Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:7901

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-12-2017
Datum publicatie
05-12-2017
Zaaknummer
6507322 VV EXPL 17-95
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Verbod ontruiming stacaravans en verwijdering stacaravans camping Fort Oranje afgewezen. Effectuering bestuursbesluit gemeente rechtmatig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster I Civiele kantonzaken

Breda

zaak/rolnr.: 6507322 VV EXPL 17-95

vonnis in kort geding d.d. 4 december 2017

inzake

Eisers,

allen wonende te [woonplaats] ,

eisers,

gemachtigde: G.C.L. van de Corput, advocaat te Breda,

tegen

de openbare rechtspersoon Gemeente Zundert,

zetelend te Zundert,

gedaagde,

gemachtigde: mr. B.J.P.G. Roozendaal, advocaat te Breda.

1 Het verloop van het geding

1.1

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

  1. de dagvaarding van 1 december 2017;

  2. de conclusie van antwoord met producties;

  3. de bij brief van 2 december 2017 door mr. Van de Corput voornoemd toegezonden producties.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 december 2017. Ter zitting waren aanwezig eisers in persoon, bijgestaan door mr. Van de Corput voornoemd, alsmede namens gedaagde mevrouw (…) (functie: communicatie adviseur) en mevrouw (…) (functie: programmamanager veiligheid), bijgestaan door mr. Roozendaal voornoemd. De gemachtigde van eisers heeft ter gelegenheid van de zitting zijn pleitaantekeningen overgelegd. Van het verhandelde ter zitting zijn aantekeningen gemaakt.

2 Het geschil

2.1

Eisers vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, dat gedaagde:

a. wordt verboden eisers op 6 december 2017 te ontruimen, op straffe van een dwangsom van € 5.000,-- voor iedere dag of gedeelte van een dag bij overtreding van dit verbod, althans een zodanige maatregel als de kantonrechter in goede justitie vermeent te behoren;

b. wordt geboden eisers (alsmede hun huisgenoten) het voortgezet woongenot c.q. gebruik van hun woning te verschaffen en te blijven verschaffen tot het moment dat voor passende vervangende huisvesting is zorggedragen, op straffe van een dwangsom van € 5.000,-- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat gedaagde daaraan geen uitvoering geeft, althans een zodanige maatregel als de kantonrechter in goede justitie vermeent te behoren;

c. wordt verboden de stacaravans en overige eigendommen van eisers te verplaatsen dan wel te verwijderen, op straffe van een dwangsom van € 5.000,-- voor iedere dag of gedeelte van een dag bij overtreding van dit verbod, althans een zodanige maatregel als de kantonrechter in goede justitie vermeent te behoren;

d. wordt veroordeeld in de kosten van de procedure.

2.2

Gedaagde voert verweer en concludeert primair tot onbevoegdheid van de kantonrechter tot kennisname van de vorderingen van eisers en subsidiair, in geval van bevoegdheid, tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van eisers in de kosten van de procedure.

3 De beoordeling

3.1

Tussen partijen staan als niet, althans onvoldoende gemotiveerd, weersproken de volgende feiten vast:

- Fort Oranje is een camping/recreatiepark aan de [adres] te Rijsbergen, gemeente Zundert. Het bewonersaantal op de camping fluctueert gedurende het jaar. Afhankelijk van het jaargetijde wonen of verblijven op de camping tussen de 400 en 1.000 mensen. Op de camping bevonden zich ruim 700 stacaravans.

- Op 9 juni 2017 heeft gedaagde aan Fort Oranje en de bewoners een concept sluitingsbesluit bekend gemaakt waarbij de camping op 4 augustus 2017 gesloten zou worden.

- Bij brief van 22 juni 2017 heeft de exploitant van Fort Oranje aan gedaagde kenbaar gemaakt de exploitatie van de camping te staken per 3 juli 2107 om 12.00 uur en dat iedereen het terrein dan diende te hebben verlaten en dat de water- en stroomvoorziening zou worden afgesloten.

- Gedaagde heeft daarop op 23 juni 2017 het besluit kenbaar gemaakt (onder meer) de gebruiksvergunning voor de inrichting van de camping in te trekken, de brandveiligheids-vergunning van de camping in te trekken, de camping voor de duur van één jaar te sluiten en het beheer van het terrein van de camping en de daarop gelegen woningen per 23 juni 2017 om 15.00 uur op grond van artikel 13b van de Woningwet gedurende een jaar over te nemen.

