Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:7804

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30-11-2017
Datum publicatie
30-11-2017
Zaaknummer
17/6926
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Uitspraak van de voorzieningenrechter op het door de beheerder van camping Fort Oranje en drie anderen ingediende verzoek om schorsing van een door de burgemeester van Zundert aan hen opgelegd gebiedsverbod. De rechter schorst het besluit, waarin een eerder opgelegd verbod zich te begeven op het terrein van camping Fort Oranje met drie maanden werd verlengd.

Het aanvankelijke gebiedsverbod stamt van juni. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester bij dit nieuwe besluit niet goed heeft gemotiveerd waarom er nog steeds een ernstige vrees bestaat voor verstoring van de openbare orde door betrokkenen en waarom er thans weer een gebiedsverbod voor de duur van drie maanden moet worden opgelegd. De rechter neemt in dit oordeel mee dat zich in de afgelopen maanden geen incidenten hebben voorgedaan en dat het eerder opgelegde gebiedsverbod niet is overtreden. Ook is van belang dat de feitelijke situatie op camping Fort Oranje intussen in belangrijke mate is gewijzigd, omdat al veel bewoners zijn vertrokken en de meeste velden zijn ontruimd. Overigens is tegen dat gebiedsverbod toen ook een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend door twee van de thans betrokkenen. Toen heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat dat besluit van kracht bleef.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6308
Omgevingsvergunning in de praktijk 2017/7723
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 17/6926 GEMWT VV

uitspraak van 30 november 2017 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

1. [naam verzoeker 1] , te [woonplaats verzoeker 1] , verzoeker sub 1,

2. [naam verzoeker 2] , te [woonplaats verzoeker 2] , verzoeker sub 2,

3. [naam verzoeker 3] , te [woonplaats verzoeker 3] , verzoekster,

gemachtigde: mr. J.S. Pols,

4. [naam verzoeker 4] ,te [woonplaats verzoeker 4] , verzoeker sub 4,

gezamenlijk te noemen: verzoekers,

en

de burgemeester van de gemeente Zundert, verweerder,

gemachtigde: mr. B.J.P.G. Roozendaal.

Procesverloop

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 21 september 2017 (bestreden besluit) van de burgemeester waarbij het verzoekers is opgedragen zich te verwijderen en verwijderd te houden voor de duur van drie maanden van Camping Fort Oranje en de daaraan grenzende (gedeeltes van) openbare wegen. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 23 november 2017. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en R. den Ouden en L. Schneider.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Aan deze procedure gaat een langslepend conflict vooraf tussen Fort Oranje en de gemeente Zundert over de wijze waarop de camping door de beheerder(s) wordt geëxploiteerd en de rol van verschillende overheidsinstanties in de ontstane problematiek.

De burgemeester en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zundert (het college) hebben op 9 juni 2017 vanwege de woon- en leefsituatie op camping Fort Oranje aan de exploitante, Recreatiepark Fort Oranje B.V., het voornemen kenbaar gemaakt om de camping te sluiten. Daarbij is aangegeven dat de sluiting op zijn vroegst op 4 augustus 2017 zal plaatsvinden en dat de bewoners, op dat moment in ieder geval de 535 in de gemeentelijke basisregistratie geregistreerde personen, in een jaar tijd gefaseerd herhuisvest zullen worden.

Op 22 juni 2017 heeft de exploitante bekend gemaakt dat de exploitatie van camping Fort Oranje al op 3 juli 2017 gestaakt zal worden en dat iedereen op die dag na 12:00 uur het terrein verlaten dient te hebben en dat de water- en stroomvoorziening gestaakt zal worden.

Dit voornemen van de exploitante doorkruiste de herhuisvestingsplannen van de gemeente Zundert. Gevreesd werd dat niet tijdig adequate opvang geregeld zou kunnen worden voor een groot aantal hulpbehoevende bewoners. Dit vooruitzicht heeft geleid tot een bijeenkomst van het Regionaal Beleidsteam van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant. Tijdens deze bijeenkomst heeft de voorzitter van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant vastgesteld dat sprake was van ernstige vrees voor het ontstaan van een ramp of crisis van meer dan plaatselijke betekenis. De voorzitter van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant heeft daarop het besluit genomen om op te schalen naar fase 4 van de Gecoördineerde Regionale Incidentbestrijdings Procedure (GRIP).

