Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:7595

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
20-11-2017
Datum publicatie
24-11-2017
Zaaknummer
BRE 17_769
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft geoordeeld over de berisping van eiser en het hem verlenen van ontslag wegens ongeschiktheid.

Tav de berisping. Nu eiser via zijn e-mailaccount bij Defensie tot twee keer toe een zakelijk contact heeft benaderd voor (financieel) voordeel bij de aanschaf van een auto voor privégebruik, hij daadwerkelijk voordeel heeft verkregen en hij zijn zakelijk contact hiervoor heeft bedankt, is de rechtbank van oordeel dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Nu enerzijds eisers handelwijze hem ten volle is aan te rekenen en anderzijds het gaat om een beperkt verkregen kortingsbedrag, acht de rechtbank de maatregel van een schriftelijke berisping niet onevenredig.

Tav het ontslag. De rechtbank kan de minister volgen dat het door eiser begane gedrag aantoont dat het hem ontbreekt aan de eigenschappen betrouwbaarheid, integriteit en professionaliteit, welke essentieel zijn bij een gedegen taakvervulling binnen de verwervingsbranche. Met het oog op de geloofwaardigheid van Defensie mogen hoge eisen aan de functie van eiser gesteld worden ten aanzien van betrouwbaarheid en integriteit. Een projectmanager moet autonoom kunnen opereren. Hij staat niet onder dagelijks toezicht. Een projectmanager moet zelf in staat zijn de professionele grenzen te bewaken. Uit eisers ontkenning dat er sprake is van plichtsverzuim en zijn stelling dat er sprake is van een marktconforme aankoop en onderhandeling kan de conclusie worden getrokken dat het innerlijk besef van de eisen die aan de integriteit worden gesteld bij eiser ontbreekt. De rechtbank vindt het daarbij ook van belang dat eiser niet consequent is (geweest) in zijn verklaringen. Het achterwege laten van een verbeterkans is gelet op eisers gedragingen in relatie tot de aard van de functie niet onredelijk. In onderhavige situatie is het gebruikmaken van de bevoegdheid om ontslag te verlenen niet onevenredig. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaag niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 17/769 AW

uitspraak van 20 november 2017 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats eiser], eiser,

gemachtigde: mr. M.P.K. Ruperti,

en

de minister van Defensie, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 10 januari 2017 (bestreden besluit) van verweerder inzake het geven van een schriftelijke berisping en het verlenen van eervol ontslag.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 9 oktober 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.E. Lamberti en mr. P.M. van der Weijden.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 9 oktober 2015 (primair besluit I) is aan eiser een schriftelijke berisping opgelegd, met toepassing van artikel 100, eerste lid, aanhef en onder a, van het

Burgerlijk ambtenarenreglement Defensie (hierna: BARD). Hieraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat gebleken is dat eiser als defensieambtenaar een zakelijk contact had bij [naam bedrijf], te weten [naam contactpersoon]. Eiser heeft hem met zijn e-mailaccount bij Defensie benaderd met het doel (financieel) voordeel te verkrijgen op de aanschaf van een auto voor privégebruik. Volgens de minister staat vast dat het handelen van eiser heeft geresulteerd in een (extra) korting van € 236,- exclusief BTW op de aanschaf van zijn auto. Ondanks de omstandigheid dat eiser vanuit zijn toenmalige functie geen zakelijke contacten met [naam contactpersoon] heeft onderhouden, heeft hij zich willens en wetens in een kwetsbare positie gebracht waardoor aan zijn integriteit kon worden getwijfeld. Deze schending van de bij eiser bekende integriteitsregels kwalificeert de minister als ernstig plichtsverzuim.

In het primaire besluit I is tevens aangegeven dat eiser blijk heeft gegeven onbekwaam of ongeschikt te zijn voor functies waarbij zakelijke contacten worden onderhouden met marktpartijen, dan wel waarbij de ambtenaar wordt betrokken bij verwervingsaangelegenheden. Aan eiser is de gelegenheid geboden om binnen Defensie een andere functie te vinden. Indien hij na zes maanden geen andere functie zou hebben gevonden, zou aan hem ontslag worden verleend.

Bij besluit van 30 maart 2016 (primair besluit II) is aan eiser op grond van artikel 121, eerste lid, aanhef en onder g, van het BARD, per 1 juli 2016 ontslag verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt.

Bij het bestreden besluit heeft de minister de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten I en II) ongegrond verklaard.

2. Eiser heeft aangevoerd dat hij zich niet aan plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt. Uit getuigenverklaringen in de strafzaak tegen eiser, afgelegd bij de rechter-commissaris, blijkt dat er sprake is geweest van marktconforme aankoop en onderhandelingen. Eiser was niet op de hoogte van afspraken tussen [naam bedrijf] en de dealers om kortingen te verlenen. Eiser is voorts van mening dat het ontslag onevenredig is. Gezien de leeftijd en ervaringsopbouw is het moeilijk zo niet onmogelijk om andere functies te vinden. Daarbij komt dat sollicitaties worden afgewezen omdat er een strafrechtelijke procedure loopt. Daarnaast is volgens eiser sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel omdat de heer [naam medeverdachte ] niet wordt ontslagen.

