Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:7882

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-11-2017
Datum publicatie
12-12-2017
Zaaknummer
334797 FARK 17-4673
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2018:2251
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 1:266 BW. Verzoek gezagsbeëindigende maatregel toegewezen. De aanvaardbare termijn voor de kinderen is verstreken. Het verzoek om kinderen jonger dan 12 jaar te horen is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

zaakgegevens : C/02/334797 / FA RK 17-4673

datum uitspraak: 16 november 2017

beschikking beëindiging van het ouderlijk gezag

in de zaak van

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NL, hierna te noemen de Raad, gevestigd te Breda.

betreffende

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] te Breda, hierna te noemen [naam 1] ,

[minderjarige2] , geboren op [geboortedatum 2] te Rotterdam, hierna te noemen [naam 2] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[naam 2] , hierna te noemen de moeder,

wonende te Sint Willebrord,

[de man] , hierna te noemen de vader, wonende te Sprundel,

[pleegouders] , hierna te noemen de pleegouders, wonende te Standdaardbuiten,

STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, de gecertificeerde instelling, hierna te noemen de GI, gevestigd te Roosendaal.

Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 24 augustus 2017, ingekomen bij de griffie op 25 augustus 2017;

- de op 26 oktober 2017 ontvangen faxbrief van de advocaat van de moeder.

Op 3 november 2017 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door mr. I.M. van den Heuvel,

- de vader,

- de pleegouders,

- een vertegenwoordigster van de Raad,

- een vertegenwoordigster van de GI.

Ter terechtzitting zijn gelijktijdig behandeld de verzoeken van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van beide kinderen. Deze verzoeken zijn ingeschreven onder zaaknummers C/02/331106 / JE RK 17-947 en C/02/331107 / JE RK 17-948.

De feiten


Het ouderlijk gezag over [naam 1] en [naam 2] wordt uitgeoefend door de ouders.

De GI heeft zich bij brief van 9 augustus 2017 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.

Bij beschikking van de kinderrechter van 18 augustus 2016 is de ondertoezichtstelling van [naam 1] en [naam 2] uitgesproken. Sinds de datum van die beschikking zijn [naam 1] en [naam 2] met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst. Eerder, in juni 2016, zijn de kinderen op vrijwillige basis in een pleeggezin ondergebracht.

Sinds juni 2016 verblijven [naam 1] en [naam 2] in het huidige, perspectief biedende pleeggezin.

Bij beschikking van 17 augustus 2017 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verlengd voor een periode van drie maanden, te weten tot 18 november 2017 en de verzoeken van de GI voor het overige aangehouden. De kinderrechter achtte zich op dat moment onvoldoende geïnformeerd om een oordeel te kunnen vormen over het toekomstperspectief van de kinderen. De GI is in de gelegenheid gesteld om de kinderrechter te informeren over hetgeen is aangegeven op pagina 4 van die beschikking.

De GI heeft naar aanleiding van voornoemde beschikking op 16 oktober 2017 een brief gestuurd aan de rechtbank die is ingebracht in de procedures met zaaknummers C/02/331106 / JE RK 17-947 en C/02/331107 / JE RK 17-948. In deze brief heeft de GI onder meer uiteengezet wat er is ingezet in het kader van de uitvoering van de ondertoezichtstelling en bezien of er een perspectief was op een thuisplaatsing.

De advocaat van de moeder heeft in zijn brief van 25 oktober 2017 - sterk samengevat - aangegeven dat de GI naar zijn mening geen goed gevolg heeft gegeven aan de beschikking van de kinderrechter van 17 augustus 2017.

Het verzoek


De Raad heeft verzocht het gezag van de ouders te beëindigen en adviseert om de GI tot voogdes over [naam 1] en [naam 2] te benoemen.

De standpunten

De Raad legt aan het verzoek ten grondslag dat het gezag van de ouders dient te worden beëindigd aangezien de minderjarigen zodanig opgroeien dat zij in hun ontwikkeling ernstig worden bedreigd en de ouders niet in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarigen aanvaardbaar te achten termijn. De Raad adviseert om de GI tot voogdes te benoemen over de kinderen.

