Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:735

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-02-2017
Datum publicatie
13-04-2017
Zaaknummer
AWB 16_3628, 16_4063 t/m 16_4070, 16_4284 en 16_7211
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering overneming betalingsverplichtingen na faillissement omdat failliete onderneming vóór faillissement is overgenomen door andere onderneming. De rechtbank is van oordeel dat op basis van de onderzoeksbevindingen niet zonder meer eenduidig de conclusie volgt dat eisers ten tijde van het faillissement niet langer werkzaam waren in dienst van de gefailleerde onderneming door overname van de onderneming. Nader onderzoek door UWV nodig. Vernietiging met opdracht aan UWV nieuw besluit te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 16/3628 WW, BRE 16/4063 WW t/m BRE 16/4070 WW, BRE 16/4284 WW en BRE 16/7211 WW.

uitspraak van 10 februari 2017 van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[Naam eiser1] te [Woonplaats1] , eiser in de zaak met nummer BRE 16/3628 WW,

gemachtigde: mr. P.W.G.J. de Haas,

[Naam eiser2] te [Woonplaats2] , eiser in de zaak met nummer BRE 16/4063 WW,

[Naam eiser3] te [Woonplaats3] , eiser in de zaak met nummer BRE 16/4064 WW,

[Naam eiser4] te [Woonplaats3] , eiser in de zaak met nummer BRE 16/4065 WW,

[Naam eiser5] te [Woonplaats3] , eiser in de zaak met nummer BRE 16/4066 WW,

[Naam eiser6] te [Woonplaats4] , eiser in de zaak met nummer BRE 16/4067 WW,

[Naam eiser7] te [Woonplaats3] , eiser in de zaak met nummer BRE 16/4068 WW,

[Naam eiser8] te [Woonplaats5] , eiser in de zaak met nummer BRE 16/4069 WW,

[Naam eiser9] te [Woonplaats6] , eiser in de zaak met nummer BRE 16/4070 WW,

[Naam eiser10] te [Woonplaats7] , eiser in de zaak met nummer BRE 16/4284 WW,

[Nam eiser11] te [Woonplaats8] , Duitsland, eiser in de zaak met nummer BRE 16/7211 WW,

gemachtigden: mr. S. Matadin en mr. M.J.M. van den Berg,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Rotterdam), verweerder.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen besluiten van 13 mei 2016 (bestreden besluiten) van het UWV inzake de weigering een faillissementsuitkering toe te kennen.

Eisers [Naam eiser10] en [Nam eiser11] hebben beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland, respectievelijk bij de rechtbank Amsterdam. Die rechtbanken hebben de zaken ter behandeling verwezen naar deze rechtbank.

De zaken zijn behandeld in Breda op 16 december 2016, gevoegd met elkaar en met de zaken van vierentwintig eisers voor wie mr. G.J. Sjoer en mr. A.G.W. Verstraten beroep hebben ingesteld. Eiser [Naam eiser1] is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De eisers voor wie mr. Matadin beroep heeft ingesteld hebben zich door hun gemachtigden laten vertegenwoordigen. Voorts zijn verschenen zes eisers voor wie mr. Sjoer beroep heeft ingesteld, bijgestaan door mr. Sjoer. De eisers voor wie mr. Verstraten beroep heeft ingesteld hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde en door mr. J. Jacobs. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M. van der Graaf en P. Vliegenthart.

Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst, aldus dat in de zaken van de eisers voor wie mr. Sjoer en mr. Verstraten beroep hebben ingesteld afzonderlijk uitspraak wordt gedaan.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak met twee weken verlengd.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eisers zijn naar hun zeggen werkzaam geweest in loondienst van I.S.R. (International Shipbuilding & Repair) B.V. I.S.R. droeg tot 30 december 2014 de statutaire naam ‘Scheepswerf Gebr. Jooren Werkendam B.V.’ Bij vonnis van 12 mei 2015 heeft deze rechtbank het faillissement van I.S.R. uitgesproken.