- Gedaagde heeft voormeld besluit gebaseerd op artikel 17 lid 1 Woningwet (overbewoning, brandgevaar, slechte staat van onderhoud, verloedering, hinder, frequent gebruik van tuinen als stortplaats voor grof huisvuil, gebruik van woningen voor grootschalige hennepteelt en bewuste verkrotting), artikel 172 lid 3 Gemeentewet (verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan) alsmede overtreding van Wet milieubeheer en het Activiteitenbesluit (bodembedreigend afval en de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen).

- De exploitant van Fort Oranje heeft tegen het besluit van 23 juni 2017 bezwaar gemaakt.

- Gedaagde heeft de bewoners en recreanten van Fort Oranje bij brief van 18 juli 2017 medegedeeld dat de recreanten voor 1 augustus moeten aantonen dat hun stacaravan hun eigendom is en dat zij, indien dat het geval is, de caravan voor 15 september moeten weghalen. Tevens is medegedeeld dat voor permanente bewoners geldt dat indien aangetoond wordt dat men perceeleigenaar is, men dit jaar op de camping mag blijven.

- Begin augustus 2017 heeft gedaagde een aanvang genomen met de verwijdering van stacaravans van Fort Oranje.

- Bij brief van 15 augustus 2017 heeft gedaagde aan de bewoners van Fort Oranje medegedeeld dat perceelseigenaren de camping niet direct hoeven te verlaten en dat bewoners met een zorgindicatie worden geholpen bij herhuisvesting. Verder is medegedeeld dat indien een bewoner voor 23 juni 2107 is ingeschreven bij de gemeente Zundert op het adres van de camping gedaagde meedenkt bij vragen hoe vervangende woonruimte gevonden kan worden en zijn door weergave van een overzicht van de verschillende velden uiterste data van ontruiming aangegeven.

- Eisers zijn allen voor 23 juni 2017 ingeschreven op het adres van Fort Oranje aan de [adres] te Rijsbergen.

- Bij brief van 16 november 2017 heeft gedaagde aan bewoners van Fort Oranje (waaronder eisers) medegedeeld dat in eerdere brieven is aangegeven dat zij vervangende woonruimte dienden te zoeken, dat eerder is aangeboden om mee te denken over oplossingen, maar dat ook gewezen is op de eigen verantwoordelijkheid om de vervangende woonruimte te vinden. Verder is medegedeeld dat zij uiterlijk 6 december om 8.30 uur van Fort Oranje vertrokken dienen te zijn omdat zij anders met behulp van de sterke arm worden gedwongen te vertrekken.

3.2

Eisers leggen aan hun vorderingen – samengevat – het volgende ten grondslag.

Gedaagde heeft geen bevoegdheid om tot ontruiming over te gaan. Indien geoordeeld wordt dat zij die bevoegdheid wel heeft dan is de ontruiming gezien de omstandigheden onrechtmatig. De ontruiming is onredelijk en disproportioneel. In de eerdere uitspraak van de Raad van State van 20 oktober 2017 (dat gewezen is naar aanleiding van een verzochte voorlopige voorziening van bewoners) is als uitgangspunt genomen dat bewoners een redelijke termijn krijgen voor het vinden van een ander onderkomen, dat zij door het besluit niet op straat komen te staan, maar hen hulp geboden wordt bij de herhuisvesting. De toezeggingen van gedaagde om hulp te verlenen bij het vinden van passende woonruimte en het uitgangspunt van de Raad van State staan in schril contrast met de aankondiging van gedaagde bij brief van 16 november 2017. Het sluitingsbesluit biedt geen titel voor het zonder gerechtelijke tussenkomst ontruimen van de op Fort Oranje verblijvende huurders. Er wordt door gedaagde in strijd met beginselen van behoorlijk bestuur, zijnde het vertrouwensbeginsel, gelijkheidsbeginsel en evenredigheidsbeginsel gehandeld.

3.3

Gedaagde voert verweer en op dit verweer zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.

3.4

De kantonrechter oordeelt als volgt.

3.5

In geschil is tussen partijen allereerst of de kantonrechter bevoegd is tot kennisname van de vorderingen van eisers. Eisers stellen dat de kantonrechter bevoegd is en verwijzen naar artikel 13b van de Woningwet. Gedaagde betwist de bevoegdheid van de kantonrechter omdat de vorderingen geen grondslag hebben in een huurovereenkomst. Gedaagde voert aan geen verhuurder maar beheerder van het terrein van Fort Oranje te zijn. Verder voert gedaagde aan dat gesteld noch gebleken is dat de vorderingen kunnen worden bepaald op een bedrag minder dan € 25.000,--, maar dat zij onbepaald zijn.

