Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:724

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
02-02-2017
Datum publicatie
08-09-2017
Zaaknummer
AWB 16_2273
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

zaaknummer: BRE 16/2273 WMO15

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 16/2273 WMO15

uitspraak van 2 februari 2017 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres], te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. M.H. de Bruin,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal (college), verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van 1 maart 2016 (bestreden besluit) inzake de afwijzing van haar aanvraag om een persoonsgebonden budget (pgb).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 15 september 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger].

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om het college in de gelegenheid te stellen de aanvraag van eiseres om een pgb naar aanleiding van hetgeen ter zitting is besproken, nader te onderzoeken en in aansluiting hierop een (nader) gemotiveerd standpunt in te nemen met betrekking tot de aanvraag. Het college heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en heeft bij brief van 13 oktober 2014 een aanvullende motivering gegeven op het bestreden besluit. Hierop heeft eiseres bij brief van 9 november 2016 gereageerd.

Partijen hebben de rechtbank vervolgens toestemming gegeven uitspraak te doen zonder nadere zitting, waarna de rechtbank op 10 januari 2017 het onderzoek heeft gesloten.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres is bekend met een depressieve stoornis, posttraumatische stressstoornis (PTSS) en een borderline-stoornis.

De ouders van eiseres hebben zich op 2 maart 2015 namens eiseres bij het college gemeld voor een aanvraag van een pgb voor de aanschaf van een PTSS hulphond en een daarbij behorende training.

Naar aanleiding van deze melding heeft er op 16 april 2015 een huisbezoek plaatsgevonden. Van dit bezoek is een gespreksverslag opgemaakt, dat door het college is aangemerkt als een aanvraag voor een voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).

Het college heeft in het kader van deze aanvraag informatie ingewonnen bij Stichting hulphond Nederland en bij ziektekostenverzekeraar CZ. In verband met persoonlijke omstandigheden van eiseres, waaronder een opname van eiseres voor behandeling in [behandelplaats], heeft het college de behandeling van de aanvraag vervolgens aangehouden.

De ouders van eiseres hebben zich namens eiseres, nadat eiseres was ontslagen uit [behandelplaats], op 15 oktober 2015 opnieuw bij het college gemeld, waarna het college de beoordeling van de aanvraag heeft voortgezet. Het college heeft opnieuw informatie ingewonnen bij Stichting hulphond Nederland en bij CZ. Tevens heeft het college kennis genomen van de diverse stukken die eiseres op 11 november 2015 ter onderbouwing van haar aanvraag heeft ingebracht.

Bij besluit van 2 december 2015 (primair besluit) heeft het college afwijzend beslist op de aanvraag van eiseres. Aan de afwijzing heeft het college, onder verwijzing naar artikel 8, tweede lid, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Roosendaal 2015, ten grondslag gelegd dat een PTSS hulphond niet onder de reikwijdte van de
Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) valt en dat vanuit de WMO derhalve geen compensatie mogelijk is. Voor een hulphond kan in zijn algemeenheid een vergoeding worden verstrekt vanuit de zorgverzekering.

Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt. Zij is op 15 februari 2016 over haar bezwaren gehoord.

Met het bestreden besluit heeft het college besloten het primaire besluit in stand te houden.

2. De rechtbank stelt vast dat namens eiseres in eerste instantie een aanvraag om een pgb is gedaan voor vergoeding van de kosten van de aanschaf van een PTSS hulphond en de kosten van de training van deze hulphond. Tijdens de bezwaarprocedure heeft eiseres uit eigen middelen een PTSS hulphond aangeschaft. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat haar aanvraag naar aanleiding hiervan beperkt is tot vergoeding van de kosten van de training van de PTSS hulphond in de vorm van een pgb.

Gelet hierop ligt aan de rechtbank de vraag voor of het college de aanvraag van eiseres om een pgb voor vergoeding van de kosten van de training van de PTSS hulphond die eiseres heeft aangeschaft, terecht heeft afgewezen.