Om het gemeentelijke opvangplan veilig te stellen en een aanstaande crisis te voorkomen hebben de burgemeester en het college de camping per 23 juni 2017 gesloten en het beheer ervan overgenomen. Dit sluitingsbevel, gebaseerd op onder meer artikel 17 van de Woningwet, en de overname van het beheer, gebaseerd op artikel 13b van de Woningwet, dateren van 23 juni 2017. Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt. Voorts zijn verzoeken om een voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van 11 september 2017 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank zich onbevoegd verklaard om van de verzoeken kennis te nemen. De verzoeken om voorlopige voorziening zijn doorgezonden naar de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS). Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van de AbRS van 20 oktober 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2846) zijn de verzoeken deels niet-ontvankelijk verklaard en deels afgewezen.

Omdat de voorzitter van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant vreesde dat op 23 juni 2017 en de periode daarna bij de overname van het beheer sprake zou zijn van een zeer precaire situatie, waarbij op elk moment de vlam in de pan zou kunnen slaan, heeft hij gebiedsverboden opgelegd. Dit betreffen volgens de voorzitter gebiedsverboden voor spilfiguren op de camping, waaronder verzoekers, die bij eerdere bezoeken van het bevoegd gezag aan de camping een opruiende en/of openbare orde verstorende rol hadden. Voor verzoekers, die niet op de camping woonachtig zijn, is de reikwijdte van het gebiedsverbod bepaald op het terrein van de camping Fort Oranje. De gebiedsverboden zijn gebaseerd op artikel 172 van de Gemeentewet in samenhang met artikel 39 van de Wet veiligheidsregio´s.

Verzoeker sub 1, verzoeker sub 4 en twee anderen hebben bezwaar gemaakt tegen de besluiten van de voorzitter van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant, uitgereikt op 23 juni 2017, waarbij het verzoekers, ter voorkoming van ernstige verstoring van de openbare orde, is verboden gedurende drie maanden na inwerkingtreding van het besluit zich te bevinden binnen het gebied zoals aangegeven op de bij het besluit behorende kaart. Verder hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 13 juli 2017 (geregistreerd onder de nummers BRE 17/4738 VV, 17/4740 VV en 17/4747 VV) heeft de voorzieningenrechter, voor zover hier van belang, de verzoeken van verzoeker sub 1 en verzoeker sub 4 afgewezen.

Bij het thans bestreden besluit van 21 september 2017 (hierna: het gebiedsverbod) heeft de burgemeester verzoekers opgedragen zich te verwijderen en verwijderd te houden voor de duur van drie maanden van camping Fort Oranje en de daaraan grenzende (gedeeltes van) openbare wegen. De burgemeester heeft daarbij aangegeven dat het belang van de openbare orde een verlenging van het besluit van de voorzitter van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant met een besluit met een zelfde strekking noodzaakt. De vrees bestaat dat indien verzoekers zich ter plaatse zullen begeven, zij de bewoners tegen het nieuwe beheer en de aanwezige politie en andere gezagsdragers zullen opruien dan wel anderszins de openbare orde zullen verstoren.

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 21 september 2017. Verder hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

2. Verzoekers hebben aangevoerd dat het gebiedsverbod is opgelegd ter voorkoming van een ernstige verstoring van de openbare orde. Verzoekers hebben echter geen verleden waaruit afgeleid zou kunnen worden dat hun aanwezigheid een ernstige verstoring van de openbare orde tot gevolg heeft of kan hebben. Zij hebben geen antecedenten die samenhangen met geweld of openlijke geweldpleging. Er is geen sprake geweest van opruiende handelingen. Het proces-verbaal van 22 juni 2017 bevat hiervoor geen aanwijzing. Dat de mogelijkheid zou bestaan dat een herhaling zou plaatsvinden van iets dat niet heeft plaatsgevonden, is niet te volgen. Er is evenmin sprake van een concreet manifesterende (dreigende) ordeverstoring. Daarnaast hebben verzoekers aangevoerd dat de gebiedsverboden inbreuk maken op de door artikel 2 van het vierde Protocol van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) beschermde bewegingsvrijheid en tot een ontoelaatbare inbreuk op het eigendomsrecht leiden. Kennelijk wil de burgemeester verzoekers niet toelaten op het perceel om de ontmanteling van de eigendommen van camping Fort Oranje en anderen te kunnen voortzetten.

Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen.

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

4. Op grond van artikel 172, eerste lid, van de Gemeentewet is de burgemeester belast met de handhaving van de openbare orde.

Op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet is de burgemeester bevoegd bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk te achten zijn voor de handhaving van de openbare orde.

5.1

De burgemeester betwist dat verzoekers (spoedeisend) belang hebben bij het treffen van een voorlopige voorziening. Daartoe heeft de burgemeester aangegeven dat (het college van burgemeester en wethouders van) de gemeente Zundert, uit hoofde van zijn rol als beheerder en op grond van zijn privaatrechtelijke bevoegdheid daartoe, verzoekers de toegang tot het terrein heeft ontzegd waar de voor hen geldende gebiedsverboden van toepassing zijn. Gelet hierop kunnen verzoekers volgens de burgemeester met het onderhavige verzoek niet het beoogde doel bereiken. Verder heeft de burgemeester aangegeven dat het feit dat verzoekers na de bekendmaking van het bestreden besluit vier weken hebben gewacht met het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening, niet getuigt van een spoedeisend belang.

5.2

De voorzieningenrechter stelt voorop dat verzoeker sub 1 en verzoekster als (middellijk) eigenaren van het terrein waarop de camping Fort Oranje en verzoeker sub 4 als gemachtigde van de [naam hypotheekhouder] in staat gesteld moeten worden om toezicht uit te oefenen op het intussen door het college beheerde terrein. Daarbij komt dat verzoekers door het bestreden besluit voortdurend in hun bewegingsvrijheid worden beperkt, zodat ook daarin een (spoedeisend) belang bij de gevraagde voorziening is gelegen.

Met betrekking tot de stelling van de burgemeester dat het spoedeisend belang tot het treffen van een voorlopige voorziening zou ontbreken gelet op het feit dat verzoekers ook privaatrechtelijk de toegang tot het terrein is ontzegd door het college als beheerder van het terrein, overweegt de voorzieningenrechter dat verzoekers ter zitting hebben aangegeven dat zij aan deze gebiedsontzeggingen geen waarde toekennen. Zij betwisten dat het college de bevoegdheid heeft om een eigenaar de toegang tot zijn eigendommen te ontzeggen. In de visie van verzoekers betekent schorsing van het bestreden besluit dan ook dat zij het terrein kunnen betreden. Het is dan eventueel aan de strafrechter om te beoordelen of sprake is van huisvredebreuk, zoals door burgemeester is gesteld.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de onderhavige procedure zich niet leent voor beantwoording van deze vraag. Het is niet aan de bestuursrechter, en al helemaal niet in haar hoedanigheid als voorzieningenrechter, om zich uit te spreken over de rechtmatigheid van een privaatrechtelijke ontzegging van de toegang. Daarbij komt dat het onderhavige gebiedsverbod zich ook uitstrekt tot de openbare wegen rondom de camping Fort Oranje. Dit gebiedsverbod is daarmee ruimer van strekking dan de privaatrechtelijke ontzegging van de toegang tot het terrein van camping Fort Oranje. Dat betekent dat de gestelde ontzegging van de toegang aan verzoekers niet in de weg staat aan het aannemen van een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening.

5.3

De voorzieningenrechter acht onder deze omstandigheden in beginsel spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb bij de gevraagde voorziening aanwezig. Dat verzoekers eerst na vier weken na het opleggen van het gebiedsverbod om schorsing hebben verzocht, maakt dat niet anders. De voorzieningenrechter zal aan de hand van een voorlopig rechtmatigheidsoordeel en zo nodig een belangenafweging beoordelen of er ook voldoende spoedeisend belang is om het treffen van een voorlopige voorziening te rechtvaardigen.

6.1

De voorzieningenrechter dient voorts te beoordelen of de burgemeester bevoegd is om aan verzoekers een gebiedsverbod op te leggen en, zo ja, of de burgemeester in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.

