Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:747

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
06-02-2017
Datum publicatie
13-03-2017
Zaaknummer
C/02/311268 FA RK 16-766
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gegrondverklaring ontkenning vaderschap. De ABS heeft Pools recht toegepast bij het opmaken van de geboorteakte. De rechtbank volgt de ABS hierin. Overschrijding termijn. Artikel 8 EVRM. Het belang van de minderjarige wordt niet beschermd door de wettelijke termijn, maar juist geschaad. Toewijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

zaakgegevens: C/02/311268 FA RK 16-766

datum uitspraak:

beschikking betreffende gegrondverklaring ontkenning vaderschap,

in de zaak van

[naam moeder minderjarige] ,

wonende te Roosendaal,

hierna te noemen de moeder,

advocaat mr. T.Y. Tsang.

betreffende de minderjarige [minderjarige] , geboren te [plaats en datum] .

1. Het verloop van het geding

Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 8 februari 2016 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;

- een afschrift van de geboorte-akte betreffende na te noemen minderjarige;

- de oproeping van de griffier van deze rechtbank van de juridische vader in de Staatscourant;

- de beschikking van deze rechtbank van 19 juli 2016, houdende de benoeming van een bijzondere curator over de minderjarige;

- de brief van de griffier van 23 maart 2016 aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Roosendaal;

- de op 4 april 2016 ontvangen brief van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Roosendaal;

- de op 12 april 2016 ontvangen brief van de advocaat van de moeder;

- de op 29 augustus 2016 ontvangen brief van de bijzondere curator;

- het op 9 september 2016 ontvangen verslag van de bijzondere curator met bijlagen;

- het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 oktober 2016;

- de brief van de griffier van 27 oktober 2016 aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Roosendaal;

- de op 30 november 2016 ontvangen brief van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Roosendaal;

- het op 19 december 2016 ontvangen F9-formulier van de advocaat van de moeder;

- de op 20 december 2016 ontvangen brief van de bijzondere curator.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

  1. de minderjarige, vertegenwoordigd door mr. K.T.J.M. Pijls-Olde Scheper, in de hoedanigheid van bijzondere curator,

  2. de heer [naam juridische vader] , de juridische vader van de minderjarige, hierna te noemen de man.

Als andere wiens verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn is aangemerkt de heer [naam vermoedelijke biologische vader] , de vermoedelijke biologische vader van de minderjarige.

2 Het verzoek

Het verzoek strekt tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap.

3 De beoordeling

3.1

Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat het volgende vast:

  • -

    De moeder en de man zijn met elkaar gehuwd geweest.

  • -

    Uit dat huwelijk is geboren de minderjarige [minderjarige] , geboren te [plaats en datum] .

  • -

    Bij vonnis van de rechtbank in Piotrków Trybunalski, Polen, van 25 juni 2012 is tussen de man en de moeder de echtscheiding uitgesproken.

  • -

    De moeder, de minderjarige en de vermoedelijk biologische vader hebben de Poolse nationaliteit. De nationaliteit van de man is, op basis van de thans voorhanden zijnde stukken op voorhand, niet vast te stellen.

3.2

Op grond van artikel 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe, nu de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft in Nederland.

3.3

De moeder legt aan haar verzoek ten grondslag dat zij sinds 2012 geen contact meer met de man heeft gehad. Zijn woon- of verblijfplaats is voor haar onbekend. De moeder stelt dat de man niet de biologische vader is van de minderjarige. De biologische vader van de minderjarige is de heer [naam vermoedelijke biologische vader] . Dit blijkt ook uit de bij het verzoekschrift gevoegde rapport van een DNA-onderzoek. De minderjarige heeft nimmer contact met de man gehad. De vrouw wenst, net als de heer [naam vermoedelijke biologische vader] , de juridische situatie overeen te laten komen met de feitelijke situatie. Ten aanzien van het toepasselijke recht is namens de moeder naar voren gebracht dat het Poolse recht van toepassing is op het verzoek nu zowel de moeder als de man de Poolse nationaliteit bezit. De moeder stelt dat de man in 2012 zeer waarschijnlijk de Poolse nationaliteit had. Ingevolge het Poolse recht kan een moeder binnen zes maanden na de geboorte van het kind het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap indienen. Op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) dient het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap te worden toegewezen, gezien het Poolse recht het belang van het kind schaadt. De termijnstelling in het Poolse recht vormt een ongerechtvaardigde inmenging in de zin van artikel 8 EVRM. De moeder verzoekt dan ook om het verzoek toe te wijzen. Indien het Nederlandse recht van toepassing is op het verzoek dan stelt de moeder dat een bijzondere curator dient te worden benoemd, die namens het kind het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap indient.