3. Op 1 januari 2015 is de Wmo 2015 in werking getreden en is de Wmo ingetrokken. Op grond van artikel 2.1.1 van de Wmo 2015 heeft het college de opdracht gekregen zorg te dragen voor de maatschappelijke ondersteuning. Ook voor die datum had het college al de taak zorg te dragen voor de maatschappelijke ondersteuning, maar waren het toepassingsbereik en de uitgangspunten anders.

4. Toepasselijke regelgeving en beleid

In artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef, eenentwintigste aandachtsstreepje, van de
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) is bepaald dat in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan wordt onder maatschappelijke ondersteuning:

1°. bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld,

2°. ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving,

3°. bieden van beschermd wonen en opvang;

In artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef, tweeëntwintigste aandachtsstreepje, van de Wmo 2015 is bepaald dat in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan wordt onder maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen:

1°. ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen,

2°. ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen,

3°. ten behoeve van beschermd wonen en opvang;

In artikel 2.1.1, eerste lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat het gemeentebestuur zorg draagt voor de maatschappelijke ondersteuning.

In artikel 2.1.2, eerste lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat de gemeenteraad periodiek een plan vaststelt met betrekking tot het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning.

In artikel 2.1.3, eerste lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening de regels vaststelt die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het in artikel 2.1.2 bedoelde plan en de door het college ter uitvoering daarvan te nemen besluiten of te verrichten handelingen. Aan deze bepaling heeft de gemeenteraad uitvoering gegeven met de Verordening maatschappelijke ondersteuning Roosendaal 2015 (Verordening).

In artikel 2.3.1 van de Wmo 2015 is bepaald dat het college er zorg voor draagt dat aan personen die daarvoor in aanmerking komen, een maatwerkvoorziening wordt verstrekt.

In artikel 2.3.6, eerste lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat indien de cliënt dit wenst, het college hem een persoonsgebonden budget verstrekt dat de cliënt in staat stelt de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verordening komt een cliënt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid en/of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

In het vijfde lid van artikel 8 van de Verordening is bepaald dat als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, het college de goedkoopst adequate voorziening verstrekt.

5. In het bestreden besluit heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de vergoeding van de kosten van de training van een PTSS hulphond op het terrein van de zorgverzekering ligt en dat deze kosten niet via de Wmo 2015 voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Daarbij heeft het college overwogen dat een PTSS hulphond een signaleringshond is die zijn baas helpt om te gaan met stress veroorzaakt door traumatische ervaringen, hetgeen niet onder de Wmo 2015 valt.

6. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit (samengevat) aangevoerd dat het college zich weliswaar op het standpunt stelt dat de Zorgverzekeringswet voorliggend is op de Wmo 2015, maar dat zij op grond van de Zorgverzekeringswet niet in aanmerking komt voor de vergoeding van de kosten van de training van de hulphond. Het college heeft onvoldoende onderzoek verricht naar de door haar gevraagde voorziening en daardoor is geen maatwerk geleverd. Zo is haar specifieke situatie niet met het CZ besproken, is zonder nader onderzoek aangenomen dat haar zelfredzaamheid en participatiemogelijkheden niet negatief worden beïnvloed tijdens herbelevingen en dissociaties én is nagelaten te onderzoeken of zij wellicht op grond van de hardheidsclausule in aanmerking zou kunnen komen voor een pgb voor vergoeding van de kosten van de training van de PTSS hulphond. De meerwaarde van een hulphond voor mensen met PTSS is voldoende aangetoond. Ter zitting heeft eiseres aanvullend nog aangevoerd dat het college weliswaar informatie heeft ingewonnen, maar dat de ontvangen informatie betrekking had op een ADL hulphond en niet op een PTSS hulphond. Ook heeft eiseres er op gewezen dat het college onvoldoende op de hoogte was van haar situatie ten tijde van haar aanvraag.

7. Ter zitting heeft de gemachtigde van het college in reactie op de beroepsgronden van eiseres erkend dat afgevraagd kan worden of het bestreden besluit gedragen kan worden door het onderzoek dat aan dit besluit ten grondslag ligt. Daarbij heeft de gemachtigde aangegeven bereid te zijn de aanvraag van eiseres om een pgb voor de vergoeding van de kosten van de training van een PTSS hulphond nader te onderzoeken. De rechtbank heeft hierin reden gezien het onderzoek te schorsen. Daarbij is het college in de gelegenheid gesteld om de aanvraag van eiseres nader te onderzoeken en in aansluiting hierop een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiseres of een aanvullende motivering te geven op het bestreden besluit.