6.2

Het gebiedsverbod is gebaseerd op artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet. Op grond van deze wettelijke bepaling is de burgemeester bevoegd bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk te achten zijn voor de handhaving van de openbare orde.

Zoals de AbRS eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 2 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3689), heeft artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet volgens de geschiedenis van de totstandkoming ervan betrekking op situaties waarin enerzijds geen overtreding van wettelijke voorschriften ter bewaring van de openbare orde plaatsvindt, terwijl anderzijds sprake is van een zodanige inbreuk op orde en rust dat niet meer van een aanvaardbaar niveau daarvan gesproken kan worden. Daartegen moet kunnen worden opgetreden. De bepaling dient er toe de burgemeester ook in dergelijke gevallen bevoegd te verklaren tot handelen. De burgemeester kan echter op basis van deze bepaling niet naar willekeur maatregelen ter bewaring van de openbare orde nemen. Er moet zich een verstoring van die orde of ernstige vrees daarvoor voordoen en de bevelen moeten noodzakelijk zijn voor de handhaving van de openbare orde. Voorts mogen de bevelen niet van wettelijke voorschriften afwijken en moeten ze proportioneel en subsidiair zijn (Kamerstukken I 1990/91, 19 403, nr. 64b, blz. 16-17).

Een verstoring van de openbare orde of ernstige vrees daarvoor kan worden veroorzaakt door uiteenlopende feiten en omstandigheden, die in voormelde bepaling niet nader zijn omschreven. Indien zich een dergelijke situatie voordoet, is de burgemeester bevoegd om de bevelen te geven die noodzakelijk te achten zijn voor de handhaving van de openbare orde. Welke inhoud en reikwijdte dergelijke bevelen mogen hebben, is in de bepaling evenmin nader omschreven. Derhalve is in artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet aan de burgemeester een aanzienlijke beoordelingsruimte gelaten om te bepalen of de openbare orde is verstoord dan wel ernstige vrees daarvoor bestaat en welke maatregelen daartegen moeten worden genomen. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling, waarin onder meer is vermeld dat de bepaling "is gericht op de voorkoming en bestrijding van allerlei ordeverstoringen" en "dat bevelen in zijn algemeenheid een meer ad-hoc-karakter dragen dan voorschriften" (Kamerstukken I 1990/91, 19 403, nr. 64b, blz. 16-18), volgt dat de wetgever hiervoor bewust heeft gekozen. Indien de burgemeester zich onverwacht geconfronteerd ziet met een verstoring van de openbare orde of indien daar ernstige vrees voor bestaat, heeft hij op grond van deze bepaling de bevoegdheid om daartegen op te treden door het geven van bevelen die op de desbetreffende situatie zijn toegesneden.

De voorzieningenrechter wijst er voorts op dat een gebiedsverbod een vergaande maatregel is. De inbreuk op het recht van verzoekers zich vrijelijk te verplaatsen moet in verhouding staan tot het te bereiken doel. Evenwicht dient derhalve te worden gezocht tussen bescherming van het algemeen belang bij het voorkomen van verstoring van de openbare orde enerzijds en het belang van het respecteren van de grondrechten van verzoekers anderzijds. Dit betekent dat de maatregel waardoor verzoekers beperkt wordt in hun bewegingsvrijheid, niet langer mag duren dan strikt noodzakelijk en dat het gebied waarop het verbod ziet, zo beperkt mogelijk moet worden gehouden.

6.3

In het bestreden besluit is aangegeven dat het belang van handhaving van de openbare orde een verlenging van het bij besluit van de voorzitter van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant van 23 juni 2017 opgelegde gebiedsverbod voor de duur van drie maanden noodzaakt door middel van een besluit met eenzelfde strekking van de burgemeester. De vrees bestaat dat indien verzoekers zich ter plaatste zullen begeven, zij de bewoners tegen het nieuwe beheer en de aanwezige politie en andere gezagsdragers zullen opruien dan wel anderszins de openbare orde zullen verstoren. De gemachtigde van de burgemeester heeft ter zitting toegelicht dat het bestreden besluit zo gelezen moet worden dat er een ernstige vrees bestaat dat de openbare orde zal worden verstoord indien verzoekers zich op de camping zullen begeven.

Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de gemachtigde van de burgemeester ten aanzien van verzoeker sub 1, verzoeker sub 4 en verzoekster gewezen op de overgelegde processen-verbaal van bevindingen van politie, waarin de gedragingen van verzoekers onder meer op 9 juni 2017 en op 22 juni 2017 zijn beschreven. Ten aanzien van verzoeker sub 2 heeft de burgemeester aangegeven dat het de verwachting is dat ook hij zich schuldig zal maken aan ernstige verstoring van de openbare orde, nu hij vaak samen met de overige verzoekers optreedt.

Verder heeft de burgemeester gewezen op het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van de inspecteur van politie Eenheid Zeeland-West-Brabant van 22 november 2017 waarin – onder meer – het volgende is vermeld:

“Het gebiedsverbod van de burgemeester is mede op verzoek van de politie uitgesproken. Ik ben er tevens mee bekend dat er op 23 november 2017 een zitting bij de rechtbank is over het gebiedsverbod. Sinds het vorige gebiedsverbod zijn de hiervoor genoemde vier personen niet meer op de camping geweest. Wel zijn zij, alleen of gezamenlijk, in de onmiddellijke omgeving geweest van de camping. Bijvoorbeeld bij [locatie 1] . Dat ligt naast de camping. Ook zijn zij gezien bij de [locatie 2] in [vestigingsplaats] en zij spraken daar campingbewoners aan. Wij merken dan direct dat er onrust ontstaat op de camping. Er zijn namelijk mensen die [naam verzoeker 1] ondersteunen en er zijn mensen die blij zijn dat de gemeente nu het beheer heeft. Mijn professionele mening is dat als één van de hiervoor genoemde personen weer op de camping mag komen, dat zal leiden tot een onmiddellijke en ernstige verstoring van de openbare orde. Het beheer van de camping zal daardoor ook lastiger worden. De beheerders zullen vaker meer politiebijstand nodig hebben. (…) De aanwezigheid van [naam verzoeker 1] , [naam verzoeker 4] en [naam verzoeker 3] werken als katalysator en zijn vaak ook de aanstichters van verstoringen van de openbare orde. Ik wijs op hun gedrag op 23 juni 2017 toen de gemeente het beheer overnam (…).”

6.4

De voorzieningenrechter overweegt dat in het bestreden besluit weliswaar is aangegeven dat de vrees bestaat dat indien verzoekers zich ter plaatste zullen begeven zij de bewoners tegen het nieuwe beheer en de aanwezige politie en andere gezagsdragers zullen opruien dan wel anderszins de openbare orde zullen verstoren, maar dat een deugdelijke onderbouwing van dit standpunt in het bestreden besluit ontbreekt.

Onder verwijzing naar het proces-verbaal van 22 november 2017 heeft de burgemeester ter zitting nader toegelicht waarom er in zijn visie een ernstige verstoring van de openbare orde kan plaatsvinden indien verzoekers alleen of gezamenlijk op de camping komen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is echter ook daarmee nog niet voldoende toegelicht om welke redenen deze vrees bestaat. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

6.5

Vooropgesteld moet worden dat vooralsnog van de rechtmatigheid van de door de voorzitter van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant opgelegde gebiedsverboden moet worden uitgegaan. Dat maakt dat voor de onderhavige beoordeling aangenomen moet worden dat de ten tijde van het opleggen van de gebiedsverboden op 23 juni 2017 aan de voorwaarden voor toepassing van de bevelsbevoegdheid op de voet van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet was voldaan. Doel van deze maatregel is herstel van de openbare orde, dan wel voorkomen van de (verdere) verstoring daarvan. Zoals in het – ook in deze procedure ingebrachte – verweerschrift van de voorzitter van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant in de procedure ten aanzien van de gebiedsverboden van 23 juni 2017 ook is aangegeven, vergen doel en strekking van deze maatregel dat na het verstrijken van de termijn wordt geëvalueerd of de dreiging nog altijd aanwezig is. Ook al ligt er nu een bevel van een ander bestuursorgaan – vanwege de afschaling van het risico is de burgemeester weer bevoegd – aan de voorzieningenrechter voor, in het licht van de voorgeschiedenis en omdat de burgemeester zelf ook aangeeft dat het in feite gaat om een noodzakelijk geachte verlenging van dat bevel, had het op de weg van de burgemeester gelegen om te beoordelen of er na afloop van de opgelegde herstelmaatregel, nog altijd sprake was van een ernstige dreiging voor het ontstaan van een verstoring van de openbare orde die oplegging van een nieuw bevel voor de duur van drie maanden noodzaakt. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat de burgemeester kon voorzien op welk moment het voorgaande gebiedsverbod zou eindigen, zodat geen sprake is van een geval waarin de situatie plots vroeg om toepassing van de bevelsbevoegdheid.