3 Ten aanzien van de berisping

3.1

In artikel 99, eerste lid, van het BARD is bepaald dat de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege disciplinair kan worden gestraft.

In artikel 99, tweede lid, van het BARD is bepaald dat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift omvat als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Ingevolge artikel 100, eerste lid en onder a, van het BARD is de schriftelijke berisping een disciplinaire straf, welke kan worden opgelegd.

3.2

De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak (CRvB 14 oktober 1999, ECLI:NL:CRVB:1999:AA4696) voor het bewijs van plichtsverzuim geldt dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging moet zijn verkregen dat de betrokken ambtenaar zich aan de hem verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt

3.3

De rechtbank overweegt dat uit het proces-verbaal blijkt dat eiser op 14 oktober 2009, vanuit zijn e-mailaccount bij Defensie, een e-mail heeft gestuurd aan de [naam contactpersoon]. [naam contactpersoon] is werkzaam bij [naam bedrijf]. Hij is een zakelijk, geen privé contact van eiser. In de betreffende e-mail heeft eiser het volgende aangegeven: ‘Hallo [naam contactpersoon], (…) Ik heb een privé vraagje: Ik wil een nieuwe passat CC aanschaffen kun jij wat voor me betekenen.’ [naam contactpersoon] heeft eiser verwezen naar een aantal websites. Tevens heeft hij aangegeven: ‘In de tussentijd zal ik nagaan of (en zo ja, hoe) ik iets verder voor je kan betekenen.’ Eiser heeft uiteindelijk afgezien van de aanschaf van een Volkswagen Passat CC. Op 15 september 2010 heeft eiser wederom vanuit zijn e-mailaccount bij Defensie een e-mail gestuurd naar [naam contactpersoon]. Eiser heeft aangegeven een Volkswagen EOS te willen aanschaffen en hij heeft hem expliciet gevraagd: ‘Kun jij nog wat doen en als ik nu de eos pak ipv 1 januari is er dan ook nog een voordeel.’ Vervolgens heeft [naam contactpersoon] een e-mail gestuurd naar de dealer bij wie eiser de Volkswagen EOS wilde aanschaffen, met daarin het voorstel dat [naam bedrijf] ter hoogte van 1% kan meehelpen op de aanschaf van de betreffende Volkswagen EOS. Dit komt neer op een bedrag van € 236,-. Bij e-mail van 8 oktober 2010, met als onderwerp ‘bedankt’, heeft eiser [naam contactpersoon] het volgende gemeld: ‘, Ik wil even doorgeven dat ik de EOS gekocht heb, we hebben heel lang met de bekleding bezig geweest twee kleuren leer. Ik wil je bedanken voor met kleine bijdrage alle kleine beetjes helpen toch’. Op 13 oktober 2010 is er tussen eiser en de betreffende dealer een koopovereenkomst ondertekend, ten aanzien van een Volkswagen EOS, waarin een korting ter hoogte van € 1.872,61 is verwerkt. Tot slot is er tussen [naam bedrijf] en de betreffende dealer een schriftelijke afspraak gemaakt omtrent het door [naam bedrijf] verschuldigde bedrag van € 236,-.

3.4

Nu eiser via zijn e-mailaccount bij Defensie tot twee keer toe een zakelijk contact heeft benaderd voor (financieel) voordeel bij de aanschaf van een auto voor privégebruik, hij daadwerkelijk voordeel heeft verkregen en hij zijn zakelijk contact hiervoor heeft bedankt, is de rechtbank van oordeel dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Dat er, zoals eiser stelt, sprake is van een marktconforme aankoop, doet niet af aan de geconstateerde handelwijze. Eisers stelling dat hij niet op de hoogte was van de korting, acht de rechtbank in het licht van de e-mail van 8 oktober 2010, waarin hij [naam contactpersoon] bedankt, niet geloofwaardig. Op basis van artikel 99, eerste lid, van het BARD juncto artikel 100, eerste lid en onder a, van het BARD is de minister bevoegd om eiser schriftelijk te berispen. Nu enerzijds eisers handelwijze hem ten volle is aan te rekenen en anderzijds het gaat om een beperkt verkregen kortingsbedrag, acht de rechtbank de maatregel van een schriftelijke berisping niet onevenredig. Het bestreden besluit kan voor zover het de berisping betreft dan ook in stand blijven. Ten aanzien van dit deelbesluit is eisers beroep ongegrond.

4 Ten aanzien van het ontslag

4.1

In artikel 121, eerste lid en onder g, van het BARD is bepaald dat de ambtenaar kan worden ontslagen op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

4.2

Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB (bijv. ECLI:NL:CRVB:2010:BL6906) moet ongeschiktheid als hier aan de orde - zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn - worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar.