8. Het college heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Op 4 oktober 2016 heeft een WMO-consulent in opdracht van het college een huisbezoek bij eiseres afgelegd. Daarbij is de persoonlijke situatie van eiseres nader in kaart gebracht. Ook is gesproken over de functie en het doel van een PTSS hulphond voor eiseres. In aansluiting op dit huisbezoek heeft het college bij brief van 13 oktober 2016 een aanvullende motivering op het bestreden besluit gegeven. Volgens het college is de verwijzing in het bestreden besluit naar de ziekenfondsverzekeringen als voorliggende voorziening onjuist, hetgeen is aan te merken als een motiveringsgebrek. Desalniettemin is het college van oordeel dat de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een pgb in stand kan blijven. Daartoe heeft het college overwogen dat een PTSS hulphond naast de functie die elke hond heeft zoals zorg voor afleiding, beweging, aandacht en een maatje zijn, ook de functie heeft om de eerste signalen van nachtmerries te waarnemen. Volgens het college gaat het hierbij duidelijk om een therapeutische functie en kan hiervoor geen beroep op de Wmo 2015 worden gedaan. Immers, de aanpak van beperkingen zelf, het herstel of het voorkomen van verslechtering is geen Wmo-taak. Daarnaast is niet of onvoldoende aangetoond dat een PTSS-hulphond aanvullende waarde heeft voor de zelfstandigheid van eiseres. Evenmin is gebleken dat eiseres fysiek niet meer in staat zou zijn vanuit eigen kracht een oplossing te vinden voor haar beperkingen. Tevens stelt het college zich nog op het standpunt dat de door eiseres gewenste PTSS hulphond niet bedoeld is voor het compenseren van de beperkingen van eiseres, zodat deze hond ook geen voorziening is die valt onder de reikwijdte van een van de in artikel 4, eerste lid, van de WMO genoemde prestatievelden. Ter vergelijking verwijst het college naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 18 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1490.

9. Bij brief van 9 november 2016 heeft eiseres gereageerd op de aanvullende motivering van het college op het bestreden besluit. Volgens eiseres houden de stellingen van het college geen stand. Eiseres heeft aangevoerd dat een PTSS hulphond geen therapeutische functie heeft, maar een signaleringsfunctie. Een PTSS hulphond neemt de PTSS niet weg, maar zorgt ervoor dat zijn baas beter om kan gaan met de restverschijnselen die er altijd zullen zijn. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres een rapport van medisch adviseur A.B. Gille van 8 november 2016 ingebracht, waarin is geconcludeerd dat de inzet van een PTSS hulphond tot doel heeft om haar situatie te stabiliseren en niet om haar te herstellen van haar ziekte. Met de reeds ingebrachte medische verklaringen van de huisarts, psychiater en maatschappelijk werker is de noodzaak van een PTSS hulphond en de aanvullende waarde die deze hond heeft voor het vergroten van haar zelfredzaamheid voldoende aangetoond. De stelling dat niet is gebleken dat zij fysiek niet meer in staat zou zijn om vanuit eigen kracht een oplossing te vinden voor haar beperkingen kan eiseres gezien haar psychische problematiek niet plaatsen. De uitspraak van de CRvB waarnaar wordt verwezen heeft geen overeenkomsten met haar situatie. Tot slot heeft eiseres nog aangevoerd dat het college zich nog steeds niet heeft uitgelaten over de toepassing van de hardheidsclausule.

10. De rechtbank stelt vast dat het college bij brief van 13 oktober 2016 het eerder ingenomen standpunt dat de Zorgverzekeringswet voorliggend is op de Wmo 2015 heeft verlaten. Gelet daarop is er aanleiding het beroep gegrond te verklaren. De rechtbank zal hieronder beoordelen of er gronden zijn de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten.

11. Het college stelt zich na het voornoemde nadere onderzoek op het standpunt dat het vergoeden van de kosten van de training van een PTSS hulphond niet onder de compensatieplicht van de Wmo 2015 valt vanwege de therapeutische functie die deze hond vervult.