3.6

De kantonrechter overweegt ter zake van de bevoegdheid dat gedaagde in het kader van artikel 13b van de Woningwet als nieuwe beheerder bepaalde verplichtingen van de verhuurder op zich heeft genomen. Gelet hierop is er sprake van een geschil betreffende huur in de zin van artikel 93 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dat ruim dient te worden gezien. De kantonrechter acht zich dan ook bevoegd tot kennisname van de vorderingen en zal deze inhoudelijk beoordelen.

3.7

Het spoedeisend belang van eisers bij hun vorderingen vloeit voort uit de aard van de vorderingen. Gedaagde heeft het spoedeisend belang van eisers overigens ook niet weersproken.

3.8

Bij de verdere beoordeling van dit geschil wordt het volgende voorop gesteld.
Indien tegen een bestuursrechtelijk besluit een met voldoende waarborgen omklede administratiefrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan en deze rechtsgang niet is gebruikt, of indien deze wel is gebruikt maar hierop nog niet is beslist, dient de burgerlijke rechter uit te gaan van de geldigheid van het besluit. Dit betekent dat de inhoud van de door gedaagde genomen besluiten in dit geschil niet kunnen worden getoetst.

3.9

Zoals in het vonnis van de voorzieningenrechter van het team handel van deze rechtbank van 14 september 2017 tussen onder meer Fort Oranje en gedaagde is overwogen geldt het volgende. Ingevolge het besluit van 23 juni 2017 van gedaagde dient er van uit te worden gegaan dat camping Fort Oranje is gesloten alsmede dat het college van Burgemeester en wethouders van de gemeente Zundert het beheer van de camping gedurende een jaar na 23 juni 2017 te 15.00 uur overneemt. Gedaagde is na het besluit geen eigenaar van Fort Oranje of een verhuurder van het terrein c.q. de stacaravans geworden. Gedaagde oefent het beheer ter zake van Fort Oranje uit op basis van haar besluit en dit beheer heeft een publiekrechtelijk karakter.

3.10

Op basis van het hiervoor overwogene begrijpt de kantonrechter dat eisers hun vorderingen baseren op het onrechtmatig uitvoeren van het beheer van Fort Oranje. Zoals in het hiervoor aangehaalde vonnis van deze rechtbank van 14 september 2017 is overwogen, geldt voor wat betreft het beheer dat gedaagde gezien het bepaalde in de Woningwet bij de invulling van het beheer een zekere mate van beleidsvrijheid heeft teneinde de doelstelling van het beheer zoals die volgt uit het besluit na te streven. Dat neemt niet weg dat de wijze waarop het beheer wordt uitgeoefend onder omstandigheden onrechtmatig kan zijn jegens eisers als bewoners. Het bepaalde in artikel 6:168 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan wel met zich brengen dat een vordering strekkende tot een verbod van een onrechtmatige gedraging wordt afgewezen op grond van zwaarwegende maatschappelijke belangen, waarbij het recht op schadevergoeding wordt behouden.

