Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:7381

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
06-11-2017
Datum publicatie
17-11-2017
Zaaknummer
AWB 17_2908
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Latere ingangsdatum AOW-pensioen. De enkele toetsing aan de voorwaarden van de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW (OBR) is niet te beschouwen als het door de CRvB vereiste deugdelijk individueel feitenonderzoek naar het bestaan van een onevenredig zware last. Bij deze toetsing worden namelijk uitsluitend het inkomen en het vermogen van de betrokkene op een bepaalde peildatum betrokken. Alle overige omstandigheden blijven buiten beschouwing, zoals bijvoorbeeld de individuele vaste lasten, eventuele andere effecten van de gewijzigde inkomenspositie en andere mogelijk relevante individuele omstandigheden. Bij het onderzoek moet de Svb ook de rechtspraak van het EHRM betrekken en tot uitgangspunt nemen dat eiser niet in aanmerking komt voor een overbruggingsuitkering op grond van de OBR. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2018/7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 17/2908 AOW

uitspraak van 6 november 2017 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], te [woonplaats eiser], eiser,

gemachtigde: mr. D.E. de Hoop,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb), verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 15 maart 2017 (bestreden besluit) van de Svb inzake zijn pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 27 september 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld van zijn echtgenote. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 28 augustus 2014 heeft eiser een pensioenoverzicht bij de Svb aangevraagd.

Bij brief van 29 augustus 2014 heeft de Svb dit overzicht verstrekt (pensioenoverzicht). In dit overzicht is onder meer vermeld dat eiser de AOW-leeftijd op 28 april 2016 bereikt en dat zijn AOW-opbouw is begonnen op 28 april 1966. Eiser heeft over de periode van 28 april 1966 tot en met 28 augustus 2014 98% AOW-pensioen opgebouwd.

Eiser heeft tegen het pensioenoverzicht bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 12 november 2014 heeft de Svb eisers bezwaren niet-ontvankelijk verklaard voor zover gericht tegen de datum met ingang waarvan aan hem AOW-pensioen wordt toegekend en voor het overige ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het besluit van 12 november 2014 beroep ingesteld bij de rechtbank. Dat beroep is ongegrond verklaard. Het hoger beroep van eiser tegen die uitspraak is door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) ongegrond verklaard bij uitspraak van 18 juli 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:2613).

Bij besluit van 14 januari 2016 (primair besluit) heeft de Svb eiser een AOW-pensioen toegekend met ingang van 28 mei 2016.

Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft de Svb eisers bezwaar ongegrond verklaard.

2. Eiser voert, samengevat, aan dat de Svb zich ten onrechte op het standpunt stelt dat alleen dan sprake is van een onevenredig zware last indien eiser behoort tot de doelgroep van de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW (OBR) en dat daarvan in andere gevallen geen sprake kan zijn. Volgens eiser heeft geen individuele belangenafweging plaatsgevonden en gaat de Svb er ten onrechte aan voorbij dat het verschuiven van de AOW-leeftijd financieel tot een voor hem onevenredig zware last leidt.

3. Op grond van artikel 7a van de AOW zijn met ingang van 1 januari 2013 de pensioengerechtigde leeftijd (voorheen 65 jaar) en de aanvangsleeftijd (voorheen 15 jaar) per leeftijdscohort opgeschoven. Als gevolg van deze wetswijziging is het AOW-pensioen van eiser zes maanden later ingegaan dan voor de inwerkingtreding van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd het geval zou zijn geweest.

4.1.

De rechtbank is van oordeel dat de Svb het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit, ondanks overschrijding van de bezwaartermijn, terecht inhoudelijk heeft beoordeeld omdat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eiser in verzuim is geweest nu de Svb eiser ten aanzien van de te voeren bezwaarprocedure onjuist heeft ingelicht.

4.2.

De CRvB heeft in zijn bovenvermelde uitspraak van 18 juli 2016 overwogen dat met de invoering van artikel 7a van de AOW en de daarmee gepaard gaande verschuiving van de aanvangsleeftijd sprake is van inmenging in het eigendomsrecht van een betrokkene. De CRvB heeft hierbij geconcludeerd dat de verhoging van de AOW-leeftijd in het algemeen proportioneel te achten is en in het algemeen niet leidt tot een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Eerste Protocol).

Dit laat volgens de CRvB onverlet “dat het mogelijk is dat de toepassing van artikel 7a van de AOW in concrete gevallen leidt tot een onevenredig zware last en tot een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol. Of er sprake is van een onevenredig zware last moet van geval tot geval op basis van een deugdelijk individueel feitenonderzoek worden beoordeeld.