Werknemers die afkomstig waren van Scheepswerf Gebr. Jooren Werkendam B.V. hebben gevraagd om overneming van betalingsverplichtingen, als bedoeld in artikel 61 van de Werkloosheidswet (WW). Daarnaast is een dergelijk verzoek ingediend door werknemers, waaronder eisers, die afkomstig zijn van PDM Personeelsdiensten B.V., voorheen SKB Personeelsdiensten B.V.

Het UWV heeft een onderzoek ingesteld, genaamd ‘Alaska’, waarvan op 11 november 2015 een rapport is uitgebracht. In het kader van dat onderzoek is gesproken met de curator in het faillissement van I.S.R. en is kennis genomen van de faillissementsverslagen en overige van de curator verkregen stukken.

Ten aanzien van de werknemers die afkomstig zijn van Scheepswerf Gebr. Jooren Werkendam B.V. is volgens de curator sprake van overgang van onderneming naar Shipyard Jooren B.V. Volgens de curator zijn voor faillissement, op 1 februari 2015, alle voorraden, leveranciers zoals die van energie en telefonie, alsmede de huurovereenkomst overgegaan van I.S.R. met bestuurder [Bestuurder1] naar Shipyard Jooren B.V., met bestuurder [Bestuurder2] . [Bestuurder2] is de bestuurder van I.S.R. geweest voor de overname door [Bestuurder1] per 1 juli 2014. Doordat deze zaken zijn overgegaan, zijn automatisch de werknemers mee overgegaan naar Shipyard Jooren B.V.

In het Alaska-rapport is geconcludeerd dat sprake is van overgang van onderneming van I.S.R. naar de Jooren Groep volgens artikel 7:662 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Van overgang van onderneming is, volgens het rapport, sprake omdat:

- de identiteit van de onderneming hetzelfde is gebleven voor en na overgang. I.S.R. bouwt aan binnenvaartschepen en waterbouwkundige objecten en de werknemers zijn dat voor en na overgang blijven doen;

- de arbeidsrelaties van werknemers, die afkomstig zijn van Scheepswerf Gebr. Jooren Werkendam B.V., zijn ongewijzigd. Deze werknemers werkten voor en na overgang op de scheepswerf onder leiding van [Bestuurder2] aan projecten van de Jooren Groep;

- de werklocatie voor de werknemers was voor en na overgang de scheepswerf aan de

Sleeuwijksedijk 21a in Werkendam;

- in februari 2015 zijn alle voorraden, leveranciers en de huurovereenkomst teruggegaan naar Jooren Shipbuilding & Construction B.V.;

- Jooren Shipbuilding & Construction B.V. en I.S.R. hebben volgens de Kamer van Koophandel dezelfde activiteiten, namelijk bouw van schepen en drijvend materieel en reparatie en onderhoud van schepen. De identiteit van beide ondernemingen is hetzelfde;

- Jooren Shipbuilding & Construction BV is volgens de Kamer van Koophandel op 26 januari 2015 door [Bestuurder2] en [Bestuurder3] opgericht.

- de werkzaamheden en de projecten op de scheepswerf zijn nooit onderbroken ten tijde van de overgang en na faillissement. Dit is te zien aan de opgeleverde opdrachten op de website www.shipyardjooren.nl;

- de opdrachtgevers zijn overgegaan. Dit is terug te zien op de bankafschriften van Shipyard Jooren BV.

Omdat sprake is van overgang van onderneming zijn, volgens het rapport, de werknemers ook mee overgegaan. Hierdoor is de oude werkgever naast de nieuwe werkgever het eerste jaar aansprakelijk voor loonbetalingen.

Bij besluiten van 27 november 2015 (primaire besluiten) heeft het UWV geweigerd aan eisers een faillissementsuitkering te verstrekken omdat geen sprake is van een dienstbetrekking bij I.S.R..