4.3

Volgens de minister is het door eiser begane plichtsverzuim van een zodanige aard

en ernst dat geconcludeerd moet worden dat het hem ontbreekt aan de eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van zijn functie als projectmanager te Soesterberg vereist zijn. Het plichtsverzuim toont aan dat het eiser ontbreekt aan de eigenschappen betrouwbaarheid, integriteit en professionaliteit. Deze eigenschappen zijn essentieel voor een gedegen taakvervulling binnen de verwervingsbranche. Eiser dient namelijk in de functie van projectmanager autonoom te kunnen opereren, waarbij hij niet onder dagelijks toezicht kan worden gesteld. Een projectmanager moet dan ook zelf in staat zijn om zijn professionele grenzen te handhaven. Indien er twijfel bestaat of een ambtenaar, die in de functie van projectmanager werkzaam is, nog steeds in voldoende mate over deze eigenschappen beschikt, dan kan hij niet meer functioneren in het vakgebied verwerving. Een dergelijk situatie doet zich in elk geval voor, indien een ambtenaar bij de aanschaf van privégoederen in contact treedt met een persoon uit zijn zakelijk netwerk dat is ontstaan als gevolg van zijn functioneren binnen het vakgebied verwerving. Daarom is de minister van oordeel dat eiser niet langer werkzaam kan blijven binnen de verwervingsbranche. In dit kader acht de minister het ook van belang dat eiser nimmer heeft uitgesproken de ernst en de laakbaarheid van het door hem begane plichtsverzuim in te zien. Het bieden van een verbeterkans aan eiser is niet zinvol, aldus de minister.

4.4

Eiser stelt dat het ontslag onevenredig is. Eiser heeft verder aangevoerd dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden, omdat medeverdachte [naam medeverdachte ] niet wordt ontslagen.

4.5

De rechtbank kan de minister volgen dat het door eiser begane gedrag aantoont dat het hem ontbreekt aan de eigenschappen betrouwbaarheid, integriteit en professionaliteit, welke essentieel zijn bij een gedegen taakvervulling binnen de verwervingsbranche. Met het oog op de geloofwaardigheid van Defensie mogen hoge eisen aan de functie van eiser gesteld worden ten aanzien van betrouwbaarheid en integriteit. Een projectmanager moet autonoom kunnen opereren. Hij staat niet onder dagelijks toezicht. Een projectmanager moet zelf in staat zijn de professionele grenzen te bewaken. Uit eisers ontkenning dat er sprake is van plichtsverzuim en zijn stelling dat er sprake is van een marktconforme aankoop en onderhandeling kan de conclusie worden getrokken dat het innerlijk besef van de eisen die aan de integriteit worden gesteld bij eiser ontbreekt. De rechtbank vindt het daarbij ook van belang dat eiser niet consequent is (geweest) in zijn verklaringen. Zo stelt hij niet op de hoogte te zijn geweest van de korting, terwijl hij [naam contactpersoon] toch bedankt. Het achterwege laten van een verbeterkans is gelet op eisers gedragingen in relatie tot de aard van de functie niet onredelijk.

4.6

De rechtbank overweegt dat de minister niet heeft gekozen om een disciplinair ontslag te verlenen, maar voor een (eervol) ontslag wegens ongeschiktheid. Het verlenen van ontslag wegens ongeschiktheid is een discretionaire bevoegdheid. Dat betekent dat er een belangenafweging dient plaats te vinden. De belangen van eiser inhoudende het behoud van zijn werk en inkomen wegen naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen de belangen van de werkgever, inhoudende het imago van de Defensieorganisatie en het vertrouwen dat de medewerkers onkreukbaar zijn. De minister heeft eiser voorafgaand aan het ontslag zes maanden de gelegenheid is geboden om binnen Defensie een andere functie te vinden. Dat dit niet is gelukt omdat, zoals eiser stelt, de strafzaak steeds werd tegengeworpen, maakt niet dat de minister niet bevoegd was tot het verlenen van ontslag. In onderhavige situatie is het gebruikmaken van de bevoegdheid om ontslag te verlenen niet onevenredig.

4.7

Wat betreft eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft de minister in het verweerschrift en tijdens de zitting uiteengezet dat er een verschil bestaat tussen de burgerambtenaren van Defensie (eiser en [naam persoon 1]) en de militaire ambtenaren (de heren [naam medeverdachte ] en [naam persoon 2]). Op de militair is het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) van toepassing. Artikel 39, tweede lid, aanhef en onder j, van het AMAR behelst de bevoegdheid tot het verlenen van ontslag wegens ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie of voor de vervulling van functies binnen de groepen van functies. De ontslaggrond in het BARD beperkt zich tot de bekleedde functie. Er is derhalve geen sprake van gelijke gevallen. De door eiser genoemde collega is militair en op hem is niet dezelfde rechtspositieregeling van toepassing. De andere burgerambtenaar is eveneens geconfronteerd met een ontslag wegens ongeschiktheid. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan derhalve niet slagen.

5. De rechtbank komt tot de slotsom dat het bestreden besluit in stand kan blijven. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. van Kralingen, voorzitter, en mr. F.P.J. Schoonen en mr. R.A. Karsten-Badal, leden, in aanwezigheid van mr. J.H.C.W. Vonk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 november 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.