Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:7490

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-11-2017
Datum publicatie
29-11-2017
Zaaknummer
AWB 16_8999
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek conversie instructiebevoegdheid RFI(A) (Recreational Flight Instructor) naar FI(A).

Beroep gegrond verklaard. Rechtbank niet overtuigd van standpunt staatssecretaris dat conversie van een RFI(A)-bevoegdheid dient plaats te vinden op basis van conversierapport. Staatssecretaris moet onderzoeken of eiser, gelet op zijn ervaring, voldoet aan de eisen die de Verordening stelt en een nieuw besluit nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 16/8999 BESLU

uitspraak van 16 november 2017 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. dr. R.M. Schnitker,

en

de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 12 oktober 2016 (bestreden besluit 1) van de staatssecretaris waarbij zijn verzoek om een conversie van zijn instructiebevoegdheid RFI(A) naar FI(A) is afgewezen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 25 april 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.M. Kops, H. van den Berg en F.T. Knapen.

Het onderzoek is ter zitting geschorst. Daarbij is de staatssecretaris, in aansluiting op de tussenuitspraak van deze rechtbank van 28 maart 2017 (ECLI:NL:RBZWB:2017:1975) in een vergelijkbare beroepszaak met zaaknummer BRE 16/8408 WET, in de gelegenheid gesteld het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek aan het bestreden besluit te repareren met een nieuw besluit of anderszins.

Vervolgens heeft de staatssecretaris een nieuw besluit van 4 mei 2017 (bestreden besluit 2) overgelegd. Bestreden besluit 1 is daarmee gewijzigd in die zin dat de motivering is aangevuld. Het beroep wordt met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 2. Eiser heeft daarop gereageerd bij brief van 22 mei 2017. Vervolgens heeft de rechtbank, nadat zij toepassing heeft gegeven aan artikel 8:57, eerste lid, van de Awb, het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiser beschikt over de (nationale) bevoegdheid Recreational Flight Instructor (RFI(A)). Op 3 maart 2016 heeft hij een aanvraag ingediend voor conversie van zijn RFI(A)-bevoegdheid naar een FI(A)-bevoegdheid met de opmerkingen SP-SE, LAPL en PPL. Eiser heeft op 4 april 2016 zijn aanvraag aangevuld. Bij besluit van 3 mei 2016 (primair besluit) heeft de staatssecretaris de aanvraag afgewezen. De staatssecretaris heeft daaraan ten grondslag gelegd dat eiser niet in het bezit is van een ‘course completion form FI(A)’ van een daartoe bevoegde ATO (Approved Training Organisation).

Bij bestreden besluit 1 heeft de staatssecretaris de bezwaren van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Het primaire besluit is daarmee in stand gebleven.

1.2.

In de hierboven aangehaalde vergelijkbare beroepszaak met zaaknummer BRE 16/8408 WET met een vergelijkbaar bestreden besluit heeft deze rechtbank bij tussenuitspraak van 28 maart 2017 (ECLI:NL:RBZWB:2017:1975) geoordeeld dat aan dat besluit een motiveringsgebrek kleeft. Kort gezegd heeft de rechtbank in de tussenuitspraak overwogen dat zij er niet van overtuigd is dat de bevoegdheid RFI(A) niet kan worden aangemerkt als een nationale FI(A)-bevoegdheid als bedoeld in bijlage II bij de Verordening (EU) 1178/2011 (de Verordening), nu dit in dat besluit niet is gemotiveerd en de staatssecretaris zijn standpunt ter zitting ook niet afdoende kon toelichten.

1.3.

De staatssecretaris heeft in bestreden besluit 2 nader toegelicht waarom de in geding zijnde bevoegdheid RFI(A) van eiser in zijn optiek niet is aan te merken als een nationale FI(A)-bevoegdheid als bedoeld in bijlage II bij de Verordening.

2. Eiser heeft aangevoerd dat hij in aanmerking dient te komen voor de gevraagde bevoegdheidsverklaring. Hij betwist dat voor omzetting noodzakelijk zou zijn dat hij een cursus volgt bij een ATO. Eiser wijst erop dat de Europese verordening een keuzemogelijkheid bevat voor omzetting van het nationaal brevet en dat hij nadrukkelijk niet voor omzetting via een conversierapport heeft gekozen. Eiser wijst op de rechtstreekse werking van de verordening. Eiser stelt zich op het standpunt dat het Nederlandse conversierapport, uitgegeven door de Inspectie Leefomgeving en Transport, niet voldoet aan de inhoud van de verdragstekst en aan Nederlandse wetten en AMvB’s. Het conversierapport is niet gepubliceerd als AIC-B, niet voorzien van een ministeriële maatregel van bestuur, en voldoet niet aan de eisen van de EASA (European Air Safety Association) FCL (Flight Crew License). Eiser stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer concreet het motiveringsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.