Het bezwaar van eisers is bij de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

2. Namens eiser [Naam eiser1] heeft mr. De Haas aangevoerd dat het UWV in het bestreden besluit nauwelijks heeft gereageerd op wat in bezwaar is aangevoerd.

Eiser heeft verwezen naar een brief van 1 januari 2015 waarin I.S.R. aan eiser meedeelt dat de arbeidsrelatie met behoud van alle rechten en plichten zal worden overgenomen door I.S.R..

De PDM-werknemers hadden wel contact met [Bestuurder1] die regelmatig aanwezig was. Hij heeft op een personeelsbijeenkomst verklaard dat hij [Bestuurder2] had overgenomen. Eiser heeft arbeid verricht in opdracht van ISR en is daar door ISR voor betaald. Aan de elementen van de arbeidsovereenkomst is voldaan. Het doet er niet toe wie de loonbetalingen verrichtte. Eiser wijst ook op de overeenkomst van geldlening waaruit blijkt dat ISR eisers werkgever was.

De door mrs. Matadin en Van den Berg vertegenwoordigde eisers hebben in beroep aangevoerd dat de onderbouwing van het bestreden besluit onvolledig is. Onderliggende stukken ontbreken zodat controle niet mogelijk is. Eisers zijn slechts ten dele in de gelegenheid gesteld in het kader van het onderzoek te worden gehoord.

De motivering van het bestreden besluit is onvolledig. Volstaan is met een verwijzing naar het rapport en dat is uit oogpunt van rechtsbescherming niet voldoende.

Er is geen sprake van overgang van onderneming. De Belastingdienst gaat daar niet van uit. Volgens de Belastingdienst is I.S.R. een uitlener naar Shipyard Jooren B.V. Dat sluit uit dat sprake is van overgang van onderneming.

Jooren Shipbuilding & Construction B.V. zette niet alleen werknemers van I.S.R. in, maar maakte gebruik van meer uitzendbureaus.

De curator was aanvankelijk van mening dat de werknemers in dienst waren bij I.S.R. en heeft zijn standpunt gewijzigd. Het UWV neemt te gemakkelijk het (gewijzigde) standpunt van de curator over.

Niet is voldaan aan de criteria met betrekking tot overgang van onderneming. Zo is onder meer een wijziging gekomen in de leiding. De heer [Bedrijfsleider] is bedrijfsleider geworden. De conclusie dat de werknemers onder Jooren zijn blijven werken is onjuist.

De Jooren Groep heeft zich ingespannen om de werknemers aan het werk te houden, daar wordt de Jooren Groep nu voor gestraft.

3. In artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is voorgeschreven dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart.

In artikel 3:46 van de Awb is bepaald dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.

In artikel 7:12, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld.

4. De rechtbank overweegt dat in de bestreden besluiten de eisen zijn beschreven waaraan moet zijn voldaan om recht op een faillissementsuitkering te doen ontstaan. Vervolgens is verwezen naar de onderzoeksbevindingen in het onderzoeksrapport ‘Alaska’ en is de inhoud van de primaire besluiten verkort weergegeven. Over wat in bezwaar is aangevoerd is in de bestreden besluiten volstaan met de overweging: “De door uw gemachtigde aangevoerde argumenten geven ons geen aanleiding om anders te concluderen.

Ter zitting is namens het UWV erkend dat niet daarmee niet gemotiveerd op de bezwaren is gereageerd. Het UWV heeft de bevindingen van de curator voldoende geacht en daar de eigen conclusies op gebaseerd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft, anders dan is voorgeschreven in artikel 7:12 van de Awb, geen volledige heroverweging plaatsgevonden en is op zijn minst sprake van een motiveringsgebrek.