De Raad heeft daarbij naar voren gebracht dat de kinderen langdurig getuige zijn geweest van huiselijk geweld tussen de ouders, zij getuige zijn geweest van de psychoses van de moeder en de daarmee gepaarde angst, alsmede van het gegeven dat de opvoedsituatie bij de ouders onvoorspelbaar en onveilig is geweest. Beide kinderen hadden bij de aanvang van de plaatsing in het pleeggezin forse sociaal-emotionele problemen. Zij hebben bij de ouders moeten overleven in een onveilige en onvoorspelbare opvoedingsomgeving. De voor de kinderen noodzakelijke stabiliteit en voorspelbaarheid wordt geboden in het pleeggezin. De pleegouders zijn in staat om – zo nodig met hulp – te voorzien in de behoeften van de kinderen. Met name bij [naam 2] is sprake van forse kindeigen problematiek waarvoor zij behandeling nodig heeft. Beide kinderen hebben meer dan gemiddeld behoefte aan begrenzing.

De draagkracht en de mogelijkheden van de moeder worden volgens de Raad beperkt door haar persoonlijke problematiek, haar beperkte leervermogen, haar verslaving, de communi-catieproblemen en de ex-partnerstrijd met de vader en zijn partner, het gebrek aan een toereikend ondersteunend netwerk, financiële problemen, haar beperking in het vasthouden van pedagogische adviezen en het gebrek aan inzicht in de specifieke behoeften van de kinderen, gerelateerd aan hetgeen zij hebben meegemaakt in hun leven. De moeder is onvoldoende in staat de minderjarigen te begrenzen en hen veiligheid te bieden tijdens de contacten. Het lukt de moeder niet aan te sluiten bij de behoeften van de minderjarigen en zij is afhankelijk van de sturende rol van de omgangbegeleider. Zij valt terug in het gebruik van drugs en de strijd met de vader en zijn partner blijft voortduren. Hoewel de persoonlijk begeleider van de moeder aangeeft dat de moeder leerbaar is wanneer adviezen concreet en duidelijk worden gegeven, beklijven deze adviezen niet lang. De moeder komt verder de afspraken ten aanzien van de omgang goed na en zij geniet van de contacten met de minderjarigen. Zij ziet dat de minderjarigen zich goed ontwikkelen in het pleeggezin.

De vader heeft onvoldoende inzicht in de specifieke behoeften van de minderjarigen. Hij weigert zijn toestemming te geven voor de noodzakelijke hulpverlening aan [naam 2] waarbij hij de prioriteit legt bij een mogelijke beeldvorming dat hij is betrokken bij seksueel misbruik in plaats van de zorgelijke signalen die [naam 2] laat zien in haar gedrag. De vader is moeilijk bereikbaar voor de hulpverlening en hij neemt geen eigen initiatief om contact met de hulpverlening op te nemen om zich te laten informeren of ondersteuning te vragen. Het regelen van praktische zaken lukt alleen als de hulpverleners ingrijpen. Er is geen adequate communicatie tussen de ouders mogelijk en hulpverlening heeft hierin niet tot een verbete-ring geleid. Hoewel de vader over een jaar voor de kinderen wenst te zorgen, is dit volgens de Raad niet in het belang van de minderjarigen.

De Raad is van mening dat de aanvaardbare termijn voor de kinderen is verstreken. De ouders hebben een gebrek aan draagkracht, inzicht en mogelijkheden (leerbaarheid) door hun persoonlijke problematiek. Zij kunnen ondanks de ingezette hulp voor hun persoonlijke problematiek en de hulpverlening voor de minderjarigen niet tegemoet komen aan de behoeften van de minderjarigen. Er is daarbij geen sprake van onwil, maar van onmacht. De kinderen hebben door de ingrijpende gebeurtenissen geen veiligheid ervaren in hun relatie met hun ouders, zodat dit onvoldoende basis vormt om de kinderen te laten profiteren van de voor hun noodzakelijke hulpverlening. De ontwikkelingsbedreiging van de minderjarigen kan door de ouders niet worden afgewend gezien het gegeven dat de ernst van de problema-tiek van de kinderen als gevolg van de ingrijpende gebeurtenissen in hun voorgeschiedenis de capaciteiten van de ouders overstijgt alsmede dat de ouders onvoldoende inzicht hebben in de ernst van de problematiek en deze ook niet (h)erkennen.