3.4

De bijzondere curator voert aan dat op basis van de stukken niet kan worden vastgesteld dat de man en de moeder beiden de Poolse nationaliteit bezitten dan wel dat zij hun gewone verblijfplaats hebben in Nederland. Aangesloten dient dan ook te worden bij de gewone verblijfplaats van het kind hetgeen betekent dat het Nederlandse recht van toepassing is op het verzoek van de moeder.

De bijzondere curator stelt zich primair op het standpunt dat er in deze zaak sprake lijkt te zijn van een onjuiste administratieve verwerking bij de gemeente. De moeder stelt dat er sprake is van juridisch ouderschap nu de minderjarige binnen 306 dagen na ontbinding van het huwelijk is geboren. De 306-dagen termijn is in deze kwestie echter niet van toepassing omdat de minderjarige na de wetswijziging van 1 april 1998 is geboren. De bijzondere curator verzoekt dan ook de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Roosendaal te gelasten om de akte op grond van artikel 1:24 van het Burgerlijk Wetboek (BW) aan te passen.

Subsidiair verzoekt de bijzondere curator om de ontkenning van het door het huwelijk ontstane vaderschap van de man gegrond te verklaren. De moeder heeft het verzoek weliswaar niet binnen de in artikel 1:200 BW gestelde termijn ingediend, maar met het oog op artikel 8 EVRM dient deze termijn te wijken. Er wordt naar de mening van de bijzondere curator op geen wijze de rechtszekerheid geschaad wanneer deze termijn wordt gepasseerd. Er is voldaan aan de gronden voor de gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap en bovendien hebben de moeder en de vermoedelijk biologische vader de wens om de band tussen de minderjarige en de vermoedelijk biologische vader te formaliseren. De minderjarige heeft er recht op en belang bij dat tussen hem en zijn vermoedelijke biologische vader een familierechtelijke band wordt gevestigd. Het belang van de minderjarige wordt niet beschermd door de wettelijke termijn van artikel 1:200 BW, maar eerder geschaad. De termijnstelling zorgt in deze zaak dan ook voor een ongerechtvaardigde inmenging in de zin van artikel 8 EVRM. De bijzondere curator is dan ook van mening dat het verzoek van de moeder dient te worden toegewezen.

3.5

De griffier van de rechtbank heeft na de mondelinge behandeling ter terechtzitting op 3 oktober 2016 de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Roosendaal (hierna te noemen: de ambtenaar) in een brief verzocht om zich uit te laten over de vraag of zij over stukken beschikt waaruit de nationaliteit van de man blijkt en op welke grond door haar het Poolse recht is toegepast met betrekking tot de geboorteakte van de minderjarige.

3.6

De ambtenaar heeft in haar brief, door de rechtbank ontvangen op 30 november 2016, naar voren gebracht dat er bij het opmaken van de geboorteakte is uitgegaan van de vermoedelijke nationaliteit van de man. De moeder heeft ten overstaan van de ambtenaar niet tegengesproken dat de man de Poolse nationaliteit zou bezitten. Verder heeft de moeder op 4 september 2012 een Poolse geboorteakte overgelegd waarop is vermeld dat haar huwelijk met de man op 31 augustus 2002 is voltrokken te Lódz te Polen en dat dit huwelijk op 25 juni 2012 is ontbonden door echtscheiding. Op 13 november 2002 is binnen het huwelijk van de moeder en de man een dochter geboren ( [naam dochter] ) en zij heeft ook de Poolse nationaliteit. Ook blijkt uit de door de moeder overgelegde geboorteakte van de man dat hij in Rybno Wielkie te Polen is geboren. Gezien deze genoemde feiten heeft de ambtenaar de conclusie getrokken dat de vermoedelijke nationaliteit van de man de Poolse zal zijn. De ambtenaar mag bij het opmaken van een akte uitgaan van een vermoedelijke nationaliteit en daarvoor is het niet nodig om documenten over te leggen. Daar de ambtenaar is uitgegaan van de Poolse nationaliteit van de man heeft zij ook op de geboorte en daarmee de totstandkoming van de familierechtelijke betrekking het Poolse recht toegepast. De ambtenaar is van mening dat zij correct het Poolse recht heeft toegepast nu voldoende is komen vast te staan dat de man de Poolse nationaliteit bezit.