3.11

Het feitelijk handelen van gedaagde is aldus gegrond op een publiekrechtelijk besluit en niet gedaan in de positie van beheerder in civielrechtelijke zin. De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde dan ook als publiekrechtelijk orgaan de bevoegdheid had om eisers de ontruiming tegen 6 december 2017 aan te zeggen. Voor zover eisers zich erop beroepen dat gedaagde door tot ontruiming over te gaan onrechtmatig handelt, gaat deze stelling niet op. Gebleken is immers dat het sinds het besluit van 23 juni 2017 voor eisers helder was dat zij Fort Oranje moesten gaan verlaten en de stacaravans moesten ontruimen. Blijkens de brief van gedaagde van 15 augustus 2017 is aan alle bewoners duidelijk gemaakt dat eisers binnen maximaal één jaar dienden te vertrekken en dat de bewoners (die niet kadastraal eigenaar zijn en geen zorgindicatie hebben) er zelf voor verantwoordelijk zijn om op de kortst mogelijke termijn vervangende woonruimte te vinden. Verder is door gedaagde in de brief van 15 augustus 2017 aan eisers een nader uitgewerkt tijdpad met uiterste data van het verlaten van de camping genoemd. Het door eisers gemaakte verwijt dat gedaagde onvoldoende voor hen heeft gedaan om voor hen vervangende woonruimte te vinden gaat naar het oordeel van de kantonrechter niet op. De activiteiten die gedaagde voor eisers zou ondernemen, zijn enkel te kwalificeren als ondersteuning (bij vragen) en betreft een inspanningsverbintenis. Gedaagde heeft ter zitting onweersproken aangegeven dat zij ook van eisers een inspanning verwacht om andere woonruimte te vinden en dat eisers nauwelijks inspanningen hebben verricht, maar vrijwel allemaal pas na haar brief van 16 november 2017 contact hebben opgenomen met haar. Nu gedaagde enkel een ondersteunde taak had voor eisers en zij niet gehouden was om haar ondersteuning op te dringen, kan thans niet vastgesteld worden dat gedaagde op dat punt te kort is geschoten, althans zodanig dat dit de ontruiming onrechtmatig maakt. Het belang van gedaagde bij het handhaven van de openbare orde en veiligheid weegt naar het oordeel van de kantonrechter in dit geval zwaarder dan het woonbelang van eisers. Daarbij heeft de kantonrechter meegewogen dat er van de zijde van eisers geen bijzondere of zwaarwegende omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan gedaagde niet mag handhaven ten aanzien van de stacaravans. Ter zitting is weliswaar naar voren gekomen dat eiser sub 1 minderjarige kinderen heeft, maar verdere bijzonderheden daarbij die tot een acute noodsituatie leiden zijn niet gebleken. Ter zitting is van de zijde van gedaagde aangegeven dat het Leger des Heils ten tijde van de ontruiming eisers zal opvangen indien zij dan geen andere woonruimte hebben. De kantonrechter begrijpt dat opvang door het Leger des Heils voor eisers geen gewenste en uiteindelijke oplossing zal zijn, maar dat neemt niet weg dat opvang door het Leger des Heils de situatie minder noodlijdend maakt voor eisers.

3.12

Eisers hebben zich ter zitting nog beroepen op algemene beginselen van behoorlijk bestuur die niet in acht zouden zijn genomen, zijnde strijd met het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Gedaagde betwist dat er sprake is van strijd met de voornoemde beginselen. De kantonrechter oordeelt dat van strijd met het vertrouwensbeginsel geen sprake is nu gedaagde na en met het besluit 23 juni 2017 herhaaldelijk aan eisers heeft aangegeven dat de camping gesloten wordt en zij die dienen te verlaten. Zoals gedaagde heeft aangevoerd, is er van strijd met het gelijkheidsbeginsel ook geen sprake. Eisers verwijzen naar de zes bewoners die perceelseigenaar zijn, maar nu eisers geen perceel in eigendom hebben, is er (zoals gedaagde aanvoert) van een gelijk geval geen sprake. Ten aanzien van het beroep op het evenredigheidsbeginsel wordt geoordeeld dat de kantonrechter de belangen van de bewoners in de toets van de rechtmatigheid van de ontruiming hiervoor onder 3.11 heeft meegewogen. Gelet hierop wordt het beroep op het evenredigheidsbeginsel gepasseerd.

3.13

Het voorgaande leidt ertoe dat het door eisers gevorderde verbod tot ontruiming en gebod tot voortgezet woongenot worden afgewezen. Voor wat betreft het gevorderde verbod tot verplaatsing/verwijdering van de stacaravans en overige eigendommen van eisers is gebleken dat verwijdering noodzakelijk is voor effectuering van het besluit en de sluiting nu het risico bestaat dat niet verwijderde stacaravans door anderen weer worden betrokken. Gelet daarop is het verwijderen van de stacaravans met overige eigendommen naar het oordeel van de kantonrechter niet onrechtmatig en de vordering ter zake verwijdering van de stacaravans wordt derhalve eveneens afgewezen.

3.14

Eisers zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, welke tot op heden aan de zijde van gedaagde worden begroot op € 200,--
(1 pnt. x € 200,--) aan salaris voor de gemachtigde van gedaagde.

4 De beslissing in kort geding

De kantonrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt eisers in de kosten van dit geding, aan de zijde van gedaagde tot op heden begroot op € 200,-- aan salaris voor de gemachtigde van gedaagde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Meyboom en in het openbaar uitgesproken op
4 december 2017.