De kinderen profiteren zichtbaar van hetgeen de huidige pleegouders hen bieden. De pleeg-ouders bieden hen affectie, steun en bescherming, fysiek zijn en emotionele beschikbaarheid en sluiten op responsieve en sensitieve wijze aan bij de behoeften van de kinderen waarbij zij hun eigen stress goed kunnen reguleren. De pleegouders staan open voor begeleiding en pas-sen adviezen toe van hulpverleners. De contacten met de hulpverlening en de ouders verlo-pen goed. Op lange termijn kunnen de minderjarigen in het huidige pleeggezin opgroeien hetgeen van belang is ten aanzien van de stabiliteit die nodig is voor de verwerking van alle ingrijpende gebeurtenissen. Dit geeft naar de toekomst de kinderen voldoende tijd om in te groeien in het gezin en hun basis te verstevigen.

De Raad acht het tot slot in het belang van de kinderen wanneer de GI tot voogdes wordt benoemd. Verder dient de omgang zoals deze op dit moment plaatsvindt tussen de ouders en de kinderen te worden voortgezet. Uitbreiding op basis van individuele mogelijkheden van de ouders kan mogelijk het loyaliteitsconflict versterken. Ook zal dit afhankelijk zijn van de effecten van de hulpverlening op de kinderen die draagkracht van hen vraagt. Omgang moet dus op maat blijven plaatsvinden, aldus de Raad.

Zijdens de moeder is aangevoerd dat de GI geen gevolg heeft gegeven aan de opdracht van de kinderrechter in de beschikking van 17 augustus 2017. Daarbij is namens de moeder gesuggereerd dat de mogelijkheid bestaat dat de GI na de beschikking van 17 augustus 2017 contact heeft opgenomen met de Raad en om een gezagswijziging heeft gevraagd. Volgens de moeder was het rapport dat ten grondslag ligt aan het verzoek van de Raad al gereed vanaf 22 juli 2016. Een dringende noodzaak voor de ontneming van het gezag is dan ook volgens haar niet aanwezig. Bovendien mag dit verouderde rapport ook niet dienen als een onderbouwing van het onderhavige verzoek nu dit enkel is gebaseerd op verouderde informatie. Het is een bedenkelijke gang van zaken dat de Raad volledig op de hoogte is, zoals blijkt uit het slot van de aanbiedingsbrief van 24 augustus 2017. De moeder stelt voorts dat het op 4 maart 2016 afgesloten rapport van de Raad op 13 juni 2016 is gevolgd door een “terugmelding” door de jeugdprofessional van de gemeente Rucphen, maar ook toen is het rapport bij de Raad blijven liggen. Namens de moeder wordt in haar verweer nader ingegaan op de tussenkomst van de gemeente Rucphen. Verder dient volgens de moeder in ogenschouw te worden genomen de wijze waarop de GI de opdracht van de kinderrechter heeft uitgevoerd. De door de GI overgelegde stukken die ter onderbouwing dienen van de brief bestaan enkel uit algemeenheden en zelfs onbegrijpelijke passages. Ook laat de inhoud zien hoe suggestief er wordt gerapporteerd en dit niet te begrijpen is voor de ouders. Volgens de moeder kan zij zich niet verdedigen tegen de in algemene termen vervatte beschuldigingen en negatieve statements. Het is de vraag of de opsteller van de notitie van Prisma deskundig is of niet. Indien zij dat niet is, dan is het onacceptabel dat de GI een dergelijke inbreng gebruikt bij haar standpuntbepaling ten overstaan van de rechter. Indien zij wel deskundig is moet volgens moeder de conclusie getrokken worden dat welbewust de notitie is opgesteld in de vage niet concrete bevindingen en conclusies hetgeen ook onacceptabel is. Ook het advies dat door Juzt Pleegzorg is opgesteld roept vragen op. Er staat geen naam onder het advies vermeld en het is niet duidelijk of het inderdaad afkomstig is van Juzt en van welke functionaris dit advies zou zijn. Ook is het eigenaardig dat dit advies is opgesteld op 4 september 2017. Dit is kort na de beschikking van 17 augustus 2017 en nog voordat het begeleide bezoek plaats heeft gehad waar Prisma drie weken later over heeft gerapporteerd. De moeder stelt zich op het standpunt dat wat het gezag betreft de dringende noodzaak van de gevraagde maatregel volstrekt ongeloofwaardig is doordat de feiten veel te oud zijn om nog actueel genoemd te kunnen worden, laat staan een dringende noodzaak aantonen. Met betrekking tot de beschikking van 17 augustus 2017 kan worden gesteld dat de GI met de opdracht van de kinderrechter niet serieus is omgegaan. De moeder verzoekt dan ook alle onderhavige verzoeken af te wijzen.

