betaald. De tenaamstelling zegt niets over welke persoon daar achter schuil gaat. De inspecteur heeft door het gebrek aan informatie nog steeds niet kunnen beoordelen of sprake is van zwarte omzet.

De informatiebeschikkingen met betrekking tot de verplichtingen ex artikel 52 AWR

4.3.

Artikel 3.92, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet IB 2001 luidt, voor zover van belang:

“Voorts wordt onder werkzaamheid mede verstaan:

a. het rendabel maken van vermogensbestanddelen - daaronder begrepen de schulden die rechtstreeks samenhangen met die vermogensbestanddelen - voorzover deze vermogensbestanddelen al dan niet tegen vergoeding rechtens dan wel in feite, direct of indirect ter beschikking worden gesteld aan een vennootschap waarin de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon, een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in hoofdstuk 4 (...)”

Artikel 52 van de AWR luidt, voor zover van belang:

“1. Administratieplichtigen zijn gehouden van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf, zelfstandig beroep of werkzaamheid naar de eisen van dat bedrijf, dat zelfstandig beroep of die werkzaamheid op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken.

2. Administratieplichtigen zijn:

(...);

d. natuurlijke personen die een werkzaamheid als bedoeld in de artikelen (...) 3.92 (...) van de Wet inkomstenbelasting 2001 verrichten.

(...).”

Op de voet van artikel 52a van de AWR kan de inspecteur indien met betrekking tot een op te leggen (navorderings)aanslag niet of niet volledig wordt voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikel 52 van de AWR, dit vaststellen bij voor bezwaar vatbare beschikking (de informatiebeschikking).

4.4.

De rechtbank overweegt als volgt. Doordat de bevoorschotters de belastingschulden van de BV betaalden en belanghebbende de bevoorschotters daarna contant geld betaalde met als gevolg een vordering van belanghebbende op de BV, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een werkzaamheid in de zin van artikel 3.92, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001. Daarom is terecht niet in geschil dat belanghebbende een werkzaamheid in voormelde zin had. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat hij, om de bevoorschotters te kunnen betalen, geld leende van W. Dit betekent dat de schuld van belanghebbende aan W. moet worden aangemerkt als een schuld die in de zin van artikel 3.92, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001 rechtstreeks samenhangt met de vordering die belanghebbende op de BV kreeg.

4.5.1.

Nu de door belanghebbende bedachte structuur voor hem een werkzaamheid in de zin van artikel 3.92 van de Wet IB 2001 vormt, is hij op grond van artikel 52, tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de AWR ter zake van die werkzaamheid administratieplichtig. Deze administratie omvat in elk geval de vastlegging van (i) betalingen en aflossingen door de BV aan belanghebbende en (ii) het verloop van de schuld van belanghebbende aan W. Een inzichtelijke vastlegging op grond waarvan op elk moment de vermogenstoestand betreffende de werkzaamheid kan worden bepaald, ontbreekt. Daaraan doet, anders dan belanghebbende betoogt, niet af dat de vordering, in rekening-courant bijgehouden, renteloos is omdat dit de mogelijkheid openlaat dat uit de administratie kan blijken dat op de vordering is afgewaardeerd of op de schuld aan W. een kwijtschelding heeft plaatsgevonden. Reeds hierom heeft belanghebbende niet aan zijn administratieplicht van artikel 52, eerste lid, van de AWR voldaan.

4.5.2.

Voorts heeft de inspecteur al in zijn e-mail van 25 maart 2015 en in zijn brief van 11 augustus 2015 (zie onderdeel 2.4 hiervoor) belanghebbende gevraagd naar overlegging van gegevens op grond waarvan het verloop en de omvang van de werkzaamheid in de zin van artikel 3.92 van de Wet IB 2001 kan worden bepaald. Dat de inspecteur pas in de informatiebeschikkingen expliciet spreekt van een werkzaamheid in die zin en de daaraan gekoppelde administratieplicht van artikel 52 van de AWR, maakt dit niet anders. Dit betekent dat niet kan worden gezegd dat belanghebbende wordt overvallen door de inhoud van de informatiebeschikkingen. Dit kan dan ook geen grond opleveren om de informatiebeschikkingen te vernietigen.