Naar aanleiding van bestreden besluit 2 heeft eiser opgemerkt dat de staatssecretaris daarin niet de gehele aanloop naar de Verordening heeft vermeld, waardoor een onjuist beeld ontstaat. Eiser wijst erop dat, wanneer de Verordening van toepassing is in Nederland, vliegers verplicht zijn om een bewijs van bevoegdheid te hebben conform deze Verordening. In dat verband wijst eiser erop dat de Europese Commissie/EASA een belangrijk adagium heeft geïntroduceerd, namelijk: “Bewijzen van bevoegdheid en medische certificaten afgegeven op basis van nationale wet- en regelgeving (JAR-FCL) worden geacht in overeenstemming te zijn met de voorschriften van de Verordening (EC) 1178/2011 (Part/FCL)”. In de optiek van eiser – kort samengevat – valt niet in te zien waarom de instructiebevoegdheid RFI niet rechtstreeks kan worden omgezet op basis van bijlage II bij de Verordening.

3. Partijen zijn het erover eens en de rechtbank stelt vast dat de afgifte van het in geschil zijnde bewijs van bevoegdheid thans wordt geregeld in de Verordening en dat de Verordening tevens regelt hoe bestaande nationale bewijzen van bevoegdheid dienen te worden omgezet.

Artikel 4 van de Verordening bepaalt:

  1. Bewijzen van bevoegdheid die vóór deze verordening is van toepassing door een lidstaat zijn afgegeven of erkend gebaseerd op de JAR (Joint Aviation Regulations) worden geacht te zijn afgegeven in overeenstemming met deze verordening. Uiterlijk op 8 april 2018 dienen de lidstaten deze bewijzen van bevoegdheid te vervangen door bewijzen van bevoegdheid die beantwoorden aan het in deel ARA vastgestelde formaat.

  2. Bewijzen van bevoegdheid die niet zijn gebaseerd op de JAR, inclusief alle bijbehorende bevoegdverklaringen, certificaten, autorisaties en/of kwalificaties die door een lidstaat zijn afgegeven of erkend vóór deze verordening van toepassing werd, worden door de lidstaat die het bewijs van bevoegdheid heeft afgegeven, omgezet in bewijzen van bevoegdheid conform deel FCL.

  3. Bewijzen van bevoegdheid die niet zijn gebaseerd op de JAR en de bijbehorende bevoegdverklaringen of certificaten worden omgezet in bewijzen van bevoegdheid conform deel FCL overeenkomstig:

  1. de bepalingen van bijlage II, of

  2. de elementen die in een conversieverslag zijn vastgesteld.

4. In lijn met de einduitspraak van de rechtbank in zaaknummer BRE 16/8408 WET van 12 september 2017 (ECLI:NL:RBZWB:2017:5829) is de rechtbank op basis van de nadere motivering in bestreden besluit 2 nog steeds niet overtuigd van het standpunt van de staatssecretaris dat conversie van een RFI(A)-bevoegdheid op grond van de Verordening dient plaats te vinden op basis van een conversierapport, nu zij voor de uitleg van de staatssecretaris in de Verordening geen steun kan vinden.

Anders dan ten aanzien van andere bevoegdheden is in de (bijlagen bij de) Verordening niet gedefinieerd wat onder de (nationale) FI(A)-bevoegdheid (niet JAR-FCL) wordt verstaan. Dat betekent dat de rechtbank dit begrip zelf zal moeten uitleggen. Voor de rechtbank staat niet vast dat in Nederland sinds de implementatie van de JAR-FCL geen (nationale) FI(A)-bevoegdheid als bedoeld in bijlage II bij de Verordening meer bestaat. De tekst van de Verordening geeft ook geen aanleiding voor de conclusie dat uitsluitend de FI die opleidt tot PPL is bedoeld. Bij dat oordeel betrekt de rechtbank dat volgens bijlage II onder 2 een certificaat van een instructeur, afgegeven door een lidstaat in overeenstemming met de nationale eisen, moet worden geconverteerd in een certificaat conform deel FCL op voorwaarde dat de kandidaat voldoet aan de daar opgenomen eisen: een RFI(A)-bevoegdheid is een dergelijk certificaat.

Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat alsnog moet worden getoetst of het RFI(A)-certificaat van eiser voldoet aan onderdeel A, onder 2, van Bijlage II bij de Verordening en dus moet worden geconverteerd in een certificaat conform deel FCL (zonder te toetsen aan het conversieverslag), meer concreet of eiser voldoet aan de in bedoeld artikel vermelde ervaringseisen.

5. Op basis van het voorgaande zal het beroep van eiser gegrond worden verklaard en zullen de bestreden besluiten worden vernietigd. In lijn met de einduitspraak van de rechtbank in zaaknummer BRE 16/8408 WET van 12 september 2017 ziet de rechtbank geen ruimte om zelf in de zaak te voorzien, omdat de staatssecretaris nog zal moeten onderzoeken of eiser, gelet op zijn ervaring, voldoet aan de eisen die bijlage II bij de Verordening stelt. De staatssecretaris zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

6. Gelet op hetgeen hiervoor is besproken behoeven de door eiser aangehaalde algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het gelijkheidsbeginsel, naar het oordeel van de rechtbank geen bespreking meer.

7. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed.

De rechtbank zal de staatssecretaris veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.237,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke reactie op bestreden besluit 2, met een waarde per punt van € 495, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten;

  • -

    draagt de staatssecretaris op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt de staatssecretaris op het betaalde griffierecht van € 168,= aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.237,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 november 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.