Ten aanzien van de voor [naam 2] geadviseerde therapie heeft de moeder aangegeven dat zij een dergelijke behandeling veel te beladen vindt voor [naam 2] . De moeder vreest dat [naam 2] zich anders dan anderen gaat voelen door de therapie en dat zij het gevoel krijgt dat zij niet in orde is. De moeder acht de therapie niet noodzakelijk voor [naam 2] . De kinderen mogen zich volgens de moeder niet gedragen zoals zij dat graag willen. Omdat de professionals daar niet mee kunnen omgaan, moeten de kinderen volgens haar in therapie. Daarmee is de moeder het niet eens.

Tot slot is namens de moeder, onder verwijzing naar de Europese jurisprudentie op dit punt, verzocht om de kinderen in het kader van deze procedure te horen.

De vader van de kinderen heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het niet eens is met het verzoek van de Raad om zijn gezag over de kinderen te beëindigen. Hij heeft daarbij aangegeven dat hij het liefst zou zien dat de kinderen bij hem opgroeien en er een omgangsregeling is tussen de moeder en de kinderen. De vader is van mening dat de ernst van de zaken overdreven wordt. Sinds de uithuisplaatsing van de kinderen is de band tussen hem en de kinderen minder geworden. De vader verwacht dat de kinderen een ander standpunt zullen innemen over waar zij willen opgroeien wanneer deze band wordt versterkt. Verder heeft de vader aangegeven dat hij geen toestemming heeft gegeven voor de EMDR-therapie van [naam 2] omdat hij een dergelijke therapie te zwaar voor haar vindt. Ook vindt hij de bevindingen van de GGZ fors terwijl er maar één intakegesprek met [naam 2] heeft plaatsgevonden en er verder geen onderzoek is gedaan.

De pleegouders hebben ter terechtzitting, eensluidend, naar voren gebracht dat het goed gaat met de kinderen. Er is nog steeds sprake van problematiek, met name bij [naam 2] , waarvoor behandeling nodig is. Zij heeft therapie nodig maar deze komt nog onvoldoende van de grond. Er ligt een plan van aanpak bij de GGZ gereed, maar de ouders hebben hiervoor geen toestemming verleend. De pleegouders hebben verder aangegeven dat het voor hen een bewuste keuze is om (nog) niet met de voogdij over de kinderen te worden belast. Zij willen goed in contact met de ouders blijven. Dit contact zou kunnen worden verstoord als zij beslissingen over de kinderen moeten nemen. Het is beter als de GI de beslissingen over de kinderen neemt.

De vertegenwoordigster van de GI heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat zowel ten aanzien van [naam 1] als van [naam 2] een behandeladvies door de GGZ is gegeven. Beide kinderen hebben een grote sprong in hun ontwikkeling gemaakt sinds hun verblijf in het pleeggezin. Beide kinderen blijven daarbij wel veel hulp en ondersteuning nodig hebben. Het is voor [naam 2] van groot belang dat zij zal worden behandeld voor haar problematiek. Zij heeft weinig eigenwaarde en als daarin geen hulp wordt geboden zal haar problematiek eerder verergeren. De kinderen hebben beiden erg veel meegemaakt en behandeling vanuit de GGZ is dan ook noodzakelijk. De ouders geven echter geen toestemming voor de beno-digde therapie waardoor deze hulp niet van de grond komt. Naar aanleiding van de opmer-king van de kinderrechter dat aan de ouders onvoldoende uitleg is gegeven over het behan-delaanbod is nogmaals een afspraak gepland bij de GGZ. De moeder is niet op deze afspraak geweest en haar standpunt is ongewijzigd. Ondanks de gegeven uitleg acht zij hulp niet nodig voor [naam 2] . De GI heeft – desgevraagd – aangegeven dat zij de opdracht van de kinderrechter in de beschikking van 17 augustus 2017 aldus heeft opgevat dat er een uiteen-zetting gegeven diende te worden over hetgeen is ondernomen gedurende de ondertoezicht-stelling wat betreft de omgang van de ouders met de kinderen en het perspectief van de kinderen. Anders dan zijdens de moeder is gesteld, is deze informatie volgens de GI wel actueel. De GI heeft daarbij zowel Prisma als Juzt gevraagd om een actuele visie te geven op de situatie. Er is door de GI bewust verwezen naar documenten van direct betrokken professionals om zo transparant mogelijk te zijn richting de ouders. Er is verwezen naar de gang van zaken, maar ook naar de actuele situatie. Uitbreiding van de omgang is niet mogelijk gebleken. Een dergelijke uitbreiding vormt een eerste voorwaarde voor verder onderzoek of een thuisplaatsing mogelijk is. Daaraan wordt dus niet toegekomen. De GI staat achter het verzoek van de Raad. Het perspectief van de kinderen ligt in het pleeggezin. Zij wonen daar inmiddels 1,5 jaar en zij ontwikkelen zich positief. Bij de ouders is, ondanks hun goede intenties, onvoldoende groei waargenomen gedurende de periode van de ondertoezichtstelling. Indien de rechtbank het verzoek van de Raad mocht afwijzen dan handhaaft de GI haar verzoek om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen.