3.7

In reactie op de brief van de ambtenaar heeft de advocaat van de moeder aangegeven dat er geen documenten voor handen zijn op basis waarvan de nationaliteit van de man kan worden vastgesteld.

De bijzondere curator heeft aangegeven dat gezien de reactie van de ambtenaar het primaire standpunt dat de geboorteakte dient te worden aangepast niet in stand kan blijven. Zij doet derhalve een uitdrukkelijk beroep op haar subsidiaire standpunt, te weten ontkenning van het door het huwelijk ontstane vaderschap. Het verzoek van de moeder dient gegrond te worden verklaard op basis van artikel 1:200 van het Burgerlijk Wetboek en op basis van artikel 8 EVRM.

3.8

De rechtbank overweegt als volgt.

3.9

Ingevolge artikel 10:93 juncto artikel 10:92, eerste lid, BW is op het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap toepasselijk het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de moeder en de man, of, indien dit ontbreekt, door het recht van de staat waar de moeder en de man elk hun gewone verblijfplaats hebben, of, indien ook dit ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Hierbij is bepalend - voor zover hier van belang - het tijdstip van de geboorte van het kind.

Op basis van de voorhanden zijnde stukken heeft de moeder de Poolse nationaliteit en kan de nationaliteit van de man niet op voorhand worden vastgesteld. Op grond van de overgelegde stukken staat vast dat de moeder en de man op 31 augustus 2002 te Łódź, Polen met elkaar zijn gehuwd. De echtscheiding tussen de moeder en de man is uitgesproken bij vonnis van de rechtbank in Piotrków Trybunalski, Polen, van 25 juni 2012. De minderjarige is op 1 november 2012 geboren.

Naar Pools recht wordt een kind als uit het huwelijk geboren beschouwd wanneer dit kind staande het huwelijk is geboren of binnen 300 dagen na de ontbinding van het huwelijk. Nu de minderjarige binnen 300 dagen na de ontbinding van het huwelijk is geboren is de man derhalve als juridische vader aangemerkt van de minderjarige. De man is als vader op de geboorteakte van de minderjarige vermeld. De rechtbank concludeert derhalve dat de ambtenaar het Poolse recht heeft toegepast ten aanzien van de totstandkoming van deze familierechtelijke betrekking. De ambtenaar heeft dit eerst telefonisch en later schriftelijk ook aan de rechtbank bevestigd. De rechtbank stelt vast dat de ambtenaar in deze op basis van de haar bekende stukken, waaronder de geboorteakte van de man, er van uit is gegaan dat de man de Poolse nationaliteit bezit. De ambtenaar heeft in dat kader dan ook het Poolse recht, vanwege de gemeenschappelijke nationaliteit van de moeder en de man, toegepast bij het opmaken van de geboorteakte van de minderjarige. De ambtenaar heeft haar overwegingen hierover in voornoemde brief nader onderbouwd.

Nu de ambtenaar van de burgerlijke stand uit is gegaan van de Poolse nationaliteit van de man zal de rechtbank haar hierin volgen en dus derhalve vaststellen dat het Poolse recht van toepassing is op het onderhavige verzoek van de moeder.

3.10

Of familierechtelijke betrekkingen als bedoeld in artikel 10:92 BW in een gerechtelijke procedure tot gegrondverklaring van een ontkenning kunnen worden tenietgedaan, wordt ingevolge artikel 10:93, eerste lid, BW bepaald door het recht dat ingevolge artikel 10:92 BW op het bestaan van die betrekking toepasselijk is. Gelet op hiervoor overwogene betekent dit dat op de vraag of de familierechtelijke betrekking tussen de juridische vader en de minderjarige tenietgedaan kan worden gedaan ook Pools recht van toepassing is.