Eiseres betwist dit standpunt van het college en voert aan dat de PTSS hulphond geen therapeutische functie heeft, maar door middel van het vroegtijdig signaleren van haar angsten tot doel heeft haar situatie te stabiliseren. Een PTSS hulphond compenseert haar dan ook in haar beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie, zodat het vergoeden van de kosten van de training van deze hond wel onder de compensatieplicht van de Wmo 2015 valt.

12. Niet in geschil is dat eiseres last heeft van terugkerende angsten en waandenkbeelden, die met name in de nacht optreden. Dit kan zo ver gaan dat zij tot suïcidepogingen komt, waarvan zij zich later niet meer bewust is. Volgens eiseres kan een PTSS hulphond bij de eerste tekenen van psychische nood ingrijpen zodat wordt voorkomen dat zij verder in psychische nood komt te verkeren.

De aanvraag behelst nog slechts de kosten van training van de hond die eiseres zelf al heeft aangeschaft. Uit de voorliggende stukken en hetgeen ter zitting is behandeld leidt de rechtbank af dat deze training met name erop is gericht dat de hond leert hoe hij ervoor kan zorgen dat eiseres uit waandenkbeelden wordt gehouden en dat zij geen suïcidepogingen doet omdat de kans daarop eiseres ervan weerhoudt zelfstandig te wonen. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank thans op juiste gronden geoordeeld dat met deze functie van de PTSS hulphond, nadat hij zijn training heeft ontvangen, een medisch of therapeutisch doel is gediend. Dit betekent dat het college de aanvraag van eiseres om een pgb voor vergoeding van de kosten van de training van een PTSS hulphond op goede gronden heeft afgewezen.

Dat therapeutische middelen mensen in staat kunnen stellen zelfstandig te blijven wonen en/of weer zelfstandig te wonen, maakt niet dat (ook) een aanspraak bestaat op een voorziening in het kader van de Wmo 2015. Ook in de omstandigheid dat therapeutische middelen worden ingezet om de situatie van een persoon te stabiliseren, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Dat op grond van de zorgverzekeringswet geen vergoeding voor de inzet van een dergelijk middel wordt gegeven, naar de rechtbank van partijen begrijpt omdat nog onvoldoende wetenschappelijk onderzoek is verricht naar de werking ervan, hoefde voor het college geen reden te zijn om in weerwil van het voorgaande wel tot vergoeding van de training op grond van de WMO te besluiten.

13. De beroepsgrond van eiseres dat het college niet heeft gemotiveerd waarom haar geen beroep toekomt op de hardheidsclausule, treft voorts geen doel. Het ligt op de weg van eiseres om feiten te stellen en aannemelijk te maken dat in haar geval sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 22 van de Verordening. De rechtbank is van oordeel dat eiseres geen feiten heeft gesteld die zich laten kwalificeren als zodanig bijzonder dat het college op grond daarvan toepassing had moeten geven aan de in voormeld artikel opgenomen hardheidsclausule.

14. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal het beroep gegrond worden verklaard maar zal de rechtbank bepalen dat de rechtsgevolgen in stand blijven.

15. De rechtbank zal het college veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495, en wegingsfactor 1).

Hoewel eiseres om vergoeding heeft gevraagd van € 37,45 aan reiskosten per auto, ziet de rechtbank geen reden om eiseres een kilometervergoeding toe te kennen omdat niet is gebleken dat het reizen met openbaar vervoer voor eiseres niet mogelijk is. Overeenkomstig artikel 1, onder c, van het Bpb, stelt de rechtbank de reiskosten van eiseres dan ook vast op totaal € 10,68 (twee maal € 5,34 voor de reis per openbaar vervoer, tweede klasse). De overige door eiseres opgegeven kosten, te weten € 10,- aan parkeerkosten, komen naar het oordeel van de rechtbank op grond van het Bpb niet voor vergoeding in aanmerking

Voorts draagt de rechtbank het college op om op grond van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb het griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden, zodat een veroordeling daartoe niet nodig is.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1000,68.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van
mr. Y.E.M. Aarts-Snatersen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.