Door de verhoging van de aanvangsleeftijd van appellant met vijf maanden, waardoor het begin van de pensioenopbouw van appellant navenant is opgeschoven, is aan de voorkant van de pensioenopbouw een inbreuk gemaakt op zijn eigendomsrecht. Of deze verhoging van de aanvangsleeftijd voor appellant tot een onevenredig zware last leidt, moet worden bezien in het kader van de besluitvorming die betrekking heeft op de toekenning van het AOW-pensioen en de ingangsdatum van dat pensioen. Op dat moment kan de hoogte van de schade worden vastgesteld. Deze besluitvorming heeft inmiddels plaatsgevonden nu bij besluit van 14 januari 2016 aan appellant een AOW-pensioen is toegekend met ingang van 28 mei 2016. Appellant kan zijn beroep op schending van artikel 1 van het Eerste Protocol en de vraag of in zijn geval sprake is van een onevenredig zware last in de procedure tegen dat besluit aan de orde stellen”.

4.3.

Blijkens het bestreden besluit heeft de Svb bij de vraag of sprake is van een onevenredig zware last aansluiting gezocht bij de OBR. Nu eiser, gelet op de hoogte van het gezinsinkomen op de peildatum, niet voldoet aan de voorwaarden om een overbruggingsuitkering te krijgen is volgens de Svb geen sprake van een onevenredig zware last.

Ter zitting heeft de Svb erkend dat niet is vastgesteld wat de hoogte van de schade is die eiser heeft geleden doordat zijn AOW-pensioen zes maanden later is ingegaan. Ook overigens heeft geen individueel feitenonderzoek plaatsgevonden; er is uitsluitend getoetst of eiser behoort tot de doelgroep van de OBR.

4.4.

De rechtbank beschouwt de enkele toetsing aan de voorwaarden van de OBR niet als het door de CRvB vereiste deugdelijk individueel feitenonderzoek naar het bestaan van een onevenredig zware last. Bij deze toetsing worden namelijk uitsluitend het inkomen en het vermogen van de betrokkene op een bepaalde peildatum betrokken. Alle overige omstandigheden blijven buiten beschouwing, zoals bijvoorbeeld de individuele vaste lasten, eventuele andere effecten van de gewijzigde inkomenspositie en andere mogelijk relevante individuele omstandigheden.

4.5.

Daarbij overweegt de rechtbank dat bij de vaststelling of sprake is van een onevenredig zware last ook de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) moet worden betrokken. In het arrest van 13 december 2016 (ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD005308013, zaaknummer 53080/13, Nagy/Hongarije) is het volgende overwogen (rechtsoverwegingen 117 en 118):

“(…) the fair balance test cannot be based solely on the amount or percentage of the reduction suffered, in the abstract. In a number of cases the Court has endeavoured to assess all the relevant elements against the specific background (…). In so doing, the Court has attached importance to such factors as the discriminatory nature of the loss of entitlement (…); the absence of transitional measures (…); the arbitrariness of the condition (…), as well as the applicant’s good faith. An important consideration is whether the applicant’s right to derive benefits from the social-insurance scheme in question has been infringed in a manner resulting in the impairment of the essence of his of her pension rights (…)”.

De rechtbank overweegt in dit kader dat de CRvB al heeft geoordeeld dat de verhoging van de AOW-leeftijd geen (leeftijds)discriminatie inhoudt (zie onder andere de uitspraak van 18 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2502). Eiser heeft daarop overigens ook uitdrukkelijk geen beroep gedaan.

Het enkele feit dat er een overgangsmaatregel bestaat, kan naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer leiden tot de conclusie dat er geen sprake kan zijn van een onevenredig zware last voor eiser. Eiser verkeert immers in de situatie dat hij niet in aanmerking komt voor een overbruggingsuitkering op grond van de OBR. Dát is dan ook de situatie waarvan de Svb moet uitgaan bij het onderzoek naar het al dan niet aanwezig zijn van een onevenredig zware last voor eiser.

Uit het voorgaande volgt dat de beoordeling door de Svb niet voldoet aan de eis dat een beoordeling dient plaats te vinden van alle relevante elementen tegen de specifieke achtergrond van eiser.

5. Het beroep zal gegrond worden verklaard en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen omdat het in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet zorgvuldig is voorbereid. De Svb zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

6. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed.

7. De rechtbank zal de Svb veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt de Svb op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt de Svb op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt de Svb in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.M. van Bergen, rechter, in aanwezigheid van mr. T.B. Both, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 november 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.