De burgemeester heeft gesteld dat dat is gebeurd. Met verzoekers is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat die afweging onvoldoende is, of althans onvoldoende inzichtelijk is gemaakt. Het gedrag van verzoekers in het verleden rechtvaardigt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter weliswaar enige vrees voor terugval in het overlast gevende gedrag, doch de burgemeester is pas bevoegd om het gebiedsverbod op te leggen als sprake is van concrete aanwijzingen die ernstige vrees voor terugval in het overlast gevende gedrag rechtvaardigen. Vooralsnog is niet van concrete aanwijzingen gebleken die vorenbedoelde ernstige vrees rechtvaardigen.

Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat sedert de incidenten in juni 2017, die zich allemaal hebben afgespeeld rondom het moment dat de voor verzoekers verstrekkende besluiten tot sluiting van de camping en tot overname van het beheer zijn genomen, niet gebleken is dat zich nieuwe incidenten hebben voorgedaan. Niet gebleken is van een patroon van verstoring van de openbare orde. Verzoekers hebben zich gehouden aan de gebiedsverboden. Ook wijst de voorzieningenrechter erop dat de meeste bewoners inmiddels zijn vertrokken en dat het college, zoals ter zitting is toegelicht, de camping intussen voor een heel belangrijk deel gefaseerd heeft ontruimd. Op 6 december 2017 vindt de ontruiming van het laatste veld plaats. Dat maakt dat de feitelijke situatie ter plaatse intussen in belangrijke mate is gewijzigd, hetgeen ook van invloed is op de gestelde ernstige vrees voor overlast.

De enkele omstandigheid dat verzoekers alleen of gezamenlijk in de omgeving van de camping zijn geweest, maakt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter nog niet dat er een ernstige vrees bestaat om aan te nemen dat de openbare orde verstoord zal worden bij betreding van het terrein. Datzelfde geldt voor de opmerking dat er niet nader omschreven ‘onrust’ ontstaat nadat bewoners met verzoekers hebben gesproken.

6.6

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de door de burgemeester genoemde omstandigheden naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet rechtvaardigen dat er een ernstige vrees bestaat voor verstoring van de openbare orde. Het besluit om de eerder door de voorzitter van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant ten aanzien van verzoekers opgelegde gebiedsverboden te verlengen door middel van een besluit van eenzelfde strekking door de burgemeester, berust niet op een voldoende draagkrachtige motivering.

7. Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat naar verwachting het bestreden besluit in bezwaar geen stand kan houden. Hierin ziet de voorzieningenrechter na afweging van de betrokken belangen aanleiding het verzoek toe te wijzen en het bestreden besluit met ingang van 1 december 2017 te schorsen tot twee dagen na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar.

De voorzieningenrechter herhaalt – wellicht ten overvloede – dat zij zich niet heeft uitgesproken over de privaatrechtelijke ontzeggingen van de toegang tot het terrein door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zundert. Deze uitspraak heeft uitsluitend tot gevolg dat het op grond van het publiekrecht door de burgemeester opgelegde gebiedsverbod ten aanzien van verzoekers wordt geschorst.

8. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, dient de burgemeester aan verzoekers het betaalde griffierecht te vergoeden.

De voorzieningenrechter veroordeelt de burgemeester in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    schorst het bestreden besluit met ingang van 1 december 2017 tot twee dagen na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

  • -

    draagt de burgemeester op het betaalde griffierecht van € 168,- aan verzoekers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van

€ 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.M. van Lanen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Vermunt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 november 2017.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.