4.5.3.

Wat het jaar 2009 betreft heeft te gelden dat de inspecteur ook tijdens de bezwaarfase een informatiebeschikking mag nemen, mits hij daarmee niet in strijd handelt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De enkele omstandigheid dat de inspecteur de aanslag heeft vastgesteld zonder ter zake van het niet-voldoen aan de wettelijke verplichting een informatiebeschikking te nemen, brengt niet een dergelijke schending mee (vgl. HR 2 oktober 2015, nr. 14/06080, ECLI:NL:HR:2015:2895). Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur heeft gehandeld, zodat oplegging van de navorderingsaanslag over 2009 voorafgaande aan het nemen van de informatiebeschikking over dat jaar niet leidt tot vernietiging van die informatiebeschikking. Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd is evenmin grond om de informatiebeschikkingen te vernietigen.

4.6.

De informatiebeschikkingen met betrekking tot artikel 52 van de AWR zijn derhalve terecht opgelegd.

De informatiebeschikkingen met betrekking tot de verplichtingen ex artikel 47 en 53 AWR

4.7.

Artikel 47, eerste lid, van de AWR luidt:

“Ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur:

a. de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn;

b. de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan - zulks ter keuze van de inspecteur - waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen.”

4.8.

Voor de beantwoording van de vraag of voor belanghebbende op grond hiervan de verplichting bestaat om aan de inspecteur desgevraagd gegevens en inlichtingen te verstrekken en bescheiden en andere gegevensdragers beschikbaar te stellen, is voldoende dat de inspecteur zich, gelet op de hem ter beschikking staande gegevens, in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens, inlichtingen, bescheiden en/of andere gegevensdragers van belang zouden kúnnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbende (vgl. HR 18 december 2015, nr. 15/00040, ECLI:NL:HR:2015:3603). De inspecteur zal zijn standpunt wel van enige onderbouwing moeten voorzien en het informatieverzoek mag geen zogenoemde ‘fishing expedition’ inhouden (vgl. HR 24 april 2015, nr. 14/02422, ECLI:NL:HR:2015:1137).

4.9.

Ter zitting heeft de inspecteur aangegeven dat hij nu geen inzicht heeft in de omvang en het verloop van de contante geldstromen tussen belanghebbende en de bevoorschotters en hij die geldstromen dus ook niet fiscaal kan kwalificeren. De rechtbank is van oordeel dat in deze kwalificatie besloten ligt dat er bij belanghebbende een heffingsbelang zou kunnen zijn. De contante geldstromen tussen belanghebbende en de bevoorschotters kunnen immers op zichzelf een overige werkzaamheid vormen waaruit mogelijk een belastbaar resultaat in de zin van Afdeling 3.4 van de Wet IB 2001 voortvloeit. Om deze contante geldstromen, die belanghebbende zelf overigens niet heeft gedocumenteerd, effectief te kunnen controleren en aldus vast te kunnen stellen of er daadwerkelijk een heffingsbelang is, kan de inspecteur in redelijkheid vragen om de namen (en overige contactgegevens) van de bevoorschotters. Dat betekent dat de inspecteur in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat hij belanghebbende op grond van artikel 47 van de AWR om deze gegevens mag vragen. Hij heeft dit standpunt met hetgeen hij ter zitting heeft aangevoerd ook voldoende onderbouwd. Dat de Belastingdienst uit de tenaamstellingen van de rekeningen ten laste waarvan belastingschulden van de BV zijn betaald, mogelijk al sommige namen heeft kunnen afleiden, doet daar niet aan af. Het verstrekken van de namen van de bevoorschotters kan niet leiden tot schending van het verbod op zelfincriminatie omdat in deze procedure enkel de informatiebeschikkingen ter beoordeling voorliggen en niet tevens aanslagen met een vergrijpboete. Hetgeen belanghebbende overigens in dit kader heeft aangevoerd treft evenmin doel.

4.10.