De beoordeling

Voordat de rechtbank ingaat op de inhoudelijke beoordeling van het onderhavige verzoek zullen eerst een tweetal verweren worden besproken die namens de moeder van de kinderen zijn gevoerd alsmede het verzoek van de advocaat van de moeder om de kinderen in het kader van deze procedure te horen.

Zijdens de moeder is de suggestie gewekt dat de GI na het ontvangen van de beschikking van 17 augustus 2017 contact heeft opgenomen met de Raad en heeft verzocht om het onderhavi-ge verzoek in te dienen. De rechtbank zal dit verweer van de moeder passeren, nu daarvoor geen enkele aanwijzing is. Uit de stukken blijkt dat de Raad al op 8 augustus 2017 een conceptrapportage heeft uitgebracht waarop de raadsman van de moeder op 22 augustus 2017 inhoudelijk heeft gereageerd middels een e-mailbericht dat is overgelegd als bijlage bij het rapport van de Raad van 24 augustus 2017. Geconcludeerd moet worden dat de moeder tijdig – en dus voor de beschikking van 17 augustus 2017 – reeds zelf kennis moet hebben gehad van het voorgenomen verzoek van de Raad en het daarbij behorende rapport. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de door de advocaat van de vrouw gemaakte verdacht-making over vermeend handelen van de GI niet is gerechtvaardigd.

De rechtbank zal ook voorbij gaan aan het verweer van de moeder dat het rapport van de Raad niet gebruikt mag worden als onderbouwing van het onderhavige verzoek. Het rapport van de Raad dat ter onderbouwing van het verzoek is ingebracht, is recent en bevat actuele informatie uit 2017. Daarnaast heeft de Raad gebruik gemaakt van eerdere rapporten van de Raad, namelijk die van 29 december 2016 en 22 juli 2016. Dat informatie wordt gebruikt uit eerdere rapportages is gebruikelijk bij onderzoeken door de Raad. De informatie van de betrokken informanten is van recente datum en met name deze informatie heeft de Raad doen besluiten tot het indienen van het onderhavige verzoek. Deze informatie dateert niet van 22 juli 2016, zoals de advocaat van de moeder kennelijk meent.

De advocaat van de moeder heeft voorts verzocht de kinderen in het kader van deze proce-dure door de rechtbank te laten horen, ondanks dat zij de leeftijd van 12 jaren nog niet hebben bereikt. De advocaat heeft ter onderbouwing van zijn verzoek verwezen naar de Europese jurisprudentie op dit punt. De rechtbank wijst dit verzoek af. Daarbij is het volgende in overweging genomen. De kinderen zijn in het kader van het onderzoek uitgebreid gehoord door de Raad. Een raadsmedewerker is in gesprek geweest met de kinderen en de kinderen hebben in dat kader in voldoende mate hun mening kunnen geven. De rechtbank heeft in de meest recente informatie geen aanwijzingen gezien die aanleiding geven om te veronderstellen dat de kinderen thans een andere mening zouden hebben. Dat hiervan wel sprake zou zijn, is namens de moeder ook niet gesteld. De rechtbank acht zich op basis van de stukken in het dossier voldoende geïnformeerd over de visie die de kinderen hebben op de situatie.

De rechtbank overweegt, dat zij op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) het gezag van een ouder kan beëindigen, indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat bij beide kinderen sprake is van forse kindeigen problematiek wat mede is veroorzaakt door hetgeen zij hebben meegemaakt in het verleden. Met name bij [naam 2] is er sprake van externaliserend gedrag en behandeling is voor haar noodzakelijk om zich goed te kunnen ontwikkelen. Haar problema-tiek is vastgesteld door professionals en de rechtbank heeft geen enkele reden om te twijfelen aan hun conclusies. Dit zelfde geldt ook voor [naam 1] . Ook hij heeft dringend behandeling nodig. Het strijdt met de belangen van de minderjarigen dat de noodzakelijke behandeling niet van de grond komt en hun ontwikkeling wordt geremd omdat de ouders hun toestem-ming voor deze behandeling weigeren.