5. De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat eisers in dienst waren van I.S.R. en dat dit bedrijf eerder de naam Scheepswerf Gebr. Jooren Werkendam B.V. droeg. Tot 1 juli 2014 was [Bestuurder2] statutair bestuurder van I.S.R. Per die datum is [Bestuurder1] tot bestuurder van I.S.R. benoemd. In september 2014 zijn de aandelen van I.S.R. verkocht aan Lem Holding, waarvan [Bestuurder1] de aandeelhouder en bestuurder is. De onderneming is voortgezet onder de naam I.S.R. Eisers verrichtten hun werkzaamheden steeds op werken die door de Jooren Groep werden aangenomen, op de scheepswerf van bedrijven die 100% eigendom waren van Jooren Beheer B.V.

Het UWV stelt zich op het standpunt dat per 1 februari 2015 alle voorraden, leveranciers, opdrachtgevers en de huurovereenkomst zijn overgegaan naar Jooren Shipbuilding & Construction B.V. en dat in die zin sprake is van de overname van een onderneming. Daarom waren, volgens het UWV, eisers ten tijde van het faillissement niet meer bij I.S.R. in dienst.

Eisers betwisten dat per 1 februari 2015 sprake was van een overgang van onderneming en hebben daarover in bezwaar een aantal gronden aangevoerd. Er deed zich geen wijziging voor in de feitelijke situatie. Eisers waren werkzaam op de werf bij Jooren Shipyard B.V. voordat het I.S.R. heette, en zij zijn daar blijven werken.

Ook hebben eisers betwist dat de overname van bedrijfsmiddelen duidt op overname van de onderneming. Er is slechts een contract gevonden waaruit blijkt dat voor € 150.000,- activa zijn overgenomen. Het is onduidelijk welke activa dat betreft en of die overname van bedrijfsmiddelen moet duiden op overname van de onderneming.

Na het faillissement van I.S.R. zijn eisers in dienst gekomen van een uitzendbureau, Europe@Work. Jooren Holding is een van de beherende vennoten van Europe@Work, via de Employment Group B.V..

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de onderzoeksbevindingen niet zonder meer eenduidig de conclusie volgt dat eisers ten tijde van het faillissement niet langer werkzaam waren in dienst van I.S.R. door overname van de onderneming. Er is niet voldaan aan het vereiste van een zorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit en in het licht van hetgeen daartegen door eisers is ingebracht, kan worden betwijfeld of het UWV de conclusie dat er sprake is van een overgang van onderneming, zodat eisers ten tijde van het faillissement niet meer in dienst waren van ISR, kan blijven baseren op het rapport “Alaska”.

6. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de beroepen van eisers gegrond zijn en dat de bestreden besluiten vernietigd dienen te worden.

Ter zitting is namens het UWV verklaard dat, indien de rechtbank het al gedane onderzoek onvoldoende acht om het besluit te dragen, nader onderzoek noodzakelijk zal zijn, dat in het kader van dat onderzoek (opnieuw) overleg gevoerd moet worden met de curator, met de Belastingdienst en met de opstellers van het rapport ‘Alaska’.

De rechtbank ziet gelet daarop geen aanleiding de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten of zelf in de zaken te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden.

Het UWV zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van drie maanden.

7. Het verzoek om schadevergoeding komt nu niet voor toewijzing in aanmerking. Pas als het UWV een nieuw besluit heeft genomen, kan worden beoordeeld of eisers recht hebben op schadevergoeding.

8. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eisers te worden vergoed.

9. De rechtbank zal het UWV veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten, te berekenen op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht .

De proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank vast op € 990,- ten gunste van de eiser [Naam eiser1] en op € 1.237,50 ten gunste van de eisers die zich door mr. Matadin en mr. Van den Berg hebben laten vertegenwoordigen. Bij de berekening van deze bedragen is uitgegaan van 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495, en ten aanzien van eiser [Naam eiser1] wegingsfactor 1 en ten aanzien van de overige eisers, in verband met samenhang, wegingsfactor 1,5.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten;

  • -

    draagt verweerder op binnen drie maanden na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af;

  • -

    draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 46,- aan ieder van eisers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het UWV in de proceskosten van eisers tot de in overweging 9 genoemde bedragen van € 990,- en € 1.237,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Oudkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.