De informatiebeschikkingen zijn dus al op grond van het niet naleven van de verplichtingen van artikel 47 van de AWR terecht opgelegd. Een beoordeling van hetgeen is aangevoerd over artikel 53 van de AWR kan daarom achterwege blijven.

Sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast

4.11.

Belanghebbende heeft de rechtbank voor het geval dat de informatiebeschikkingen terecht zijn opgelegd, op grond van proportionaliteit verzocht hieraan niet de consequentie te verbinden dat de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard. De rechtbank overweegt dat het niet verstrekken van de namen (en andere contactgegevens) van de bevoorschotters het de inspecteur onmogelijk maakt effectief te controleren en vast te stellen of de contante geldstromen tot een belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden leiden. Dit is een informatieverzuim dat van dien aard is dat het dient te leiden tot de in artikel 27e, eerste lid, van de AWR voorgeschreven sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast. Een redelijke wetsuitleg brengt evenwel met zich dat deze sanctie achterwege blijft indien binnen een bepaalde termijn alsnog aan het verzoek van de inspecteur wordt voldaan (vgl. HR 10 februari 2017, nr. 16/02729, ECLI:NL:HR:2017:130). Ter zitting heeft belanghebbende aangegeven dat hij de namen van de bevoorschotters niet aan de inspecteur bekend zal maken. Dit betekent dat er geen grond is de sanctie buiten toepassing te laten. Het verzoek zal daarom worden afgewezen. Ten overvloede voegt de rechtbank hieraan toe dat de rechter die zich te zijner tijd buigt over de betreffende aanslag, deze sanctie zal meewegen in zijn beoordeling van die aanslag. De beroepen zijn dus ongegrond.

Overschrijding van de redelijke termijn

4.12.

Belanghebbende heeft bij overschrijding van de redelijke termijn gevraagd om vergoeding van immateriële schade. De eerste bezwaarschriften zijn bij de inspecteur ontvangen op 26 november 2015. Dit betekent dat op het moment van deze uitspraak de redelijke termijn van 2 jaar voor de behandeling van het bezwaar en het beroep in eerste aanleg is overschreden met twee weken. Dat is minder dan een halfjaar. Van bijzondere omstandigheden, die zouden nopen van de hoofdregel af te wijken, is niet gebleken. Belanghebbende heeft daarom vanwege de ervaren spanning in deze samenhangende zaken recht op een vergoeding van € 500. De overschrijding van de termijn is in de beroepsfase opgetreden. Daarom zal de Minister voor Rechtsbescherming worden veroordeeld aan belanghebbende de schade te vergoeden en is die minister in de procedure betrokken. Hij heeft in situaties als deze te kennen gegeven zonder nadere consultatie te berusten in een veroordeling door de rechtbank. De rechtbank zal de Minister voor Rechtsbescherming daarom overeenkomstig veroordelen.

Slotsom

4.13.

Gelet op het vorenstaande dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

De omstandigheid dat aan belanghebbende een immateriële schadevergoeding wordt toegekend die uitsluitend is toe te rekenen aan de rechter geeft aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten voor de beroepsfase en het griffierecht door de Minister van Rechtsbescherming (HR 19 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:252). De stelling van belanghebbende dat de inspecteur in verregaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld en belanghebbende daarom recht zou hebben op integrale vergoeding van de door hem gemaakte proceskosten, wordt door de rechtbank niet onderschreven. Overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt de proceskostenvergoeding vastgesteld op € 1.485 (1 punt voor het opstellen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, beide met een waarde per punt van € 495, voor 10 samenhangende zaken van gemiddelde zwaarte vermenigvuldigd met de factor 1,5).

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen ongegrond;

  • -

    veroordeelt de Minister voor Rechtsbescherming tot het betalen van een schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 500;

  • -

    veroordeelt de Minister voor Rechtsbescherming in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.485;

  • -

    draagt de Minister voor Rechtsbescherming op het betaalde griffierecht van in totaal € 460 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan op 14 december 2017 door mr. C.A.F.M. Stassen, voorzitter, mr. T. van Rij en drs. L.B. Smits, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. L. Mesman-Arts, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.