Voornoemde weigering komt voort uit overwegingen van de ouders die zij maken vanuit hun eigen perspectief en belangen. Daarbij hebben zij geen oog voor de belangen van de kinderen. Ook tijdens de behandeling ter terechtzitting is gebleken dat de ouders geen blijk geven van enig inzicht in de problematiek van de kinderen en de oorzaak die aan deze problematiek ten grondslag lijkt te liggen. Zij zien geen noodzaak voor behandeling en hulp voor de kinderen. De ouders blijven vasthouden aan hun eigen behoefte om voor de kinderen te mogen zorgen en gaan daarbij voorbij aan de specifieke behoeften van de kinderen. Deze kinderen vragen door hun forse problematiek meer van hun opvoeders dan de ouders op pedagogisch vlak kunnen bieden. Gebleken is dat de ouders genieten van de omgang met de kinderen, maar dat het hen niet lukt om de kinderen te begrenzen en aan te sluiten bij de minderjarigen. De rechtbank ziet dat het geen onwil is van de ouders, maar dat zij onmachtig zijn deze kinderen te bieden wat zij nodig hebben. Ook zijn de ouders niet of onvoldoende in staat hun eigen behoefte opzij te zetten en de belangen van de kinderen te laten prevaleren. De rechtbank deelt de visie van de Raad en de GI dan ook dat er geen perspectief is op een plaatsing van de kinderen bij (één van) de ouders. De rechtbank concludeert dat de ouders niet binnen een voor de kinderen aanvaardbaar te achten termijn in staat zijn de zorg en opvoeding van de kinderen op zich te nemen.

Aan de beschikking van 17 augustus 2017 is naar het oordeel van de rechtbank door de GI gevolg gegeven in die zin dat inzichtelijk is gemaakt wat er is ingezet in het kader van de ondertoezichtstelling om te bezien of het mogelijk was om een onderzoek te starten of er mogelijk een perspectief van de kinderen bij de ouders zou liggen. Aan dit onderzoek is echter niet toegekomen omdat aan een eerste voorwaarde hiervoor niet is voldaan, namelijk dat de ouders zelfstandig invulling kunnen geven aan de omgang met de kinderen. Gebleken is dat de intensieve professionele begeleiding van de omgang nog steeds noodzakelijk is om deze momenten zo goed mogelijk voor de kinderen te laten verlopen. De gegeven onderbouwing tezamen met het rapport van de Raad maakt dat de rechtbank zich voldoende geïnformeerd acht om een beslissing te kunnen nemen op het voorliggende verzoek.

De rechtbank is van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, sub a BW is voldaan en zal het verzoek tot beëindiging van het gezag van de ouders toewijzen.

Omdat de beëindiging van het gezag van de ouders ertoe zal leiden, dat een gezagsvoor-ziening over [naam 1] en [naam 2] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid BW een voogd over hen te benoemen. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank acht het in het belang van [naam 1] en [naam 2] dat de GI wordt belast met de voogdij. Het is van belang dat de pleegouders in staat zullen zijn om het contact met de ouders goed te kunnen onderhouden zonder dat er strijd ontstaat omtrent beslissingen over de kinderen. De (gezags)beslissingen over de kinderen zullen worden genomen door de GI als neutrale derde. De GI heeft zich bereid verklaard de voogdij op zich te nemen.

Het voorgaande betekent dat het verzoek van de Raad zal worden toegewezen. De rechtbank gaat er van uit dat de GI zich zal blijven inzetten voor de omgangsmomenten tussen de ouders en de kinderen waarbij de belangen van de kinderen leidend zullen zijn.

De beslissing


De rechtbank:

beëindigt het ouderlijk gezag van [de man] , geboren te Rucphen op [geboortedatum 3] en [naam 2] , geboren te Roosendaal en Nispen op [geboortedatum 4] , over [naam 1] en [naam 2] ;

benoemt tot voogdes over genoemde minderjarigen Stichting Jeugdbescherming Brabant, gevestigd te Roosendaal;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Gessel, Prenger en J.H. de Graaf, kinderrechters, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 november 2017.

SB

De griffier is niet staat om deze beschikking te ondertekenen.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
's-Hertogenbosch