3.11

Ingevolge artikel 62, § 1, van het Poolse Familien- und Vormundschaftsgesetzbuch (FVGB) wordt vermoed dat de echtgenoot van de moeder de vader van het kind is. Naar Pools recht is de minderjarige derhalve in familierechtelijke betrekking tot de man komen te staan. Dit vermoeden geldt niet wanneer het kind na afloop van 300 dagen na de beslissing over de scheiding van tafel en bed is geboren. Ingevolge artikel 69, § 1, FVGB kan de moeder het vaderschap van haar echtgenoot aanvechten binnen zes maanden na de geboorte van het kind. Ingevolge artikel 70, § 1, FVGB, kan ook het kind na het bereiken van de meerderjarigheid een verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap indienen, doch op het laatst binnen een termijn van drie jaren na het bereiken van de meerderjarigheid.

3.12

Zoals hiervoor reeds overwogen is de minderjarige binnen 300 dagen na de echtscheiding tussen de moeder en de man geboren en is de man derhalve als juridische vader aangemerkt.

3.13

De moeder heeft haar verzoek ruim 3 jaar na de geboorte van de minderjarige ingediend en dus niet binnen de daartoe door de Poolse wet gestelde termijn. Zowel de moeder als de bijzondere curator heeft zich op het standpunt gesteld dat deze termijn moet wijken voor hetgeen is bepaald in artikel 8 van het EVRM.

3.14

De rechtbank overweegt dat het stellen van termijnen in beginsel geen ongerechtvaardigde inmenging in het ‘family life’ is van betrokkenen in de zin van artikel 8 EVRM, nu de in de wet gegeven termijnen noodzakelijk zijn in een democratische samenleving teneinde de rechtszekerheid te waarborgen en voorts ter bescherming van de belangen van het kind.

In het onderhavige geval is het de wens van alle betrokkenen dat de ontkenning van het vaderschap gegrond wordt verklaard. Niet valt in te zien op welke wijze de rechtszekerheid wordt geschaad indien wordt vastgehouden aan de bepaalde wettelijke termijnen. Blijkens het bij het verzoekschrift overgelegde rapport van de DNA-test is [naam vermoedelijke biologische vader] , en niet de man, de biologische vader van de minderjarige. Hij en de moeder leven sinds de geboorte van de minderjarige in gezinsverband samen. De man is in het geheel niet betrokken bij de minderjarige. Een wijziging van de afstammingsrelatie zorgt voor meer rechtszekerheid voor betrokkenen en dit sluit aan bij de belangen van de minderjarige in die zin dat de biologische als juridische werkelijkheid dan met elkaar overeenkomen. Bovendien wensen de moeder en de biologische vader de band tussen de minderjarige en de biologische vader te formaliseren. De rechtbank stelt vast dat de minderjarige in dit onderhavige geval geen bescherming behoeft op de wijze zoals in artikel 69,§ 1, FVGB bepaald, maar hij heeft er daarentegen belang bij dat tussen hem en zijn biologische vader een familierechtelijke band wordt gevestigd. Nu het belang van de minderjarige niet wordt beschermd door de naar het Poolse recht geldende wettelijke termijn, maar dat dit belang hierdoor juist wordt geschaad, vormt in dit specifieke geval de termijnstelling een ongerechtvaardigde inmenging in de zin van artikel 8, tweede lid, EVRM. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de moeder dan ook ontvangen in haar verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap.

3.15

De moeder heeft sinds 2012 geen contact meer gehad met de man. Zoals hiervoor al is genoemd, blijkt uit de bij het verzoekschrift overgelegde DNA-test dat [naam vermoedelijke biologische vader] de biologische vader is van de minderjarige. De man kan dan ook niet de verwekker zijn van de minderjarige. Het Poolse recht stelt, met uitzondering van de termijn, verder geen wettelijke maatstaven voor de moeder om het vaderschap aan te vechten. De rechtbank zal dan ook, gezien de vaststaande biologische werkelijkheid, het verzoek van de moeder tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de man toewijzen.

4 De beslissing

De rechtbank

wijst toe het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de heer [naam juridische vader] van het kind [minderjarige] , geboren te [plaats en datum] ;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van Triest, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

in tegenwoordigheid van de griffier.

SB

Mededeling van de griffier:

Tegen deze beschikking kan voor zover het een eindbeslissing betreft hoger beroep worden ingesteld:

a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Het beroepschrift moet door tussenkomst van een advocaat worden ingediend bij het gerechtshof te

's-Hertogenbosch.

verzonden op:

1

1 In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.